Meest recente artikels:
Summerschool Kunstkritiek
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Review Dit is mijn vader
Meer artikels van Robin Vanbesien:
Over intimiteit en een zekere Verlichting
DE SCHITTERING BINNENIN HET SUBJECT (*)
datum 26.06.2002
rubriek Curiosa
"De waardigheid van een fantasie bestaat in haar 'illusionaire', fragiele, hulpeloze karakter."(2)
> Slavoj Zizek
Soms moet het ook gaan over de onmogelijkheid om onze eigen intimiteit te benoemen of te verbeelden. Over de nabijheid van 'iets' dat ons tegelijk vertrouwd en vreemd is. Over de stille radeloosheid van iemand die zodanig in zichzelf aanwezig is dat zij of hij totaal afwezig lijkt. Er bestaat een wegzinken in de eigen nietigheid dat alleen maar verbijstert.(3) En het moet eigenlijk vooral gaan over dit 'spel' van de intimiteit op die momenten dat men reflecteert over de maatschappij, het leven en het transcendentale en daarbij de vertwijfeling van het 'verlichte' denken probeert voorbij te praten. Want, na al deze geschiedenis, na al dat denken, komen we nu uiteindelijk op het lucide, absolute punt - ironisch genoeg ervaren als een nulpunt - waarop we ons realiseren dat we niet langer nog om onszelf heen kunnen.

"Aan het begin van de 18e eeuw stond het begrip verlichting in Europa voor de triomf van het gezonde verstand. Omdat dat verstand wel eens een beetje wil overdrijven raakte de doorgeschoten rationaliteit zoals die uit de Verlichting zou zijn ontstaan regelmatig in diskrediet. Toch wordt nu gezegd dat opnieuw gebleken is dat een aantal moderne waarden die uit die historische Verlichting zijn voortgekomen beter tegen de 'domheid' verdedigd moeten worden."(4)
Inderdaad, enkele traditionele denkbeelden uit de Verlichting, zoals bijvoorbeeld de 'democratie, zijn eigenlijk, in al hun leegheid, bezoedeld met een 'pathologische' smet, maar niettemin moeten we vasthouden aan hun principiële abstracties omdat we binnen deze bestaande contouren tenminste wel nog vat zullen hebben op 'wat ze teweeg brengen'. Met andere woorden: het gezond verstand is misschien niet steeds even oprecht, maar het weet wel hoe het de dingen gaande moet houden! Dit cynisme, dat kennen we als het 'postmodernisme'. In het beeldverhaal van de geschiedenis zijn we bij de scène aanbeland waarin ons het mes op de keel wordt gezet. We zweven momenteel tussen de zekerheid van de catastrofe en de bijna onverhoopte mogelijkheid van 'toch nog een leefbare wereld'. Een fataal moment waarop het denken bijna niet meer kan denken, zo lijkt het soms.
We kunnen Kant verheugen: de mens is meer dan een machine. Het probleem is dat de mens eigenlijk teveel overhelt naar deze uiteinde van de vergelijking: hij is veel te veel mens. Trachten we de mensch te bekijken zoals hij echt is, getekend in de tragische anonimiteit van het vlees, dan gebeurt er iets ongemakkelijks, iets raars met ons. Maar toch is het alleen in de reddende weergave van dit beeld dat obsceniteit in luciditeit verandert. Laat ons dan het subject helder denken en niet het hoofd afwenden.

0.
