Dour. Vier dagen van de wereld. The day after: ik strompel door de supermarkt, kijk schichtig naar iedereen die het waagt in m’n buurt te komen, ik struikel voortdurend over m’n doorrookte stembanden, alles lijkt onwerkelijk vreemd, ik voel me een buitenaards wezen dat na een lange reis per ongeluk op een vijandige planeet terecht kwam. Een zware afkick is nooit leuk, zeker niet als je vier dagen lang zo wég als een huis hebt rondgelopen tussen de grootste collectie marginale gekken van het land, met een kop vol alcohol, wiet en pillen, waarbij de communicatie geleidelijk verwaterde tot louter geroep en vunzig gewauwel. HOEREU! Ik heb voortdurend zin om dat woord nog eens uit volle borst te brullen naar een vage bekende aan de overkant van de straat, wijdbeens, met m’n armen in de lucht, om daarna naar een hoekje te strompelen om even te pissen en dan op een bankje een joint te beginnen rollen. Maar dat kan nu allemaal niet meer, aanpassen is de boodschap, opnieuw integreren in de gemeenschap, die saaie bende klojo’s met hun propere kleren en hun volwassen gewassen smoelen…ik mot ze niet. Geef mij maar de wacko’s die zich weer maar eens helemaal lieten gaan in het weekend van 11 tot 14 juli, in het landelijke Dour, waar jaarlijks een net veld omgetoverd wordt tot een nucleair slagveld, en dat op slechts enkele dagen tijd.
Donderdagavond rond 9 uur ‘s avonds kwamen we met z’n vijven aan op het campingterrein, Freaky Punk, Rukke Doemp, Flippe, Pitrak en mezelve, Oscar Gonzo. Aan een perspas geraken was ook deze keer geen probleem, zij het dat er deze keer een vette 55 euro voor gedokt moest worden, maar daarmee kon je dan wel lekker in de perstent gaan zitten, waar ik dus op dat hele weekend geen poot heb binnengezet.
De eerste stappen op het festivalterrein verliepen zoals elk jaar moeilijk. Dour kent zeven podia, en nergens staan pijltjes of naamplaatjes, dus je bent op het geluk aangewezen om iets te zien te krijgen. Gelukkig leidt zoiets soms tot aangename verrassingen. Zo stonden we toevallig voor het groot podium toen daar een optreden begon waarvan ik niet eens op de hoogte was, en wat een optreden! Ouwe funkzak George Clinton stond daar plots met z’n geschifte P-Funk Allstars, een twintig koppige band, elk lid is een personage op zich en voert z’n kunstjes uit, wat een wervelende show oplevert waar je enkel met geopende bek naar kan staren, onderwijl shakend op verrassend bekende songs zoals "We want to funk", of zoals Flippe stond te schreeuwen "we want to fuck!", of van die stukken muziek die je voordien alleen kende als steengoeie hip hop nummers. Het optreden bleek een ideale start voor vier dagen Gaan. Nog zwaar na-funkend swingden we naar de drum&bass tent om daar de eerste uren niet meer weg te geraken, onderweg slikte ik snel een halve Buddha, terwijl de rest achter de vodka ging, en het was nodig want Beatmeister Dillinja stond al vollen bak zijn gepatenteerde trommelvliesscheurplaten te draaien. Ik had me uiteindelijk wel veel meer voorgesteld van de eerste passage in jaren van deze absolute godfather van de rammende drum&bass, het werd uiteindelijk zelfs wat eentonig. Gelukkig was er nog DJ Storm die enorm veel goedmaakte met een lekker strakke set van Metalheadz’ finest. En dan was het al gedaan op het terrein, het was amper vijf uur en we stonden verdorie nog berescherp, behalve dan Pitrak, die al tegen vieren naar de tent gewaggeld was, met de armen vooruit, als gevolg van een overdosis whiskey. Van het vorige jaar wisten we nog dat Dour eigenlijk nooit echt stopt, dat er na het festivalgebeuren altijd nog wel doorgefeest wordt op de caming, met name in de speciaal daartoe bestemde partytent, die vorig jaar door Flippe en mij werd omgedoopt tot de Charlatan-tent, naar dat andere schimmige leegfeestkot waar alleen maar volk toestuikt dat ‘door omstandigheden’ nog niet kan gaan slapen. De Charlatantent viel die eerste dag wat tegen, er was geen fuif te bespeuren, er stond alleen een stereoketen keihard te spelen, toch stond een tiental mensen volop te dansen op de lokale radio. Buiten de tent viel gelukkig nog genoeg te zien, scheve bekken met name, massa’s, en dat al op de eerste dag, mensen die nog nooit van het woord ‘doseren’ hebben gehoord. We maakten nog een toeristisch wandelingetje door de meest chaotische camping ter wereld alvorens al rond 8 uur te gaan slapen. Nu ja, slapen…na amper vier uur was ik alweer wakker, gewekt door de plots opgedoken hitte, de tent stond op smelten. Dan maar een paar uur buiten gaan liggen puffen en paffen, "hoeiendag!" en "boshoer!" roepen naar alle passanten, na een uur ofzo pas merken dat er vrienden van mij aan de overkant zaten, op slechts enkele meters van ons, en daarnaast nog twee bekenden, waardoor we daar plots al met een hele clique zaten, zonder dit van tevoren af te spreken.
