
Lang geleden hield ik ei zo na een jeugdtrauma over door naar Julie Andrews’ gekweel in The Sound of Music te luisteren, gek werd ik er van. En dan die kinderen! Ik dacht dat ik ze allemaal voor een vuurpeleton zou zetten. Musicals, dat zou nooit goedkomen, dacht ik. Maar wat blijkt nu plots? De musical is in, of zelfs hip, tot spijt van velen. Zo wandelde ik recent nog even de Theaterzaal van de Vooruit binnen en zag tot mijn grote schok een paar honderd in Tiroler-outfit gestoken enthousiastelingen volledig uit hun bol gaan tijdens de Sound of Music karaoke, allemaal samen zingen van “Eeeeedelweis!!”. En ik vond het nog grappig ook. Ik wist zelfs dat als ze hetzelfde concept zouden herhalen met bijvoorbeeld The Wizard of Oz, ik dan ongetwijfeld in ‘Laffe Leeuw’-kostuum op de eerste rij zou zitten en dan uit volle borst zingen “ding dong! The witch is dead! Which old witch? The wicked witch!”.
Verrassende conclusie: musicals kunnen dus echt wel lol betekenen. Dat werd mij enkele maanden eerder al enigszins duidelijk, op het filmfestival van Gent, met Tears of the Black Tiger. Die film was toen zowat de meest geanticipeerde van het hele festival, waarschijnlijk omdat velen een nieuwe Crouching Tiger, Hidden Dragon verwachtten. Niet geheel onterecht trouwens: Tears of the Black Tiger is eveneens een technisch en visueel verbluffende, Aziatische film. Maar veel verder kan je de vergelijking niet trekken, behalve dan dat ook Tears waarschijnlijk wel eens een verrassend publiekssucces kan worden.
Deze Thaïse prent van regisseur Wisit ‘Wie?’ Sasanatieng is een aanstekelijke cocktail van platte melodrama’s uit de jaren 50 en spaghetti-westerns van Sergio Leone (compleet met muzakversies van alombekende Morriccone-deuntjes). Het verhaal is klassiek: de melancholische Dum wordt een bandiet om de moord op zijn vader te wreken. Ondertussen moet hij ook nog eens vechten om de hand van zijn grote jeugdliefde Rumpoey, die is uitgehuwelijkt aan de gemene kapitein Kumjorn, die op zijn beurt weer jacht maakt op de bende waartoe Dum (aka De Zwarte Tijger, de beste schutter van het Oosten) behoort.
Er volgen verschillende enorm opwindende massagevechten, de klassieke geweerduels (vooral de ‘final shoot out’ is onvergetelijk), en helaas ook iets te kleffe melodramatische scènes die het tempo kelderen. Het opvallendste aan Tears of the Black Tiger is zijn unieke look. De film zou perfect kunnen doorgaan voor een een zwart-wit film uit de jaren vijftig die nadien erg onhandig werd ingekleurd, wat voor een deel ook wel klopt, de film werd in zwart-wit gefilmd en achteraf met een vette borstel ingekleurd, met een opmerkelijk resultaat: de lucht is blauwgroen, het bloed lijkt meer op braambessensap en zowat elke scène barst van de kitscherige knalroze tinten. Mij deed dit alles vanaf het begin erg denken aan Mary Poppins, een gevoel van melancholie waarbij vooral de oudere kijkers mijmerend zullen denken: “ha, waar is de tijd van die heerlijke zaterdagnamiddagfilms op den BRT ?”
Helaas komt Tears of the Black Tiger niet meteen in aanmerking voor een gezellige sing-a-long avond, die vrolijk vloekende cowboykostuums, dat lukt nog wel, maar om nu een hele zaal Thaïse pop te laten zingen zal toch wel wat meer nodig zijn. Ach, dan doen we het maar met de gewone klassiekers en zingen we om af te sluiten nog eens allemaal samen: SUPERCALIFRAGILISTICEXPIALIDOCIOUS!!






