FENNESZ, O’ROURKE, REHBERG, The Return Of Fenn O’Berg (Mego/Lowlands)
PITA, Get Down (Mego/Lowlands)
De koning van de laptop versus de pionier van het schuurpapier. Fennesz en Main mogen hier samen op een 12” van Fat Cat hun ding doen. Voor Fennesz betekent dat min of meer een voortzetting van de succesvolle formule die hij op Endless Summer hanteerde. Een muur van noise en feedback wordt aangevuld met enkele mooie geproceste gitaarlijnen. Op ‘Badminton Girl’, ‘Eisrennen’ en ’47 Blues’ zijn de scherpe kantjes van de Fennesz-sound echter zo zorgvuldig afgevijld dat de toverformule een voorspelbare routine dreigt te worden. Richard Hampson zoekt al ruim 20 jaar compromisloos en zonder toegevingen te doen het breekbare evenwicht tussen stilte en sound. Na geslaagde samenwerkingen met Janek Schaefer en Antenna Farm en het recente Tau op (K-RAA-K)3 is hier alweer nieuw werk van de Main-man. Op dat laatste album vergleed Hampson buiten het middenstuk - waar hij even lonkte naar de clicktechno - bijwijlen in een soort musique concrète waar je heel geconcentreerd naar moest luisteren. Tau was een moeilijk maar doorwrocht album. Close listening ook op ‘Rive parts 1-3’. In het eerste deel glijden raspende klanken over je heen. De holle klanken van het middenstuk die schijnbaar uit het niets opdoemen, worden gevolgd door de knetterende, onbestemde geluiden van het weerspannige derde deel.

In de zomer van ’98 sloten Fennesz en Peter Rehberg van het Weense Mego een monsterverbond met de Amerikaanse multiexperimentalist Jim O'Rourke. Het onwaarschijnlijke trio Fenn O’Berg ging op tournee met alleen maar laptops als instrumenten. Vier jaar geleden was dat nog totaal ongehoord. Improvisatie op draagbare computers leek een contradictie. Het kamp werd verdeeld in voorstanders die wel iets zagen in deze nieuwe evolutie en fervente tegenstanders die hun neus ophaalden voor drie mannen die voorovergebogen in de blauwe gloed van hun computerscreens de gekste geluiden produceerden. Maar de tijden veranderen. Laptops kun je niet meer wegdenken uit het huidige muziekgebeuren. Jim O’Rourke werd ingelijfd als vijfde lid van Sonic Youth en bracht enkele geprezen soloalbums uit. Fennesz werd met zijn derde album de meest onwaarschijnlijke superster van de laatste jaren. Pita runt nog steeds het succesrijke Weense Mego-label dat onlangs de kaap van de 50ste release nam. De tweede reïncarnatie van het drietal bevat een viertal in maart en mei van vorig jaar in Parijs en Wenen opgenomen stukken. The Return of Fenn O’Berg
is een leuk en speels album waar allerlei referenties in opduiken uit de meest verscheiden muziekgenres: van de sound van een Weens salonorkest op ‘A Viennese Tragedy’ tot de soundtrack van Dr. Who op ‘We Will Diffuse You’. De onvermoeibare Pita doet het alleen op ‘Get Down’, de uitsluitend op vinyl uitgebrachte opvolger van ‘Get Out’ uit ’99. Dit is noise in zijn puurste en mooiste vorm. Nooit zo overweldigend als het Rehberg & Bauer-werkstuk Passt van vorig jaar maar de tijden zijn inderdaad behoorlijk veranderd. Alles went! In 2002 mag zelf noise af en toe genietbaar en spannend klinken! !
