De voorstelling begint met een bliksemflits op het kraaknette witte
tegeltjesdecor. Een klinisch aandoende ruimte die gedomineerd wordt door
een belabberde troon, alias ondergescheten en ondergekotste wc-pot. Met
dit beeld op je netvliezen, barsten de trommelvliezen haast je oren uit.
Jawel, Ad de Bont kiest de toegankelijke weg met hippe (loeiharde)
popdeuntjes die de sfeer de hoogte in jagen, de passie doen branden, de
melancholie doen druipen en vooral de dikke laag humor nog eens extra
bijkruiden. Een consequente keuze die de hele voorstelling wordt
aangehouden en ook in alle aspecten van de creatie naar voren komt. In
die zin kan de scenografie als het objectgeworden concept van de
voorstelling gezien worden : alles is duidelijk bepaald, goed afgelijnd
maar tezelfdertijd wordt er een vrolijke chaos gecreëerd.
De makers kozen voor een amusant en onderhoudend stuk waar Molière
vrolijk bij de arm wordt genomen om mee een danspas in de levendige
brouwerij te wagen. Mathieu Güthschmidt, die ook verantwoordelijk is
voor de dramaturgie en bewerking van de oorspronkelijke tekst, start
zijn spel in « extra-acting » en houdt het moedig tot het einde vol.
Zijn overdreven geroep en getier als « zieke » doen vooral de oren
tuiten en de wenkbrauwen opveren. Niet geloofwaardig, da’s ook niet de
bedoeling. Steeds vaker schemert door dit aanstellerige typetje een
kwetsbaar iemand. Het is die schemerzone die het personage van
Gütschmidt geloofwaardig maakt. Hoewel. Het « gespeelde » laagje lag er
soms net iets te dik op. Dit ligt vermoedelijk ook aan Gütschmidts
ietwat ongemakkelijke verhouding met de poppen. In tegenstelling tot
collega Elout Hol.
Hol raasde door het stuk zonder zichzelf of zijn rollen voorbij te
hollen. Met een verbazende (niet gekunsteld aandoende) stemmanipulatie
wist hij een resem tegenpersonages een ziel te geven waar geen levend
acteur tegen op kan. Mooi en pijnlijk tegelijk. Want terwijl de handen
van Hol de poppen tot spelers, tot individuen maakten, verwerden de
grappige (levensgrote) poppen tot moeizaam hanteerbare objecten in
Gütschmidts handen. Deze minpunten werden echter handig tot een minimum
ingedijkt en weggemoffeld achter een waaier van spelplezier.
Dat maakt de voorstelling gelukt. Het is geen parel van een stuk maar
gewoonweg een actuele, pretentieloze hergeboorte van Molières tekst. Het
dynamische (poppen)spel primeert. Het decor dient vooral als bescheiden
achtergrond, « catwalk » voor de koddige poppen en als rijke trukendoos
met deuren, spiegels, verstophoekjes en een medicijnenkastje. Inzet :
een stevige komedie nieuw wervelend leven inblazen binnen de regionen
van een fris, hoewel vrij traditioneel, figurentheater. In dat opzet
zijn ze grotendeels geslaagd.
Maar wat zou zo een voorstelling nu aan « belangwekkends » in zich
dragen ? Het virtuoze samenspel met de poppen ? De gezwinde bewerking
van een klassieker ? De consequente strategische regie die de
voorstelling tot een stuiterbal maakt ? Al deze ingrediënten zullen wel
tot het belangwekkende van het gerecht bijdragen. Maar misschien zit er
ook wat « jeugdig kruid » in vermengd ? « De Ingebeelde Zieke » is een
voorstelling die in de eerste plaats voor een jonger publiek is gemaakt.
Tegenwoordig zijn de meest ritmische, dynamische en koldereske middelen
goed om dit eigengereid volk in de zalen te drijven. Als ze zich vooral
maar amuseren, lijkt vaak de onderliggende slogan te zijn. Deze
productie volgt die bedenkelijke koers zonder echter de platte toer op
te gaan. Ze gebruiken deze trend als meest efficiënte vorm voor hun
voorstelling, niet omgekeerd. Dat kan als belangwekkend bestempeld
worden. Maar, met de geringe originaliteit die het geheel uitstraalt in
het achterhoofd, mischien ook als onrustwekkend ?






