Drie grote namen uit het toneellandschap staken de koppen bij elkaar.
Damiaan
De Schrijver van STAN, Matthias De Koning van Discordia en Peter Van den
Eede van De Koe bewerkten samen de dialoog van Diderot, Le paradoxe du
comédien,
tot een trio. De beste acteurs, zo pleitte Diderot in de 18de eeuw, tonen
al spelend geen enkel gevoel. Alleen op die manier kunnen de toeschouwers
zich emotioneel geven. Het driemanschap neemt die stelling als uitgangspunt
om een hoge boom op te zetten over het acteren, het theater en de echtheid
ervan.
De scène is alvast echt. Het publiek wordt in een tweevoudige opstelling
binnengeleid. Links staan een reeks tafels en stoelen en een lange kist voor
het publiek. Rechts staat hetzelfde meubilair opgesteld in spiegelbeeld.
Tussen beide partijen is een smalle gang gereserveerd voor de drie acteurs.
Opgehangen panelen tonen aan de ene kant een doorsneehuiskamer en aan de
andere kant een gezellig huisje in de natuur. Daaronder spelen de drie
mannen
als op een richel. De opstelling zorgt voor obstakels. Wegens ruimtegebrek
zitten ze elkaar op de lippen, schuren ze tegen elkaar aan, botsen ze tegen
elkaar op. Het lijnrechte in de opstelling maakt van hen de bewegende
spiegel
die het theater de mensen wil ophouden.
Een spiegel die voor de gelegenheid transparant is. Je kijkt door de
opmaakdoos
van het theater door: alle truuks worden aan je geopenbaard. In een lange
voorbereidende fase wordt getoond hoe whisky eigenlijk thee is, hoe je
bloedcapsules
vult, op welke manier je een pruik past en draagt. De acteurs lijken ons
wel in hun salon te hebben ontvangen, om net het verschil tussen een
salonverteller
en een beroepsacteur te duiden. Dat verschil ligt in het stemgebruik, de
overdrijving en het feit dat een acteur een cliché neerzet. Hij heeft zijn
personage gedaan, hij heeft het niet beleefd.
br>
In die zin wordt de vraag gesteld naar hoe echt een acteur dan wel is. Als
hij een karakterloos figuur is zoals Diderot aangeeft, die gevoelens
imiteert
maar niet beleeft, hoe echt zijn die gevoelens dan voor ons, de
toeschouwers?
Even echt als de plastieken attributen op de scène echt willen zijn. Kreeft,
fazant, vissen, kaas, venkels, aardbeien, alles tovert De Schrijver boven,
allemaal plastiek, behalve de druiven. Die zijn echt. En daar ligt de
scherpzinnige
analyse die deze voorstelling over het theater wil maken. De Schrijver, Van
den Eede en Konings spelen op elkaar in, vallen elkaar in de rede, vliegen
elkaar letterlijk in de haren, vullen elkaar aan, tonen bezorgdheid,
kameraadschap,
ze bedrinken zich als echte vrienden. Maar je vraagt je voortdurend af wat
nep is en wat heel echt. Als Vandeneede met zijn gezicht op de grond valt
en een bebloede hand toont, is die dan echt? Heeft hij dan echt pijn? Als
hij lacht, is het dan omdat er een decorstuk omgevallen is dat niet had
moeten
omvallen, of is het een gespeelde lach? Je weet het niet, je wordt er
voortdurend
mee geconfronteerd. De acteurs doorprikken de trompe-l'oeil die het theater
is, maar laten jou als toeschouwer in de ambivalentie van de illusie achter.
Alleen het zweet is onontkoombaar echt. De acteurs maken zich voor je moe,
ze geven zich vol overgave aan het spel en daarbij ontzien ze geen druppel
alcohol, geen pijnlijke valpartij. Ze overdrijven in alles, ook in hun spel.
De thematiek uit de 18de eeuw sluit aan bij het minimalistische discours
van de voorbije eeuw. Theater om het theater, het is volkomen
voorbijgestreefd.
Deze antidatering geeft de voorstelling net een heel waardevolle boodschap.
Ze wordt de drager van een groot stuk theatergeschiedenis. Die wordt
gebracht
op een erg onderhoudende manier, door ons er in een meesterlijk spel eens
heel hard om te laten lachen. Voor de incrowd werken de herkenbare tics en
eigenaardigheden van de drie acteurs bovendien extra op de lachspieren. En
het is toch doorheen overdreven emoties dat je de beste lessen onthoudt?
Aan u ten slotte de keuze of theater wel een les moet brengen.
An Mertens is deelnemer aan de workshop Theaterkritieken. De workshop wordt georganiseerd door het VTi en staat onder leiding van Anna Tilroe.






