Je hebt zo van die dagen dat niks je kan verbazen. Op weg naar het festival
botste ik voor het Centraal Station in Antwerpen op een Mohikaans gesnitte
jongeman die een blikje bruiswater dat op zijn kruin stond, openspatte.
Waarna hij op een fluitje van één (euro)cent blies dat even zat en
richtingsloos klonk. Hij sprak me aan in een taal die zelfs linguïsten, met
een notie van interplanetaire
dialecten, zou verstommen. Ik trachtte stamelend iets te verzinnen maar hij
verwachtte geen weerwoord, lachtte en zette zijn volgende solo in. Op het
perron van Berchem, net toen ik me afvroeg waarom ik geen bruistablet had
geslikt voor ik was vertrokken, zag ik een dame van middelbare leeftijd 'tai
chi'-achtige danspasjes opvoeren. Ze keek me aan en haar blik en idiote
headphones bezorgden me nog meer hoofdpijn. Dit wordt een ongewone avond ,
dacht ik, en het vervolg van de treintrip heb ik wijselijk mijn ogen
dichtgehouden.
Toen ik het Kaaitheater naderde, zag ik de Greg van Traktor die me op zijn
manier begroette:
"Hé motje, ge weet toch dat ze grelligaarden als gij hier ni binnenlaten."
Ik had geen betere entree kunnen bedenken en voelde me al meteen thuis.
Traktor is een Antwerpse fanfare-bende en voor de gelegenheid hadden ze
enkele van hun Russische broeders meegenomen. Tijdens hun soundcheck, een
wilde mengeling van allerlei jazzkes, trachtte ik een krant te lezen in de
hoop me beter te kunnen concentreren. Traktor verleidde het volk naar de
grote zaal waar Oscar Van Woensel zijn State of the Union-speech ten beste
gaf. Sinds Blaat en die tv-film over een drummer (meesterlijk vertolkt
door Kuno Bakker) die het onderspit delft in zijn gevecht met de
drankduivel, ben ik een fan.
Oscar en zijn companen van Dood Paard, kunnen bij mij weinig verkeerd doen.
Dat bleek bijna een vooroordeel te zijn want na 5 minuten zijn speech
aanhoord te hebben, hoopte ik dat hij verkouden was en dus niet goed in zijn
vel zat. Ik miste zijn bevlogenheid, zijn nonchalant omverspringen van de
dingen. Ik had de indruk dat hij zich inhield en vooral een boodschap wou
communiceren: laten we theater maken dat 'in' de wereld staat. Weg met het
'divertissement'. Applaus en dan meer dan een uur gratis frieten en pils.
Traktor begeleidde de feestelijke braspartij en de Russische banjospeler
stal de show. Vanaf dan was het de beurt aan jong en ouder theater-talent om
ons te overtuigen van de noodzaak van theater.
Van Birgit Declerq en haar frisse interpretatie van een Gruwez-monoloog,
herinner ik me vooral de laatste zin: "Hij had mij maar niet alléén moeten
laten met mijn kutje." In de grote zaal bracht jong talent (Lisa, Prisca,
Amber en Karolien) een speelse en vlotte mix van drama-fragmenten waarbij
vooral de samples uit de tekst Firenzee van Michaël De Cock, indruk
maakten. De Cock bewijst dat politiek theater en humor best bij elkaar
kunnen slapen. De meisjes hadden hun knipoogjes goed gedoseerd en ook de
toeter deed zijn werk.
Daarna kwam het rijpere talent, dat zich eveneens waarmaakte, Bert Haelvoet
en Eva Van Welvenis hebben klasse in huis. Ook de botsing van de teksten van
Gerritsen en De Graef werkte en dompelde mij onder in een goed gemoed,
weliswaar met een verhevigd bewustzijn. Niks van De Graef moet dringend
nog eens opgevoerd worden. Zouden De Stukkenmakers dit kunnen overtreffen?
Nee dus.
Warre Borgmans, Els Dottermans, Sara Vertongen en Bert André redden nu en
dan de boel, die zonder de begeleidende 'soundscape' (met alle respect voor
de uitstekende muzikanten) wellicht minder had afgeleid. Oscar en Kuno
ontpopten zich weerom tot volleerde Marx Brothers om de pijn even te
verzachten. Vooral Olyslaegers' acteertalent was een irritante versie van
een multifrenie-imitatie. Gelukkig brachten Hertmans en Verhelst hun
drama-poëzie op een soberder wijze. Einduitslag van de eerste match: Jong
wint met 2-1 tegen 'ouder'.