Zoals dat zo vaak gaat op een festival komt elke dag die volgt op de eerste nogal traag op gang, het hoofd en de benen willen zo niet echt mee, je loopt voortdurend tegen mensen aan die met hetzelfde probleem sukkelen, of die maar meteen aan een nieuwe bender begonnen zijn, wat wij dus ook maar deden. Het duurde wel een goeie vier uur eer we onszelf ertoe konden dwingen om naar het eerste optreden te gaan kijken, eventjes dan toch, een glimp oppikken van Techno Animal, niet zo’n goeie start, veel te diepe bassen voor zo’n vroeg uur op de dag. Een betere start ware Flip Kowlier geweest, die zoals vanouds een gezellig onderonsje stond te geven op de Red Frequency Stage, met aangepaste bindteksten als "moi je chans des chansons avec des emotions", wat niet echt nodig was want drie kwart van het veld kwam toch van Gent of West-Vlaanderen. Nog een geluk dat Flip’s sympathie-factor bijzonder hoog ligt want muzikaal kletterde het regelmatig van alle kanten, maar zijn door hemzelf gezongen techno-medley mocht er best wezen. Allé soit, daarna trokken ‘min moate’ en ik arm in arm naar het volgende concert, wat we halverwege alweer vergaten omdat we bij de stand van Coca Cola kwamen waar we koste wat het kost een gigantische zitzak wilden winnen, maar zelfs met de steun van een sympathiserend promomeisje, die ons massa’s wedstrijdbonnetjes gaf, wou het maar niet lukken. We hebben dan maar een foto van onszelf laten trekken, in innige omarming met een promomeisje van Stella Artois, zonder twijfel nu te bewonderen op hun website.
Na nog een lange pitstop op de camping zakten we voor de rest van de avond af naar de electro-tent, waar we twee van de beste concerten van het weekend zagen, opeenvolgend van selfmade horrorbitch Peaches en haar spitsbroeder Gonzales, ongetwijfeld m’n revelatie van Dour, die gast met z’n tropenhelm en Scarface-kamerjas die platte electrokitch bracht, enkel begeleid door een vette ritmetrack en soms wat los uit de pols tokkelend op de piano, op een gegeven moment met een gigantische klapsigaar in z’n mond. Bij het zien van Gonzales kon ik me niet anders voorstellen dan dat die gast elke avond gaat slapen in een bed van coke. Veel rust werd ons die avond niet gegund in de electro-tent. Meteen naar Speedy Gonzales waren de Mothufockin’ Dewael Bros. al hun scherpste set aan het draaien die ik ooit van hen hoorde, twee uur lang stond die tent daar volledig op z’n kop. Echt moeilijk was dat niet, de broertjes van plezier draaien tegenwoordig hun eigen mixen, die ze voor het gemak op vinyl lieten drukken, en draaien dan ook nog eens in een noodtempo alle hoogtepunten van die mixen aan elkaar. Je mag veel zeggen van hun skills of hun originaliteit, een Feest van Hebikjedaar kunnen ze nog steeds draaien als de besten. Of lag dat gewoon aan die knoert van een ‘Lieveheersbeestje’ die we vlak ervoor had binnengeslikt? God mag het weten. In combinatie met pure vodka stonden we alleszins scherper dan ooit, zowat ter plekke stuiterenden we tegen elkaar aan, een enkele keer pauzerend om een uitgedroogd doch oogstrelend meisje ons flesje te geven, evenwel zonder te vermelden dat het water eigenlijk pure vodka was, waarna ze toch wel een iets minder mooi gezichtje trok. Vijf minuten later was ze plots weg. Niet dat ze veel zal gemist heeft want iets later was het alweer gedaan op het terrein en waren we weer op de Charlatantent aangewezen. Dat viel deze keer al veel beter mee. Pitrak en ik amuseerden ons kostelijk met scheve bekken kijken, nog twee keer zoveel als de dag ervoor, bij vol daglicht stonden ze daar allemaal tegen elkaar op te lullen en te vallen, binnen in de tent speelden ze van die gruwelijk plastieke drum & bass, waar iedereen toch als waanzinnig op stond te dansen. Af en