Er is het nulpunt. Er is de onmogelijkheid van het filosofische argument: wel mondig, maar machteloos ... dus toch maar sprakeloos. Het valt de filosofische held vandaag niet mee: stamelen, stotteren, prevelen en tenslotte zwijgen. Dat is zijn lot: voorgoed uit de baan van de realiteit gestoten. Er is in de cinema's van onze grootsteden een tragisch beeld van een personage dat probeert vat te krijgen op een werkelijkheid die onder de eigen handen verandert. "Mijn leven is een puinhoop. Van buitenaf ziet het er allemaal nog gelijkmatig en geslaagd uit, binnenin ontbreekt iedere regie. Alles wat wezenlijk is, valt uit mijn handen. Vraag me wie ik ben, en er volgt alleen gestamel. Vraag me hoe het verder moet met de wereld, en er verschijnt een groot vraagteken op mijn gezicht. Wat is geluk? Ik steek een onmachtig betoog af. Vraag me hoe ik omga met de liefde en dood, en zuivere paniek maakt zich van me meester. Liefde blijkt ongrijpbaar, de dood lijkt niets liever te willen dan mij grijpen. 's Nachts in bed lijkt het alsof alles in het leven zich buiten mij om voltrekt. Het grootste deel van mijn leven is al voorbij en ik heb nog steeds het gevoel dat het nog maar nauwelijks is begonnen. [...] Heel mijn bestaan komt me vluchtig en vormeloos voor."(5) Zo schetst de Nederlandse filosoof Bas Heijne zijn toestand. Ongeveer zoals, 'algemeen beschouwd toch', de doorsnee mens er aan toe is vandaag, zo meent hij.(6) "[de mens] zijn bestaan ontbeert een grote samenhang, zijn doen en laten wordt niet gesteund door Geloof, de buitenwereld trekt grotendeels betekenisloos aan hem voorbij en het knagende besef van eindigheid wordt behendig weggemoffeld achter een glanzende façade van een permanente bevrediging van impulsieve behoeften."(7)
Wat kan die 'arme mens' doen in dit geval? Voor de 'verlichten' onder ons rest er temidden deze betekenisloze wereld vervolgens niets anders dan psychotische oplossingen aanmaken. Met de blik op die 'grijze, vormeloze mist die langzaam klopt alsof hij zwanger is van het leven', zet het subject, vanuit het eigen nest, een paranoïde constructie op om zichzelf te genezen, om zichzelf te vrijwaren van de constitutieve stompzinnigheid van de symbolische orde, om een overwinning te behalen op de werkelijke 'ziekte', het 'einde van de wereld'.(8) Dit is een doodnormale psychotische handeling, die bij bepaalde verlichte denkers, zoals Walter Benjamin en Jean Baudrillard, tot zeer waardevolle kritieken van de symbolische orde heeft geleid. De paradoxale keerzijde van deze moeilijke 'verhouding' is bovendien dat het subject de symbolische orde niet kan ontsnappen, zonder autistisch te worden. "[...] de vaststelling [...] dat wij-zelf niet kunnen spreken, tenzij dan om iets te zeggen dat niet eens de moeite waard is, deze vaststelling drijft ons recht in de armen van een sinistere semantische spraakverwarring. Omdat ik de uitdrukking 'waardeloos spreken' niet smarteloos op mijn eigen spreken kan toepassen, schuift mijn taal, mijn spreeksysteem, de term 'waardenvrij spreken' naar voren, bijna als een vrijblijvend voorstel, of erger nog, als een geruststellende variant van die pijnlijke combinatie. Hoe sinister, inderdaad, is deze metonymische verglijding; hoe sinister dat de fictie van een objectief geldig discours mij zou moeten troosten voor de troosteloosheid van mijn sprakeloze toestand."(9) Dat wat het verlichte subject vandaag nu precies zo verlamt is de stille vaststelling dat de symbolische orde een stuurloos schip geworden is. Alsof er vandaag geen andere keuze is dan deelnemen aan een permanente catastrofe: mee op de baan, het Gat in.(10) En de 'open' en 'onbeschaamde' manier waarop deze waarheid bekend maakt wordt, is net hét lugubere karaktertrekje van het postmodernisme.

Het obscene object van het postmodernisme
Het akelige kenmerk van het postmodernistische breuk bestaat er in dat de symbolische orde eigenlijk niet langer onze 'reële' verlangens verhult, maar onthult. We worden geconfronteerd met onze eigen fantasie die zich kristalliseert in de door ons opgezette virtuele realiteit, terwijl die realiteit vrolijk op autonome basis doorgaat. Terwijl het betekenisloze en zinloze vroeger in het afwezige bestond, zien we de leegte in de aanwezige orde, ons eigen 'modernistisch' kind. Zizek schetst deze breuk aan de hand van Samuel Becketts 'Wachten op Godot', een prototype van een modernistische tekst. "De doelloze, zinloze verhandeling van het stuk vindt in z'n geheel plaats tijdens het wachten op de komst van Godot, op het moment dat er eindelijk 'iets zou kunnen gebeuren'; maar we weten drommels goed dat 'Godot' nooit kan komen omdat hij slechts de naam is van niets, van een centrale afwezigheid. Hoe zou de 'postmoderne' variant van dit verhaal in elkaar steken? Godot zou dan op het toneel te zien zijn: hij zou een van de onzen zijn, iemand die hetzelfde doelloze, saaie leven leidt als wij, iemand die van dezelfde idiote dingen geniet. Het enige verschil zou zijn dat hij, hoewel hij dit niet zelf weet, zich toevallig op de plek van het Ding bevindt, hij zou de belichaming zijn van het Ding waarop gewacht wordt."(11)
In het postmodernisme komen we met andere woorden voortdurend onszelf tegen. De culturele orde is als een Kafkaiaanse ruimte met daarin een misselijkmakende, inerte aanwezigheid. Het 'iets' dat ons tegelijk vertrouwd en vreemd is, is te nabij: op onze billboards, in onze shopping malls, op het www, in de cinema. We zijn zodanig in onszelf aanwezig dat we totaal afwezig lijken. We zijn in een staat van verbijsterende nietigheid. Het obscene object van het postmodernisme is onze eigen intimiteit.