TOMAS JIRKU, Entropy(intr-version/Lowlands)
SYSTEM (~scape/Lowlands)
Het vermoeden rijst dat de zogenaamde clicktechno geen lang leven beschoren is. Er zijn immers maar zoveel variaties mogelijk op de minimale fouten, klikjes en tikje waar dit subgenre tot vervelens toe uit put. Onvermijdelijk moet een uitweg gevonden worden uit deze impasse. Twee nieuwe releases overschrijden moeiteloos de beperkingen van het genre. Eén van de vaandeldragers van de minimal techno is de jonge Tsjechische Canadees Tomas Jirku. Na opgemerkte albums op Alien8 en Force Inc is deze Entropy een eerste release voor het Canadese intr-version. Entropy begint koel en kurkdroog met de tracks ‘Entropy 392.887’ en ‘Isentropic 398.495’. De volstrekte afwezigheid van elke vorm van melodie maakt het doorworstelen van het album niet echt makkelijk. Het lijkt wel een donker en gigantisch woud met als enige variatie het voortdurend veranderen van de weersomstandigheden. Met wat zin voor verbeelding hoor je in het mechaniekje van Jirku vogels, krekels en op de bladeren tikkende regen. Het is echter pas bij de derde track dat we enigszins opgelucht ademhalen want dan breekt het op een diepe dubbeat gestoelde ‘Cyclic 408.452’ open als een onweer bij klaarlichte dag. Het goochelen met meteorologische termen en atmosferische toestanden gaat door op ‘Isochoric 416.375’ en het onrustbarende ‘Isobaric 375.842’ dat zich door zijn metalige spanningsopbouw ontpopt als één van de betere nummers op dit album. Het vederlichte ‘Isothermal 432.261’ en de geraffineerde clickhouse van ‘Endothermic 387.116’ lonken naar de dansvloer met hun diepe en complexe ritmes. De tracks die volgen, voelen net iets te gewoon aan. Maar in ‘Enthalpy 397.600’ haalt Jirku ons nogmaals over de streep met enkele hints van warmte en ultraminimale synthsamples. Homepage
Een groep als System opereert in hetzelfde genre maar staat lijnrecht tegenover de kille en onopgesmukte stijl van Jirku. Het Deense drietal Jesper Skaaning (aka Acoustic), Anders Remmer (aka Dub Tractor) en Thomas Knak (aka Opiate) maakte al behoorlijk wat furore met het poppier project Future 3. Knak werkte onder meer als producer mee aan het laatste album van Björk. De verwachtingen die het van Staedtizism 2 bekende ‘Red Click’ opwekte, worden grotendeels ingelost met dit titelloze album. System omzeilt zorgvuldig de valkuilen van de clicktechno met een gevarieerd geluid: van het in dub gesmoorde ‘Micro’ tot het funky ‘Spy’ en de digitale statische ritmes van ‘Park’. ‘Please’ bloeit gaandeweg open als een vreemde exotische plant. Meesterschap alom en een debuut dat kan tellen.GIDDY MOTORS, Make It Pop (Fat Cat/Import)
Als er één label bijna een patent heeft op het ontdekken van nieuwe bandjes dan is het wel het Londense Fat Cat. Niet zozeer een goed A&R-departement maar een fijne neus en vooral veel street credibility doen het hem. Daarbij beperkt men zich niet tot elektronica maar zoekt men gewoon het beste uit alle genres. De recentste single Whirled By Curses van het nieuwe bandje Giddy Motors was behoorlijk indrukwekkend maar deze Make It Pop overtreft onze hoogespannen verwachtingen. Giddy Motors is de band van Gaverick de Vis en Manu Ros aangevuld met Gordon Ashdown op bas. De eerste indruk is die van een stel jonge honden die losgelaten worden op het oeuvre van de vroege Pixies of The Jezus Lizard. Met een eenvoudige opstelling van stem, gitaar, drums en bas slaagt de Zuid-Londense band erin om ons in iets meer dan een half uur compleet van de sokken te blazen. Punkattitude is het juiste woord. Chaotische, energetische en agressieve songs met spitse en gevatte teksten (‘Magmanic’, ‘Hit Car’ en ‘Bottle Opener’) contrasteren met het instrumentale ‘Venus Medallist’ waar het trio z’n rustiger kanten laat zien. Het beste wordt echter opgespaard voor het einde. Het manische ‘Dog Hands’ en het ziedende ‘Whirled By Curses’ doen uitkijken naar de tournee die Giddy Motors in het najaar naar het continent brengt.