toe botste ik dan tegen één van onze overburen aan, uren ervoor had hij nog gevraagd of ik aan bollen kon geraken, wat ik toen bijzonder vreemd vond, hem kennende als verstokt blower, en nu stond hij hier met ogen als biljartballen rond te huppelen om 8 uur ‘s morgens, op dat moment vond ik het al lang zo vreemd niet meer. Toch verliep die nacht niet volledig zonder zorgen. Flippe leek z’n verstand volledig verloren te hebben, en dan was het altijd lichtjes opletten geblazen. Tijdens de Dewaele Brothers was hij begonnen met ‘luchtbasgitaar’ spelen en rondhuppelen, en dat met z’n ultralullige gele petje ondersteboven op z’n kop, met de klep omhoog. Vier uur later was hij daar nog geen seconde mee opgehouden, hij leek in een soort schizofrene danstrance zijn terecht gekomen, er kwam ook geen normaal woord meer uit, alleen "gaan zeneu!" en "jép jép!", erg lang duurde het niet voor we beseften dat Flippe eigenhandig een volledige fles vodka had gekraakt. Zijn manier van handelen leek aanvankelijk onschuldig, tot er een hele zatte griet rond z’n nek begon te hangen en hem duidelijk volledig zag zitten, terwijl haar groen lachende lief naast ons stond. We probeerden de groen lachende gast wat gerust te stellen met de halve waarheid dat Flippe op dit uur van de dag alleen nog maar luchtbasgitaar kan spelen en hij voorts totaal onschadelijk is. De situatie begon met de tijd steeds gecompliceerder te worden, en mijn ogen vielen zo goed als toe dus kroop ik maar snel m’n tent in tegen den tienen, dat volstond wel weer voor een dagje Dour. Buiten stond de overbuur nog vrolijk frisbee te spelen met alle passanten. Ik gaf hem de rest van m’n kanonschot van een joint en donderde eventjes in slaap. Twee uur later ging ik nog eens even pissen en zag overbuur nog steeds frisbee spelen. Tegen 1 uur ‘s middags is hij er toch maar ingekropen. Flippe lag ondertussen ook al in z’n tent, in z’n blote flikker maar wel met z’n gele pet op.
Dag drie begon eigenlijk verrassend fris en actief. Door een of andere goddelijke ingreep slaagden we er allevijf in zowat zes volle uren te slapen, een enorme luxe op Dour. Een ander hulpmiddel was een ongelofelijk feest van een concert om de dag mee te beginnen. Opnieuw volslagen toevallig stonden vooraan de Red frequency stage wat heen en weer te bewegen op lome reggea toen een wervelend concert begon, zes dolenthousiaste Fransmannen die een soort punkska brachten met de energie van Mano Negra, meteen stond dat hele plein daar op en neer te springen, en wij deden vrolijk mee, en dat zelfs nog voor onze eerste tas koffie. Nog een geluk dat ze zelf meermaals uitriepen dat ze Babylon Circus heetten, anders hadden we het nooit geweten, ze stonden namelijk helemaal niet in m’n programmaboekje, een last minute verrassing op Dour, en eentje met zoveel enthousiasme dat ze ons meteen energie gaf voor de eerste uren van dag drie. Helaas was de euforie snel uitgewerkt en vulden we vervolgens uren met het simpelweg staren naar passerende mensen, ondertussen kettingblowen en bier drinken, af en toe sloften we wel nog eens naar een nabijgelegen podium maar steeds kwamen we of net te laat of trok het op geen kloten. Maar toch wierp niemand de suggestie op om naar huis te gaan, het was nochtans al héél zwaar geweest, het energiepijl stond laag, de koppen en de benen deden zeer en een goed badje en een gezonde maaltijd zouden goed smaken. Geen seconde bij stilgestaan, het Dourritme had zich al goed in ons bloed genesteld, elke dag hetzelfde patroon: opstaan, joint roken, koffietje drinken, wat rondkijken, pintje drinken, jointje roken, optredentje, pintje-pintje-jointje-vodka-pintje-jointje-pilletje-pintje-cola-jointje-plat water-pintje-pintje-joint-joint-joint-slapen en opnieuw beginnen.
