Meest recente artikels:
Summerschool Kunstkritiek
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Review Dit is mijn vader
Meer artikels van Jan Devries:
Yankee go home!
Weer een illusie armer
Huilen met Jan met de Pet op
Het fictieve doch op ware feiten gebaseerde verhaal van ‘de eerste Vlaamse geluidsfilm’
ZOETE TRANEN, AFLEVERING 3: EÉN STAP VOORUIT, TWEE ACHTERUIT
datum 13.05.2002
auteur Jan Devries
rubriek Film + TV
In zes afleveringen vertelt een anonieme getuige hoe in het jaar 1934 de ambitieuze producent Archibald De Naaier met alle moeite van de wereld probeert de eerste Vlaamsgesproken langspeelfilm ingeblikt te krijgen, vóór zijn concurrent en aartsvijand Jan Vanderheyden dat zal doen met zijn film ‘De Witte’. Archibald wist op voorhand dat het moeilijk zou worden, maar dat het onmogelijk zou blijken te zijn, dat had hij nooit gedacht.

Dus, Archibald De Naaier heeft net een forse lening afgesloten bij de Nationale Bank. Een collega uit Holland bezorgde hem de nodige apparatuur om aan de slag te kunnen gaan. De technische ploeg wordt aan het werk gezet om te leren omgaan met al die nieuwe snufjes. Alles lijkt voorlopig op rolletjes te lopen. Uiteraard moet ook het scenario zelf nog een stevige beurt krijgen, er staan namelijk nog geen dialogen in. Archibald is van mening dat hiervoor een nieuw talent moet worden aangeworven, iemand met een neus voor spreektaal, een man van de straat en van het theater. Zijn keuze valt op niemand minder dan Paul Gazon, het jonge, aanstormende talent uit de avantgardistische theaterwereld, die met zijn laatste stuk, ‘De Kever en de Mier’, enkele lovende commentaren kreeg in de gespecialiseerde bladen. Paul is een fervent volgeling van de Franse surrealisten, wat vooral wil zeggen dat hij veel absint drinkt en voor de rest weinig uitsteekt, anders dan af en toe een schandaal schoppen. Archibald gaat Gazon af en toe opzoeken in zijn zolderkamer, om te kijken hoe ver hij al gevorderd is met de herwerking van Zoete Tranen.
De derde of vierde keer dat Archibald Gazon gaat opzoeken in zijn zolderkamer treft hij Gazon terwijl deze in een diepe opiumroes zijn kater ligt uit te slapen. Hij beweert dat hij op dat eigenste moment het verhaal aan het conceptualiseren is, tot het grijpbaar wordt en hij het op papier kan vastpinnen. Archibald betaalt hem zijn eerste voorschot en laat hem zijn gang gaan.

Op de set worden er ondertussen vorderingen gemaakt. Half mei reeds is men klaar voor de eerste testopnames. Acteurs Gandalf De Grote en Max Van Leemput worden opgetrommeld om een testscène op te nemen. De set loopt vol volk. Om die uiterst ingewikkelde geluidsapparatuur aan de gang te krijgen heeft Archibald verschillende radiomensen aangeworven, die nu druk in de weer zijn met de bedrading en het tactisch plaatsen van microfoons. Nu moet ge wel weten, die microfoons van toen, dat was gene vette. Als ze een geluid opvingen dat van verder kwam dan 3 meter, dan was het veel. Tegenwoordig hebben ze zo van die micro’s die enkel het geluid opnemen dat uit één bepaalde richting komt, zodoende dat enkel de dialogen worden opgenomen, en niet al het geroezemoes op de set, of het geroep van de regisseur. Maar de micro’s van toen, die gingen alle kanten uit. Daar komt nog eens bij dat al het geluid dat bij een scène hoort alleen rechtstreeks kon worden opgenomen, in één keer dus. Tegenwoordig nemen ze beeld en geluid apart op, maar toen was dat nog geen waar. Het eerste wat dus moest gedaan worden was de set volledig geluidsdicht maken. Vervolgens werd er een soort mini-tuinhuisje gebouwd waar de camera in moest, omdat die een enorm kabaal maakte tijdens het draaien. De cameraman moest natuurlijk ook in dat kot kruipen, wat niet zo prettig is aangezien de temperatuur in dat hutje snel oploopt tot rond de 40°. Al vlug zou men het camerakot omdopen tot de ‘frigobox’, ironisch bedoeld niewaar.