Bijzonder treffend in dit verband is een passage uit Don Delillo?s ?klassiek? geworden roman 'White noise', waarin zeer treffend de vinger op de zere wond van het jonge Amerikaanse postmodernisme wordt gelegd. Aan het woord hier is Murray, een 'verlichte' vriend en collega van het hoofdpersonage Jack. Murray ontmoet Jack en zijn gezin in de supermarkt en begint, terwijl ze samen doorgaan met inkopen doen, losjes te filosoferen over wat hij rondom zich ziet. "Alles is verhuld in symbolisme, verborgen door geheimzinnigheid en lagen cultureel materiaal. Maar het zijn psychische gegevens, absoluut. De grote deuren glijden open, ze gaan ongevraagd dicht. Energiegolven, invallende straling. Al de letters en cijfers zijn hier, al de kleuren van het spectrum, al de stemmen en geluiden, al de codewoorden en ceremoniële zinsneden. Het is alleen maar een kwestie van ontcijferen, herschikken, afpellen van onuitsprekelijke lagen. Niet dat we dat zouden willen, niet dat het enig nuttig doel zou dienen. We zijn hier niet in Tibet. [...] Doodgaan is een kunst in Tibet. Er loopt een priester binnen die gaat zitten, de huilende familieleden wegstuurt en de kamer laat verzegelen. Hij heeft serieuze zaken te doen. Gezangen, numerologie, horoscopen, recitaties. Hier gaan we niet dood, we doen boodschappen. Maar het verschil is minder uitgesproken dan je denkt."(12) Murray's vergelijking is helder en zijn inzicht treffend. Maar toch kunnen we het niet helemaal met dit personage van Delillo eens zijn. Er bevindt er zich in de siderale verschijning van de supermarkt 'iets' dat wel degelijk anders is en het 'verschil' dat Murray als een 'illusie' afdoet, toch de moeite maakt. Dit 'iets' is iets waarover we serieus over moeten zijn. En dit 'iets' bevindt zich niet in het spectrum van de rede, maar in de wereld van de fantasie.

Naar een ethiek van de fantasie
"In 1748 schrijft Immanuel Kant een artikel met als titel Wat is Verlichting?. De eerste zin luidt: "Verlichting is het uittreden van de mens uit de onmondigheid die hij aan zichzelf te wijten heeft?. Kant is optimistisch gestemd. Hij ziet voldoende aanwijzingen om te veronderstellen dat de mens gaandeweg zijn eigen verstand zal gaan gebruiken en zich niet langer zal laten leiden door bijgeloof, vooroordelen en het gezag van anderen. De verlichte tijd is volgens Kant nog niet doorbroken, maar het 'vrije denken' zal langzamerhand de verduistering doorbreken en aantonen dat de mens 'meer dan een machine is'."(13) Het is echter Zizek's opvatting dat deze ethiek van de rede eigenlijk gecorrigeerd dient te worden door een ethiek van de fantasie. Kant heeft de menselijke psyche immers niet helemaal correct begrepen, aldus Zizek.
