De verhaallijn van het stuk is eenvoudig. De verteller, een middelbare man verliest z’n vrouw en beste vriend in een tijdspanne van slechts twee uur. Z’n vriend komt om in een banale ruzie in een kebab-shop, z’n vrouw komt zogezegd om door een bom. Zogezegd, omdat we als argeloze kijker niet weten wat waar is en wat niet. De verteller laat van in het begin weten dat hij een ‘bullshiter’ is. Dat wat hij vertelt kan dus evengoed verzonnen zijn. Een verzinsel verpakt in een flash-back die herinneringen, gedachten en beelden oproept van voor - tijdens en na deze dramatische gebeurtenissen. Toch hebben we zijn sympathie omdat hij zich eerlijk en open voorstelt.
Natuurlijk is het regisseur Jan Lauwers niet te doen om dat verhaaltje. Die historie van dat gevecht en die bom wordt slechts gebruikt als vehikel om beelden als concept te gebruiken. Toch is de aaneenschakeling van de op zichzelf interessante ideeën onsamenhangend en rommelig. De misschien wel niet zo onaardige saus kabbelt en wordt een dikke, klonterige brei. Een brei die bestaat uit de omgang met de dood, het misleidende karakter van het geheugen, het kijken als verbeelding, de nood aan affectie, een hommage aan de pop-art, de betrokkenheid van de toeschouwer bij het stuk, het relativeren van schoonheid, de subjectiviteit van de herinnering etc. etc. Een brei die zich afspeelt in een plastieken decor die beelden van de jaren zeventig oproept, inclusief de t.v.-shows van toen.
Zoals bij andere stukken van Needcompany krijgt de dood ook bij Images een belangrijke rol. Niet alleen zijn twee spelers zogezegd dood, ook doemt er vanuit het niets een Oosters uitziende prinses op die het aantal slachtoffers opsomt van de voorbije oorlogen sinds W.O.II. Maar nu, en dat is inderdaad vernieuwend voor Needcompany, komt daar het relativerend onderuithalen van de dood bij. Mike (de verteller) vraagt aan zijn dode vriend wat hij het meest mist. Het enige antwoord dat hij krijgt is dat er in de hemel geen zakken in de broeken zitten. Ook wordt het decor zowel letterlijk als figuurlijk onderuit gehaald. De plastieken klassieke vazen worden omver geschopt, de schoonheidsideaal wordt naar beneden gehaald en wordt geruild voor een esthetiek van alledag. We belanden hier bij pop-cultuur. Want inderdaad, Lauwers laat stapels cola-blikjes plaatsen in de periferie van het podium. Eens te meer is de geest van Warhol aanwezig. Het is trouwens opvallend dat alles zich in de periferie van het podium afspeelt. Zowel de attributen als de spelers bevinden zich ‘aan de rand’, soms bijna over de rand. De meeste dingen spelen zich dan ook af aan de rand van het gezichtsveld. Interessant is het wanneer de verteller Mike zich opwindt over zijn buren als die zich over de lijnen (van hun bezit) wagen. Sommigen lopen dan dikwijls ook enkel binnen de lijnen. Het is niet toevallig Mike die er zich druk over maakt, hij worstelt immers met zichzelf, in zichzelf, en kan bijgevolg zelf moeilijk uit de krijtlijnen komen van z’n innerlijk. Het is duidelijk dat hij de affectie van z’n vrouw en vriend mist. Daarom creëert hij een eigen wereld, een wereld zoals die ons getoond wordt, een wereld waar het geniepige geheugen de herinnering vervormt en in een nieuw kleedje steekt. Een kleedje dat het lijden draaglijk en leefbaar maakt, of zou moeten maken.
Het zou Needcompany niet zijn als er geen deuntjes gespeeld zouden worden. Het poëtische eraan is dat live-nummertjes twijfelend inzetten om dan soms te ontploffen tot opstandingen van lawaai en bruitage. Toch werkt deze opstanding niet omdat het tamme publiek natuurlijk vroom en vriendelijk toekijkt in een tot halverwege volledig verlichte zaal. Vrijblijvendheid op het podium en vermoeide onverschilligheid in de zaal (of althans op mij) zijn de treurige eindbalans. Kortom, verstandelijk entertainment met een arty underground, ofte Images of entertainment.
Maar wat ik het meest mis in deze voorstelling is de slagkracht, de trefzekerheid waar Needcompany ooit een patent op had. Het bewust kitcherige decor, de elegante danspasjes, de soms hopeloze poging om affectief te willen zijn (zowel van de ‘personages’ als van de voorstelling zelf) zijn inderdaad een nieuwe Needcompany. Mag het volgende keer wat meer zijn?