Er was nog een probleem: Archibald moest, tot treurens toe, aan regisseur Hypoliet De Kempeleer uitleggen dat hij zijn megafoon niet meer mocht gebruiken, en dat hij eigenlijk helemaal niets meer mocht zeggen tijdens de opnames. Dat ging niet van een leien dakje; Hypoliet is er ene van de oude stempel, zijn manier van regisseren is constant commando’s brullen naar zijn acteurs, vooral tijdens de opnames.
"Hoe, maar, maar...Wat? En waarom? En wat doe ik hier dan eigenlijk nog?". Het ging allemaal veel te snel voor Hypoliet. Allez, na veel vijven en zessen werd Hypoliet’s megafoon gewoon verstopt achter een muurke. Archibald liet een krat ouwe klare aanrukken voor Hypoliet alleen, zodoende dat die zich wat kalm zou houden tijdens de eerste opnames.

Een paar dagen later. Op de straat, voor de studio, staat een mannetje al het verkeer tegen te houden, een enorme verantwoordelijkheid in die dagen: één claxon die afgaat en de scène is naar de vaantjes. Binnen staan de acteurs klaar, Gandalf en Max staan op het punt hun eerste woordjes te spreken. Het geluidsmachien wordt in gang gezet, Gaston kruipt in het tuinhuisje van ne meter op ne meter en zet de camera aan, Hypoliet brult "ACTIE!".

Gandalf: "Zeg, Max, wie denkte gij dat er wereldkampioen zal worden ?"
Max: "WEL GANDALF, dat vind ik...(niet hoorbaar)...op zijn kant."
Hypoliet: "EEEEEN...KUT! VOLGENDE SCENE!"
Meteen daarna valt Gaston de cameraman zwaar hijgend uit de frigobox, schreeuwend om een emmer water. De geluidstechnici zetten hun koptelefoons af en kijken bedenkelijk naar Archibald. Een nieuw probleem duikt op. Gandalf’s regel kwam er goed door omdat hij vlakbij de lamp stond waarin de microfoon verborgen zit. Max was eerst ook goed te verstaan, maar hij begon van de lamp weg te wandelen terwijl hij sprak, hierdoor werd hij even onverstaanbaar.
Oplossing: de acteurs mogen bewegen zoveel ze willen maar van zodra ze spreken moeten ze stilstaan naast de micro. Ach, het zal wel wennen. Het ziet er allemaal wat steriel uit: bewegingloze acteurs, gefilmd door een bewegingloze, want opgesloten camera. Maar ja, je moet er iets voor over hebben om een babbelaar te maken.
Hypoliet begrijpt er nog minder van. "Dit ziet er verdorie uit als een toneelstuk! Dit is gene film meer, dit is gefilmd theater, maar dan nog saaier!"
Archibald relativeert "Ach, Hypoliet, dat zijn allemaal kinderkwaaltjes, we komen er wel uit."