De 'plicht' die immers in de ethiek van de rede vervat zit, heeft immers een andere, obscene kant. Sommige zaken, die tot de intieme sfeer van het individu behoren, zullen nooit uitgesproken worden. "De fantasie die als 'schijn' een zwakke plek maskeert, een inconsistentie in de symbolische orde, is altijd individueel - zijn afzonderlijkheid is absoluut, laat zich niet 'bemiddelen', kan niet deel gemaakt worden van een groter, universeel, symbolisch medium. En daarom kunnen we alleen een idee krijgen van de ander door een soort afstand te betrachten ten opzichte van onze eigen fantasie, door de ultieme contingentie van de fantasie als zodanig te ervaren, door haar te begrijpen als de manier waarop iedereen, op geheel eigen wijze, de impasse van zijn verlangen verhult. De waardigheid van een fantasie bestaat in haar 'illusionaire', fragiele, hulpeloze karakter."(14)
De correcte omschrijving van het 'onmondige individu' is niet 'een machine', maar 'een subject'. "Volgens Lacan geeft Freud ons geen beeld van de mens als slachtoffer van zijn 'irrationele' driften [...]; zonder beperkingen maakt hij zich het gebaar van de Verlichting eigen: een verwerping van de externe autoriteit van de traditie en een reductie van het subject tot een leeg, formeel punt van negatieve zelfbetrekking. Het probleem is dat dit autonome subject, door als zijn eigen zon om zichzelf heen te cirkelen, iets in zichzelf tegenkomt wat 'meer is dan zichzelf', een vreemd lichaam in zijn eigen centrum. [...] Het subject is wellicht slechts een naam voor deze cirkelbeweging, voor de afstand ten opzichte van het Ding dat 'te heet' is om dicht genaderd te kunnen worden. Juist vanwege dit Ding verzet het subject zich tegen universalisatie, kan het niet gereduceerd worden tot een plaats - zelfs niet als dit een lege plaats is - in de symbolische orde."(15)
Het gaat met andere woorden voor het project van de Verlichting, eerder over affectieve ervaring en normatieve disciplinering, dan over 'slimheid',. Een ontstellende conclusie, wetende dat we in de 21ste eeuw net van een disciplinemaatschappij naar een controlemaatschappij aan het evolueren zijn. De nieuw verworven vrijheden staan in schril contrast met de sociale onderontwikkeling als gevolg van de toenemende onthechting van de 'klassieke' maatschappelijke rolpatronen. De 'voorspelling' dat we uitkomen op een technologisch overontwikkelde cultuur met een koude entropische sociale atmosfeer dreigt met andere woorden meer dan 'reëel' te worden.

Hetzelfde, maar dan anders: het modernistische project met onszelf
Het idee van 'het leven als een kunstwerk op zich' is een typisch modernistisch project, aldus Zizek. "Is de genealogische ontmaskering van universele categorieën en waarden, het in twijfel trekken van de universaliteit van de rede, niet bij uitstek een modernistische methode?", zo vraagt hij zich af. "Is het ironische, zelfdestructieve gebaar waarmee de rede de onderdrukkings-en overheersingskracht waartegen het vecht in zichzelf herkent [...] niet het ultieme gebaar van het modernisme? Zodra de onbetwistbare autoriteit van de traditie aan het wankelen wordt gebracht, wordt het ontstaan van een spanning tussen de universele rede en de afzonderlijke inhoud die aan haar rede ontsnapt onvermijdelijk en onoplosbaar."(16) Het modernistische project heeft met andere woorden in deze zin nooit opgehouden te bestaan en gaat dan ook vrolijk door. Maar dan nu in een andere, onomkeerbare vorm en misschien heet deze wel 'levenskunst'. De Duitse filosoof Schmid, beschrijft het project als volgt: "Levenskunst is datgene wat resteert na het einde van de grote ontwerpen die de mensheid gelukkig moesten maken: de terugkeer tot het zelf, tot het afzonderlijke individu, dat opnieuw begint zichzelf vorm te geven en niet de oude illusies te koesteren."(17) Of het ding nu 'levenskunst' nu hoeft te heten, laten we in het midden, maar dat het hoogdringend is dat we een project met onszelf aangaan, mag duidelijk zijn. We dienen tegen de spiegel aangedrukt te worden. Waarom maken we van onze intimiteit geen project? In plaats van een heiligdom, dient het eigenlijk een winningsgebied te worden. De fantasieën en angsten kunnen zo braak gelegd en de illusies in overweging genomen worden.(18) Het is deze specifieke zelfkennis, hier met betrekking tot het onbewuste als "de fragmenten van een traumatische, wrede, grillige, 'onbegrijpelijke' en 'irrationele' wettekst, een reeks verboden en bevelen", die de mogelijkheid biedt om een gemeenschappelijke dieptelaag met de 'anderen' aan te boren. Het is in deze 'gemeenschappelijkheid' dat nieuwe sociale articulaties zoals gedragregels, omgangsvormen, gezagsverhoudingen, credo's, inrichting van de omgeving en kunst, een basis kunnen vinden.
