Twee dagen lang, op vrijdag 10 en zaterdag 11 mei kunnen de geïnteresseerden zelf eens gaan polsen of de Belgische film nog een toekomst heeft. Want ja, kortfilms zijn nog steeds de uitgelezen manier voor jong filmgrut om de handen eens echt vuil te maken en zelf iets in elkaar te knutselen. Men lere pas echt iets door het te maken niewaar?
Of dat resultaat ook nog door iemand gezien wordt hangt grotendeels af van initiatieven als deze. Voor studenten aan onze filmscholen is dat in principe allemaal niet zo’n probleem, de Academies en Sint-Lucassen ter lande zorgen er zelf voor dat de taakjes van hun leerlingen showcase-gewijs her en der vertoond worden. Er duiken echter steeds meer onafhankelijk geproduceerde werkjes op, die binnen dat officiële circuit moeilijk voet aan grond krijgen. Door de technologische evoluties van het laatste decennium is de drempel om zelf films te maken immers gevoelig verlaagd en kan er naar hartelust geëxperimenteerd worden, zonder opgelegde doctrines of normen. Vandaar dat ook vaker multimediale kruisbestuivingen optreden met andere kunstdomeinen, als muziek, theater en dans.
Die evoluties zijn de organisatoren van Courtisane niet ontgaan. Ze maken er geen geheim van dat hun programma puur instinctief en eigenzinnig samengesteld werd, maar hun visie projecteert de filmwereld zoals die er vandaag op zijn best uitziet : zoekend, avontuurlijk, eigenwijs.
Het festivalprogramma werd grofweg opgedeeld in drie categorieën: ‘fictie’, ‘experimenteel’ en ‘docu’, alhoewel veel films eigenlijk die afgebakende grenzen ontstijgen. De selectie ‘fictie’ films valt op door zijn veelzijdigheid : er zijn natuurlijk enkele gevestigde namen als Felix Van Groeningen en Lut Vandekeybus (met het mooie, veelbekroonde de Chinese Hond), maar nog meer obscuur werk, dat vaak over een zeldzame naturel beschikt. Aphna (van de jonge filmstudent Jean Counet) bijvoorbeeld toont een aangrijpende ontboezeming over de groeipijnen van een tiener, pijnijk herkenbaar. Ook het werk van de in Noorwegen verblijvende Nicolas Provost (Need Any Help, Madonna with Child en Pommes d’Amour) heeft een aangename frisheid en getuigt van een grote verbeeldingskracht en intelligentie. Le Guide van Dimitri Karakatsanis werd op de laatste editie van Leuven kort terecht bekroond, al was het maar voor zijn indringende, Lynchiaanse sfeer.
Verder is ook de post-Tarentino generatie present : zwarte, vaak absurde humor, uitbundig geweld en massa’s special effects in stijloefeningen als Dialing The Devil (Toon Aerts), Oh My God ?!(Christophe van Rompaey) of The Thread (Lieven van Baele), vakkundig gemaakt maar misschien vlug vergeten, vrezen we. Het verschil kon onmogelijk groter zijn met de Waalse vertegenwoordigers, die zonder twijfel de opvolging van de gebroertjes Dardenne of Benoit Marriage verzekeren. Zowel de films van Bouli Lanners (Muno en Travellinckx) en Olivier Masset-Depasse (Chambre Froide) spiegelen ons een soortgelijk, pakkend beeld van Wallonië: sociaal-realisme met subtiele dosissen (zelf)spot en tragiek.
De versmelting van film en theater/dans is ook opvallend aanwezig, onder andere in Inasmuch van Wim Vandekeybus en Plaisent aux dieux ces tactiturnes qui serrent la vie entre leurs dents, een van de drie films die geselecteerd werden uit het aanbod van het Brusselse ‘Atelier des Jeunes Cinéastes’ . In de randprogrammatie, die vooral bestaat uit documentaires kun je trouwens ook de nieuwe film van Antonin de Bemels bekijken, Peau Pierre, waarvoor hij samenwerkte met choregraaf Bud Blumenthal en elektronisch muzikant Syncopated Elevators Legacy. De Bemels is een van de creatieve krachten die in zijn zoektocht naar een nieuwe beeldtaal graag verrassende collaboraties aangaat, wat soms tot boeiende resultaten leidt.