De volgende dag gaat Archibald weer naar de zolderkamer van Paul Gazon. Hij is niet thuis. Er hangt een briefje op de deur: "zit in café Markant". Voor de deur ligt een stapeltje papier, ‘Zure Tranen’ staat erop. Met het scenario onder de arm trekt Archibald naar café Markant. Daar treft hij meteen Gazon, in het midden van een luidruchtige groep zonderlingen in zwarte kleren. Met veel zwier beeldt hij zijn net afgewerkt scenario uit.
"En dan zien we die burgerlijke prins zijn zwaard uitsteken naar de schone Nora. "Oh gij schone freule!", zegt die prins, "Laat mij uw binnenste roeren met mijn zwaard tot gij hemel ende sterren ziet tot aan den einder!". Paul Gazon schakelt over op falsetstem: "Oh, mijn Prins! Wanneer zullen wij trouwen voor kerk en vader en mag ik uw kind baren, zodat wij eeuwig ende altijd gelukkig samen zullen zijn, tot het einde onzer dagen?" De prins kijkt haar dreigend aan - close-up van zijn demonische, burgerlijke ogen - en dan raakt hij haar even aan met zijn zwaard, en FLITS! Ze is 9 maanden zwanger!"
Enthousiast gejuich van de toehoorders. Gazon kijkt triomfantelijk rond en gaat verder. Archibald bestelt twee pinten tegelijk.
"Volgende scène: schone, zwangere Nora zit terug in haar smerig appartementje, ze staart weemoedig uit haar raam, en dan zien we een beeld van de prins die naar de horizon rijdt op zijn paard. Close-up van Nora, een traan rolt van haar gezicht, we zien de traan op de grond vallen en die brandt een gat in de vloer, als een bijtend zuur! Ze zegt tegen zichzelf, "Ik zag de liefde komen, en weer gaan, zo zal het zijn, zo zal het blijven." Close-up, fade-out en einde!".
Gazon’s surrealistische vrienden geven hem een daverend applaus. Archibald staat dit alles verbaasd te bekijken. Zure Tranen? Wat moet hij daar nu in godsnaam mee beginnen? "Die vent is gek" denkt hij.

Twee dagen later, een week voor het officiële begin van de opnames.
Krantenmagnaat William Dolf Heurst geeft een zeer exclusief bal in zijn villa. Alle groten van de Vlaamse media- en entertainmentindustrie geven présence. Daar aan de Martinibar staat Peerke Vincke, dé roddelautoriteit van het land, en daar, op de dansvloer, de theatersterren Gerald Beuckelinckx en zijn kersverse, 18-jarige bruid Nelle, stevig aan het foxtrotten. Op zo’n gelegenheid kan het glamourkoppel Schoukens-Raeymaeckers niet ontbreken, als respectievelijk steractrice en ex-topscenarist. Anders dan gewoonlijk staan Gwendoline en Karel een beetje beduust in een hoekje. Allebei staan ze nogal sceptisch tegenover Archibald’s idee om een babbelaar te maken. Bovendien heeft Karel net vernomen dat zijn scenario onder handen is genomen door een omhooggevallen, absint zuipende surrealist. Na het tussentitels maken wordt nu ook het scenarioschrijven door zijn neus geboord. Karel wordt er ronduit pathetisch van.
"Och, my darling Gwendoline, wat moeten we toch doen? Die gek van een Archibald berooft mij van al mijn inkomsten, voor we het beseffen komt er een abrupt einde aan ons luxueuze leventje. "
"En ikke dan! Peisde gij da kik er oem sta te springen om al dienen tekst van buiten te leren en uit mijnen bek te persen? Allez, wa veur ne zever is da na?"

"Wel wel wel! Wie we daar hebben! De koningin van het witte doek, en haar gade!" Gwendoline en Karel worden onderbroken door roddelkoning Peerke Vincke, een man die zo begaan is met zijn werk dat hij simpelweg niets anders meer doet dan het verspreiden van wilde roddels, meestal zonder enige grond van waarheid. Als al zijn verhalen zouden kloppen, dan zou zowat iedereen in het land homofiel zijn.
"Wisten jullie al dat de voorzitter van de Nationale Schouwburg graag het achterdeurtje neemt? Heb ik gisteren opgevangen in de foyer, van een zeer goed ingelichte bron, met name het achterdeurtje in kwestie, een fijne jonge knaap met een gezicht als een parelhoentje en gebouwd als een Alpenhoorn...naar het schijnt."
Karel luistert nauwelijks naar andere mensen, slechts af en toe vangt hij iets op wat zijn aandacht trekt : "Parelhoen?"
"Awel ja, ge weet wel, zo’ne siervogel, ‘ne poellepetat gelijk ze bij jullie in Brabant zeggen! Maar wat ik wou zeggen, wist je dat..."