Het nieuwe Ware ligt kortom in het 'tactiele leven' met de eigen fantasie. Leven mét dromen in een wereld waarin alle 'zin' tot data vergruist en de 'held' de leegheid zelve is. Want laten we vooral het volgende in gedachte houden: "Dwars door alle denkbare sociale scheidslijnen heen bestaat een wij dat een naamloos verbond omschrijft - dat zich in het geheim geketend weet door een idioot zwijgen, een onuitspreekbare weigering, een onmogelijke gewelddadigheid. Uit de asse van dit onbenoembare collectief zal ooit een ster verrijzen die de wereld verblindt. Haar voorafschaduwing vindt deze ster in elk kunstwerk dat ons tot stomheid veroordeelt."(19)

*| De underscore van het volgende verhaal luidt als volgt: "De mythe vertelt, per definitie, verhalen over de mens. De filosofie stelt vragen en de mythe vertelt de afloop. Deze taakverdeling geeft wonderlijke resultaten: we weten nooit waar het vragen begint of eindigt, de mythe heeft immers de afloop al verklapt. Zo zou men de filosofie kunnen begrijpen als een repetitie, als het telkens weer vertellen van hetzelfde verhaal, maar dan in de vragende vorm. [...] Het punt is dat we de afloop wel kennen maar dat we hem niet begrijpen.", De Vylder (Paul), 'Het argument van de minotaurus', in: De Witte Raaf, n° 97, 2002, p. 1
2| Zizek (Slavoj), Schuins beziend: Jacques Lacan geïntroduceerd vanuit de populaire cultuur, Boom, Amsterdam, 1996, p. 201
3| Parafrasering uit Vandenabeele (Maarten) , Jan Lauwers en needcompany, IT & FB, Amsterdam, 1998, binnenzijde achterflap.
4| Een boutade van Bert Taken, Flyer Studium Generale serie 3, Gerrit Rietveld Academie
5| Heijne (Bas), 'Leven in voorlopigheid', in: NRC Handelsblad, 26 april 2002, bijlage 'Boeken'.
6| ibid.
7| ibid.
8| Zizek, op.cit., p. 36
9| De Vylder (Paul), art.cit., p. 1
10| "Spreken over globalisering kan [...] enkel een oefening in sprakeloosheid zijn; een oefening in het verwoorden van de verstomming over de gang van de wereld, die geen vooruit-gang meer is maar een helse versnelling; niets anders dan het vertolken van de ontzetting over de op hol geslagen moderniteit, die overgaat in een hypermoderniteit die toch postmodern zal zijn omdat ze, na een fase van expansie en explosieve groei, als een exponentiële groeicurve in een gesloten systeem, op een implosie aftstevent; sprakeloosheid ook over het kapitalisme dat onder het toverwoord globalisering waarlijk allesomvattend en dus transcendentaal geworden is. Alles is koopwaar, menselijke gedachten, water, menselijke organen, genen, alles. Geen kritische theorie die daar nog iets kan tegenin brengen: het is een truïsme. Misschien kan de hele filosofie vandaag alleen nog maar een oefening in sprakeloosheid zijn." De Cauter (Lieven), 'De permanente catastrofe', in: De Witte ?, p. 9
11| Zizek, op.cit., p. 187
12| Delillo (Don), Witte Ruis, Anthos, Amsterdam, 1999, p. 43
13| Taken (Bert), Flyer Studium Generale ...
14| Zizek, op.cit, p. 201
15| ibid., p. 216
16| ibid., p. 183
17| Heijne, art.cit., p. 1
18| Laermans (Rudi), 'Het theater van de geest', in: Vandenabeele, Jan lauwers en needcompany, p. 7: "Misschien is het vermogen tot waarheid, in de sterke betekenis van het woord, de mens niet gegeven; misschien beogen we een ultiem object dat ons voor altijd zal ontsnappen. Mogelijkheid van een God, desnoods als Zuivere Hypothese. Mogelijkheid van een Duivel die ons in naam van de moraal gedurig tot zelfonderzoek aanspoort op grond van de illusie dat 'ik denk'. Mogelijkheid om deze mogelijkheden te overwegen en de ruimte van het denken te theatraliseren. Mogelijkheid om elke gedachte te virtualiseren en het eigen denken als niets meer dan een mogelijkheidsmachine te beschouwen. Alleen het verstrijken van de tijd die voor uitkristallisatie van een gedachte heet, kan absoluut heten. Denken is tijdverlies."
19| Ibid.,p. 12
Reageer
Voornaam
Naam
Email
Reactie