Nog veel meer avonturiers vind je in de experimentele sectie. Ook dit siert het festival : terwijl de zogenaamde ‘experimentele’ cinema vaak stiefmoederlijk behandeld wordt of gewoon verwaarloosd, krijgt het hier een evenwaardige plaats, en dat in een land waar verder geen enkel professioneel festival voor dergelijke films plaatsvindt. De eerste confrontatie met dit soort cinema verloopt meestal niet zonder botsingen : hier is immers niet de verhaallijn primair, maar de beeldtaal en de inherente sfeer. De conventies van cinemamaken en –kijken worden in vraag gesteld, ingehaald of herwerkt tot rauwe brokken emotie. Hun betekenis en de associaties worden grotendeels overgelaten aan de verbeelding van de kijker wat , tsja, wat wilskracht en concentratie vergt. Maar wie ervoor openstaat, stoot op een wereld van verbazing, ontroering, overweldiging - leer kijken.
Het grootste deel van de selectie wordt gevormd door Belgische films, poëtische bespiegelingen zoals P.D.O.A van Guillaume Graux of File van Kurt D’Haeseleer, of grafisch uitgewerkte en digitaal gegenereerde beeldstromen, zoals het werk van Julie Morel (Having) of Cathy Coëz (The World is Too big For Me). Vaak gebruiken deze filmmakers muziek als catalysator voor hun beelden of zoeken muzikale equivalenten in avant-garde of elektronica, onder meer Anouk De Clercq die zich liet inspireren door werk van Stockhausen (Motion For Stockhausen) en Ryoji Ikeda (Sonar). Opvallende aanwezige is Walter Verdin
, een legendarisch figuur die beschouwd wordt als een van de Belgische grondleggers van video-art. Hij begon zijn carrière in de wereld van de popmuziek, als ontwerper van platenhoezen en componist (o.a. van het eurosongfestival-vehikel ‘rendez-vous’ van Pas de Deux, weet u nog ?), maar legde zich al vlug toe op videowerk en installaties. Hij werd vooral bekend met zijn werk voor dans- en theatervoorstellingen voor o.a. Anne Teresa de Keersmaecker, Wim Vandekeybus en Steve Paxton, maar zijn eerste probeersels, Ja-Rhytm (1983) en Oops (1985), die beide op Courtisane vertoond worden, waren naar het schijnt visionair. Niet te missen, dus.
Daarnaast zijn ook experimentele films te zien van het jonge Canadese collectief Perte-de-Signal en een staalkaart van de uitgebreide catalogus van de Nederlandse distributeur Montevideo
. Let hierbij vooral op het werk van het Nederlands/Oostenrijks duo reMI en de Utrechtse kunstenaar Bas van Koolwijk, die elk op hun eigen manier composities maken van digitaal gecreëerde en verstoorde beelden. Visuele electro-shocks die hun oorsprong vinden in het anarchistisch gebruik van de computer - een idee dat ook vaker in de muziekwereld opduikt: gebruik alles waarvoor het niet dient.
Uiteraard kan een festival niet zonder een winnaar, het leven is één grote concurrentieslag, en dus zal een vijf- en hopelijk ook bijzonder koppige jury pogen vijf kortfilms naar voren te schuiven. Hen staat niet enkel een feestelijke fruitmand en een fijne buidel centen te wachten, maar ook de belofte dat hun werkjes verder verspreid geraken dan de gemiddelde kortfilm, door distributie te garanderen binnen het zogenaamde "reguliere arthouse bioscoopcircuit", de Betere Biscoop met andere woorden.
Ten slotte, een laatste geruststelling voor mensen die altijd dorst hebben, en dat zijn er veel : ja, er zal een bar zijn, vanwaar je eveneens, en in openlucht, enkele concerten kan meepikken, onder meer van de geweldig te pruimen Secret Fez Society. Als uitsmijter worden er ook videoclips en exclusieve low-budget films van de Finse muzikant/freak Jimi Tenor vertoond. Een ideale manier om alvast te wennen aan het stilaan aanstormende festivalseizoen. Meer heeft een mens niet nodig om overtuigd te worden, dachten we zo.
Alle info: www.courtisane.be
m.m.v. Jan devries