MIMI BOYD, Angular Island (Phthalo/Import)
Het Amerikaanse label Phthalo bouwde in enkele jaren tijd een uitstekende reputatie uit als een uniek platform voor de meest verscheiden undergroundartiesten en –bands. Amateurisme werd hoog in het vaandel gevoerd. Overdreven professionalisme werd foeterend afgekeurd. Dankzij de ruime blik van labelbaas Dimitri Fergadis kregen muzikanten als Vladislav Delay, Dntel en Daedelus bij Phthalo de eerste kansen om een digitaal schijfje uit te brengen. Wat te denken dan van dit? Niet tevreden met zijn plaats in de wereld gooit Fergadis zich met zijn meest prestigieuze release tot nu toe met doodsverachting op de verloren gewaande Detroit-sound. Baart hij een draak of een brachiosaurus? In elke geval een monster. De twee gelukkigen die de 38ste release van Phthalo mogen opvullen, zijn Michelle ‘Punisher’ Hermann en Mark ‘Vapourspace’ Gage. Die twee leerden elkaar enkele jaren geleden in niet zo beste omstandigheden kennen op een technorave in een Detroitse club. Om zes uur ‘s morgens, toen het feestje nog volop aan de gang was, werd de plaats ontruimd na een politierazzia. Michelle en Mark konden uit de hel ontsnappen via een zijdeur. In de taxi die hen wegvoerde, beslisten ze om dan maar samen een album te produceren. Geen peperdure studio’s hier maar een doodgewone bloedhete basement studio volgestouwd met apparatuur en kilometers bedrading vormden het decor waar Herrmann en Gage in nauwelijks 2 weken tijd Angular Island inblikten. Ha! En wij die dachten dat het ganse acid rave techno Detroit ding al lang morsdood was. Gage en Herrmann zijn natuurlijk niet de eerste de besten. Gage is sinds het begin der technotijden actief als producer en oogstte lof met zijn trance-projecten Cusp en Vapourspace. Michelle ‘Punisher’ Herrmann stampte in ’97 haar eigen label Seismic uit de grond en geniet een onberispelijke reputatie als dj in Detroitse kringen. Angular Island bevat hoekige en metalige techno met straightforward 4/4 beats waar weinig op af te dingen valt. Op lemen voeten beent het schijfje zich 40 minuten lang door je gehoorgangen als een of ander monster uit ver vervlogen tijden. Niet bijster origineel maar de primitieve omstandigheden waarin het ding opgenomen werd, maken van Angular Island een echt Phthalo-album.
TO LIVE AND SHAVE IN L.A., The Wigmaker In Eighteenth-Century Williamsburg(Menlo Park//Import)
Moeilijk om een band als To Live and Shave in L.A. te typeren! Tom Smith aka OM Myth en zijn companen Rat Bastard en Ben Wolcott waren ruim 10 jaar actief in de Amerikaanse fringe culture toen in ’95 door persoonlijke problemen vrij abrupt een einde kwam aan een turbulente en briljante dubbele achtbaan doorheen het muziekcircus. Pas na de split werd duidelijk welke unieke plaats TLASILA bekleedde in het undergroundcircuit. De eigenzinnige Smith is een schitterende punkpoëet en een begenadigd muzikant met een geheel eigen visie. Het eigengereide in een esthetisch erg geslaagde hoes gestoken The Wigmaker In Eighteenth-Century Williamsburg, uitgebracht op het New Yorkse Menlo Park, is een dubbel-cd die het belang van deze ter ziele gegane groep nog maar eens dubbel en dwars onderstreept. TLASILA putte tegelijk uit alle muziekstijlen die de laatste veertig jaar de revue passeerden, bezigde een onbezoedelde punkethos en leek een logische invulling van de vacante plaats die The Cramps en The Birthday Party in het midden van de jaren tachtig nalieten. Referenties zijn er genoeg maar het straffe is dat Smith die nagenoeg schuwt. Hij wilde met TSALILA gewoon de beste zijn in deze lage soort. Scabreuze en schokkende teksten werden erin gehamerd door een eenvoudige maar superefficiënte opstelling van bas en zogenaamde ‘exteriors’. Tegelijk schrok Smith er niet voor terug om elektroakoestische elementen en oscillatoren toe te voegen aan de totaalsound. Neem er die onvervalste croonerstem nog bij en je hebt het recept voor één van de origineelste en onbegrepen bands van de laatste tien jaar. Aan The Wigmaker… werd trouwens ruim 5 jaar gewerkt. En dat is eraan te horen. Het is tegelijk een testament en één van de krachtigste muzikale statements die we de laatste tijd tot ons namen. Het vergt wat tijd om dit loodzware kleinood tot je te nemen omdat je in het begin de bomen door het bos niet ziet. Gedurende 116 minuten en 27 nummers bestookt Smith je immers in overtreffende trap met zijn dubbelzinnig arsenaal aan onverstaanbare teksten die meestal over gore seks en de waanzinnigste ondergrondfiguren handelen. Ondefinieerbare samples faden in en uit. Oscillatoren piepen en schreeuwen. Pure gekheid om je in één keer door dit alles heen te slepen. Maar na herhaalde beluisteringen merk je hoe onder deze schreeuwerige en bijna prekerige noise echte nummers schuilen met een onorthodoxe maar intrigerende opbouw. Het tekstboekje is handig om bij te houden. Zo op het eerste zicht kun je immers niks opmaken uit de gescandeerde teksten van Smith die op een prentenboek lijken uit de negentiende eeuw met een lijst van de meest onmogelijke moordenaars, verkrachters en mislukte ondergrondfiguren. Dankzij The Wigmaker… is onze verbeelding een stuk rijker geworden met uit de goot geplukte maar onsterfelijke figuren als de loopse Blandina, Miss High Heels, Tortillon Fluff, Brown Dress Bob en de fameuze Honeycomb Tripe die op gruwelijke wijze een stargazer verkracht in het gelijknamige nummer. TLASILA vond zijn inspiratie in de donkerste regionen van de Amerikaanse samenleving. Intussen vond Smith onderdak bij het Weense Mego met het veel rustiger OHNE waar zijn talenten als dichter iets bedaarder naar voor komen. Dankzij The Wigmaker… zal ook de onovertroffen sound van TLASILA niet meer onopgemerkt aan u kunnen voorbijgaan. Een welgemikte kopstoot tegen uw edele delen als het ware.