Soit, optredens zien ging ons die dag echt niet af. Drie nummers gezien van Alec Empire en daarna potdoof gaan lopen van die woeste geluidsmuur, voorbij het optreden van Coil gewandeld, wegens geen zin in "intellectuele muziek", bijna in slaap gewiegd door Burning Spear, idem bij Jazzanova en dan uiteindelijk toch een beetje energie gevonden, in de vorm van een half ‘lieveheersbeesje’ en dan weer staan jumpen op de beenharde drum & bass schijven van Wontime, niet bijster origineel, ik weet het, maar het was het enige dat werkte die avond. Helaas duurde dat ook weer niet lang want om een of andere duistere reden moest de tent een uur vroeger stoppen dan al de rest. Discobar Galaxie iets verderop viel ook danig tegen, buiten begon het lichtjes te regenen, de avond leek gedoemd om te mislukken. Wat we toen nog niet wisten was dat het feest eigenlijk nog moest beginnen, de bonte avond, en dat ons het meest surrealistische moment van vier jaar naar Dour gaan stond te wachten.
Rond vijf à zes uur, toen ze het volk van het festivalterrein begonnen te jagen en Pitrak, Rukke en ik ons richting Charlatantent wilden begeven, dook plots Flippe weer op, na vele uren, en wat bleek, de schizofrene luchtbasgitaar trance hield stand, maar nu nog feller. We begonnen met z’n allen gekke dansjes te doen rond een geïmproviseerde trommelfanfare. Een tweehonderdtal scheve bekken trekkende halve gekken huppelden vrolijk mee, en gingen gewillig in op Pitrak’s kreet "Manana!" uit die goeie ouwe Muppet Show. Op een gegeven moment moest iedereen echt van het terrein en liepen we allemaal achter de trommels aan richting camping. Daar plantte de fanfare zich meteen weer neer en begon aan een weergaloos feest dat tot ‘s middags zou duren, net zolang tot elke slapende ziel op Dour al dan niet brutaal gewekt was. Overal doken nieuwkomers op met instrumenten: potten en pannen, een ijzeren hek en dito staaf, een didgeridoo of een platic buis, een mini-triangel en mini-rammelaartjes, waar Flippe urenlang mee rondliep. Op een gegeven moment nam iemand het vreemde initiatief om met die wilde, lawaaierige bende de hele camping rond te trekken, tussen al die tentjes en die verraderlijke jungle van draden door. Dat leverde hilarische beelden op, niet altijd even grappig voor de slachtoffers maar des te grappiger voor ons. Het spelletje was eigenlijk om met al die instrumenten naar een grote tent te sluipen, er met zoveel mogelijk volk induiken en dan heel luid beginnen trommelen terwijl de rest begint te roepen net zolang tot de mensen hun warrige kop uit de tent steken, waarna ze nog half in slaap een uitzinnige menigte zien die hen staat toe te juichen. Ik ben blij dat ik het zelf niet heb moeten meemaken, het moet alleszins een bizar beeld zijn. Een ander spelletje was om een didgeridoo zo ver mogelijk in een iglotent te steken en dan zo hard mogelijk erin te blazen. Pitrak en ik hielden ons voornamelijk bezig met heel luid "kukkelukuuu!" in tenten te roepen, voorover vallen van het lachen en voortdurend onze ‘scheve bekken top drie’ bijhouden, een zware opdracht met deze volslagen geschifte bende pillenpakkers en cokesnuivers. Allemaal stonden ze te kauwen als paarden en te grijnzen als de Joker in Batman. Voor een nuchter mens moet dit een behoorlijk griezelig beeld zijn, voor ons leek het allemaal eerder amusant.