Een zucht van opwinding gaat door de balzaal. Alle koppen draaien zich naar dezelfde richting, naar de inkom. Een bekakte madam kan haar verwondering niet verbergen: "Goeie grutjes ! Daar komt Jan Vanderheyden aan!"
En zowaar zowel, daar staat Jan Vanderheyden, de ‘hete’ nieuwe naam aan het Vlaamse filmfirmament, de regisseur die nu druk in de weer is met de verfilming van De Witte van Zichem, de eerste Vlaams gesproken film, met aan zijn zijde de even getalenteerde als afzichtelijke Edith Kiel, een dame gebeiteld uit het hardste Duitse marmer en met een karakter als een windhoos.

Peerke Vincke fluit tussen zijn tanden. "Tjonge-jonge, Jan Vanderheyden! Dat gaat een hele grote worden, ik zie de koppen van mijn roddelrubriek nu al voor mij!"
"Ook een homoseksueel?", vraagt Gwendoline, ongeïnteresseerd.
"Niet dat ik weet. Nee, ik dacht meer aan: ‘Vanderheyden, redder van vaderlandsche film ligt thuis onder Nazi-sloef’, hoe klinkt dat? ".
Gwendoline en Karel staren hem onbegrijpend aan.
"Wisten jullie dat nog niet? Diene Vanderheyden, die draait zijn eigen film geeneens zelf! Zijn vrouw doet dat begot, die zure Duitse tang!"
Het zal Gwendoline en Karel worst wezen, maar ze laten de roddelaar doorratelen.
"Waarom denkt ge misschien dat ze de film in Duitsland oppakken? Toch niet omdat het daar beter weer is zekers? Neenee, Edith Kiel, zijn vrouw, is een fervente Nazzi, ze loopt helemaal zot voor dienen Hilter ginder. En ... tussen ons gezegd en gezwegen..., wie denkt ge dat diene film betaalt hé?"
Gwendoline merkt dat er een vraag gesteld wordt en probeert te antwoorden, terwijl ze verveeld van haar champagne drinkt en aan een toastje knabbelt. "Pfff...de Duitsers?"
"Ah ja natuurlijk! De Nazzi’s! En waarom denkt ge? Karel?"
"Nee, Peerke, ik weet het niet." Karel haat mensen die constant vragen stellen waarvan ze zelf het antwoord weten, gewoon om slimmer over te komen.
"Awel, simpel, omdat de Nazzi’s het op ons landje gemunt hebben, daarom! Met een Nederlands gesproken film over De Witte willen ze zo het nationalisme onder de Vlamingen terug opkrikken, ze bewust maken van de Groot Dietsche gedachte, België en Holland bij Duitsland en het grote rijk! Ha ja natuurlijk!"
Gwendoline heeft er genoeg van. "Amai Peerke zeg, zo’ne zever! Heel dat Nazigedoe, da’s allemaal maar prut in pakskes, nen hoop lucht, binnen een paar jaar is da gedaan en vergeten, net zoals de babbelaar, of de zeppelin. Zegt da Gwendoline Schoukens het gezegd heeft!"
"Denkt ge? Ik denk toch van niet. Neem nu den babbelaar, in den Amérique zijn ze daar dus stekezot van hé! Ne film zonder sprekende mensen, daar ga geen kat niemeer naar zien."
"Dat is hier Amerika niet, de mensen hier die willen ‘expressie’ en ‘gevoel’"; ze beeld haar stelling uit met haar gepatenteerde armbewegingen en gefronste wenkbrauwen. "En, nu we ‘t er toch over hebben, wete gij wie dat er ook ene van den andere kant is? Een prestigieuze producent die tegelijk met Vanderheyden de eerste Vlaamse babbelaar wil maken... "
Peerke begint spontaan te kwijlen. Karel moet zich omdraaien om niet in de lach te schieten, hij kent zijn vrouw beter dan wie ook, en dan vooral haar hele gemene kantjes, waar hij jaren geleden als een blok voor is gevallen. Als iets of iemand Gwendoline niet bevalt dan zal ze er alles aan doen om de situatie in haar voordeel te doen keren, of dat nu andermans bloed, zweet of liters tranen moet kosten of niet. Ze fluistert een vette roddel in Peerke’s oor.
"‘Archibald De Naaier Naait van Achter’, zet da maar in uw boekske, maar zeg nie da kik het gezegd hem."


Anonieme getuigenis opgetekend door
Reageer
Voornaam
Naam
Email
Reactie