VARIOUS, Blue Skied an’ Clear(Morr Music/Lowlands)
What the hell happened to Neil Halstead? De man, die met Rachel Goswell nog steeds muzikaal actief is in het erg gewaardeerde Mojave3, sleept een reputatie met zich mee als frontman van Slowdive. In Hun korte bestaan tussen ’90 en ’95 bracht Slowdive een pak ep’s en een drietal albums uit op Alan McGee’s Creation Records. Slowdive werd vrijwel onmiddellijk ingedeeld bij de andere shoegazer-bandjes (Ride, Moose, Curve, e.a.) die op dat moment actief waren. The scene that celebrates itself, werden ze wat smalend genoemd omdat ze altijd wel te vinden waren op elkaars concerten. De in gitaren gedrenkte trage songs van Halstead vormden een categorie apart maar werden al gauw overklast door de opkomende grunge en door het eclatante succes van die andere Creation-band My Bloody Valentine. Halstead en de zijnen werden midden jaren negentig zonder veel ceremonie door Creation afgevoerd en verdwenen roemloos van het toneel. Op een verkeerd moment geboren of gewoon geen geluk gehad? Slowdive drukte in elk geval een onuitwisbare stempel op een latere generatie elektronische muzikanten. Die invloed reikt heel ver. Een decennium na de feiten brengt het Duitse Morr Music een tribute-cd uit voor Halstead’s band. Tegelijk is dit een ode aan één van de fraaiste bands van de jaren negentig en een showcase voor het talent dat Morr in huis heeft. De compilatie Blue Skied An’ Clear bestaat uit twee delen. Op het eerste deel coveren een twaalftal elektronische artiesten originele Slowdive-songs: tweemaal ’When The Sun Hits’ (interpretaties van Solvent en Komëit), en tweemaal ‘Here She Comes’ (door Skanfrom en B. Fleischmann & Ms. John Soda). Jonas Munk duikt op in zijn gedaante als Limp (met ‘Souvlaki Space Station’) en als Manual op de epische titeltrack. Halstead is vooral een schrijver van pakkende songs en gitaarmelodieën à la ‘Crazy For You’ (Ulrich Schnauss) ‘Alison’ (Future3), ‘Waves’ (Isan) en ‘Dagger’ (Herrmann & Kleine). Minder te spreken waren we over de Styrofoam-interpretatie van ‘Altogether’ wegens een te licht uitgevallen zangpartij en het tot niemendalletje gereduceerde ‘Machine Gun’ van het IJslandse mùm. Het tweede deel van de dubbele schijf brengt dezelfde muzikanten samen met een keur aan minder bekende namen. Hier geen covers maar muziek die gebaseerd is op de Slowdive-sound. Uitschieters op de tweede schijf zijn ‘House Full Of Time’ van Guitar en ‘My Last Journey (Weather Balloon)’ van Isan. Een recente poging om het volledige oeuvre van Slowdive opnieuw uit te brengen, mislukte. Slowdive-albums zijn al lang niet meer in de gewone handel te verkrijgen zodat we het moeten doen met zeldzame tweedehandsexemplaren. Ondanks enkele bijdragen van twijfelachtig allooi zal deze puike compilatie de interesse voor deze ongewoon getalenteerde band zeker opnieuw doen toenemen. Alleen al daarom de moeite waard