Na zo een paar uur in stoet door de camping te zijn getrokken begon ik toch wel lichtjes door m’n benen te zakken. Freaky en Rukke lagen al lang te pitten, Flippe was weer vertrokken met een griet en z’n rammelaartje, Pitrak die wou nog doorzakken tot zondagavond maar ik viel voorover, fysiek dan wel, geestelijk was ik nog helder, maar dan een vreemdsoortige, half krankzinnige helderheid, gevolg van drie dagen in een roes hangen zonder al te veel slaap erbij. Ik probeerde dan maar wat te liggen in de tent, terwijl op de achtergrond de fanfare een groove te pakken had die het nog twee uur zou volhouden, tot iets na de middag dus. Echt slapen lukte me nooit, alleen een soort zweven in halfbewuste toestand. Na een paar uurtjes dan maar weer opgestaan om te zien dat Flippe nog steeds rondliep met z’n meisje, hij was tegen dan al een goeie twintig uur op de been, en zou dat nog tien uur volhouden.
Dag vier was er eigenlijk wat teveel aan. De kous was af. Ik was opgebrand. Dit moest de limiet zijn, het breekpunt, en dat bleek toch wel verrassend hoog te liggen. En toch zijn we daar nog tot 12 uur ‘s avonds blijven hangen, onder meer omdat we Flippe kwijt waren. Freaky en Rukke gaven het al snel op en vertrokken met de tenten naar huis. Pitrak en ik zochten nog wat verder op het festivalterrein en onderweg pikten we nog wat concerten mee, zoals dat van Beenieman, maar z’n ragga met synthesizermuziekjes erdoor kon maar half bekoren, of van het geweldige Bullfrog, een groep die lekker luie hip hop speelt, voorzien van een drummer, een zanger-gitarist, een rapper, een zangeresje en met niemand minder dan Ninja Tune’s Kid Koala achter de draaitafels. Een heerlijk laid back concertje voor op een zondag, met een groep die dezelfde stonede chinezenoogjes had als het merendeel van z’n publiek. Nadat ze hun concert afsloten met een behoorlijk dansbaar nummer, en ik m’n laatste energiestoot opgesoepeerd had gaven m’n benen het bericht door dat het nu toch echt wel genoeg geweest was. Het enige wat nog restte was neerzitten, een beetje blowen en pinten drinken. Uiteindelijk besloten Pitrak en ik dan maar zonder Flippe naar huis te keren, hij zou z’n plan wel kunnen trekken. Onderweg kwamen we wel nog een vriend van Pitrak tegen. Hij stond daar zo op z’n eentje te staren naar een leeg podium, maar eigenlijk naar niets. Nadat het eerst een tijdje duurde eer hij doorhad wie we waren legde hij heel moeizaam iets uit van "twee dagen wakker", "10 bollen" en "weet niet meer waar mijne kop staat". We hebben hem dan maar meegenomen en nog voor we de zeer hobbelige parking afreden lag hij in een hele diepe slaap. Een van de vele stuikers, mensen die alles maar dan ook alles gegeven hebben, zonder om- of vooruitkijken, gewoon Gaan! en dan onheroepelijk inelkaarstorten, hopelijk zo laat mogelijk. Toen we naar de auto liepen, via een binnenwegje door de omheining van de camping (langs waar dus al dat gestolen gerief heel makkelijk naar buiten kan gesmokkeld worden), wierpen we nog een laatste verbauwereerde blik op wat ooit een campingterrein was: die onoverzichtelijk berg afval en met vanalles en nog wat besmeurde tenten, overal uitgetelde en finaal gecrashte stuikers in een coma, half uit hun tent liggend. Met een beetje verbeelding kon je uit dit apocalyptisch beeld afleiden hoe de ravage na een atoomexplosie eruit moet zien. Waren we even blij dat we weg konden en niet op deze gruwelijk vernielde plek moesten ontwaken op een sombere maandagmiddag, uitgeput, slechtgehumeurd omdat het gedaan is, ondervoed en ongewassen, en met nog steeds dezelfde kleren aan als vier dagen ervoor. Neen, wij reden zo snel mogelijk weg van deze aanstormende collectieve kater en crashten héél moe maar héél voldaan in onze respectievelijk bedjes om er pas 14 uur later uit te komen, net op het moment dat Flippe plots aan de deur stond met z’n slaapzak en luchtmatras in de hand, recht van Dour. Volgend jaar weer, Dour pour toujours!






