VIBRACATHEDRAL ORCHESTRA, Dabbling With Gravity and Who You Are
(Vhf)
Seks en rite. Bukake is een Oosterse groepsseksuele praktijk waarbij jonge meisjes het sperma dat ze in hun mond verzamelden tijdens verschillende pijpbeurten zorgvuldig in een fles of een glas uitspuwen. Eénmaal ze voldoende van het ejaculatievocht in een flacon hebben, drinken ze het goedje uit of smeren ze zich op ritualistische wijze in met de melkwitte substantie. De Britse hedendaagse componist Simon-Wickham Smith leende de term voor zijn nieuwe album Extreme Bukake. Wickham-Smith belandde op jonge leeftijd bij de Hare Krishna-sekte om zich daarna twee jaar als monnik terug te trekken in een Boeddhistisch klooster. Momenteel leeft hij op een verlaten eiland ergens voor de Schotse kust. Naast een bijna ongrijpbare discografie springen vooral zijn talloze samenwerkingen met de experimentele gitarist Richard Youngs in het oog. In ’99 bracht Wickham-Smith op het Amerikaanse Vhf de geprezen solorelease Butterfly Dust uit. Het krachtige Extreme Bukake gooit het over een veel extremere boeg. Het programmatische ‘The Self-Immolation of Thich Quang Duc’ becommentarieert de zelfverbranding van deze Vietnamese monnik in ’65. Thich Quang Duc stak zichzelf in brand uit protest tegen de gang van zaken in de Vietnamese regering. De schokkende foto’s van zijn politieke zelfmoord gingen toen de wereld rond. De muziek probeert het krankzinnige van de situatie te vatten. Je hoort het wild kloppende hart van Thich Quang Duc als brandende menselijke toorts te midden van krijsende autobanden en een schreeuwende menigte. Op ‘Sri Guru Vandana’ krijst Wickham-Smith met vervormde stem een lied uit de Hare Krishna-traditie. Dan blaast hij de mantra op een spectaculaire wijze op in duizenden geluidsfragmenten. De katholieke mariahymne ‘Ave Regina Celorum’ valt uiteen in twee delen. In het eerste deel blijft het religieus geneuzel nog relatief herkenbaar. In het tweede deel worden de stemmen gaandeweg verontmenselijkt in een soort meditatieve en blasfemische reflectie op het fenomeen religie. 
Een groter contrast met Vibracathedral Orchestra op hetzelfde Vhf is bijna onmogelijk. Het nieuwe album van het losvaste collectief rond Neil Campbell heet Dabbling With Gravity And Who You Are. De schijf is zonder opsmuk vastgelegd tijdens geïmproviseerde jamsessies in de keuken van Campbell. Vibracathedral Orchestra sleept een indrukwekkende cataloog van officiële en onofficiële releases achter zich aan. Dabbling With Gravity is pas het derde album van het vijftal dat op een relatief grote schaal verspreid wordt. Frontman Neil Campbell maakt ook deel uit van Sunroof! Het klankenpalet van Vibracathedral is echter ruimer, opener en vooral veel rijker ingekleurd dan dat van zijn maatje Matthew Bower. Door het gebruik van Oosterse motiefjes, tablaritmes, gitaren die als sitars bespeeld worden, orgels en schrille fluiten krijgt de muziek een sterke meditatieve kwaliteit. Vibracathedral Orchestra produceert een onveranderlijk en statisch geluid dat niet wenst in te grijpen in de wereld en niet de ambitie heeft om iets te veranderen. De nummers kennen kop noch staart. Met de nodige geestesverruimende middelen gaan de jamsessies zonder begin en einde gewoon eeuwig door. Een teken van iemand van de groep en daar gaan ze weer. Af en toe hoor je op het album letterlijk hoe de opnameappatuur met een luide klik in- of uitgeschakeld wordt. Hier kun je titels voor verzinnen maar afgezien van lichte variaties in instrumentatie, klank en toonaard klinken de nummers allemaal hetzelfde. The Theatre of Eternal Music van La Monte Young is een grote inspiratiebron en duikt op als referentie in nummers als ‘Mystical Coughing’ of ‘Hypnotism In Yr Hips’. Eénmaal verlaat het gezelschap de mystieke paden. Op ‘Mutual Amnesia Sugar’ verrijst de Pink Floyd uit de beginjaren. Het bluesy ‘The Body Is The Arrow, The Arms Form The Bow’ dabbelt voor een keer niet in het ijle maar bezit de muzikale spankracht die we missen op de rest van het album.
WIPEOUT, Anthems for the Underachievers (Angelika Köhlermann/Dense)
Lichaamskunstenaar en tatoeagefreak Didi Bruckmayr zorgt in zijn ééntje en in zijn blootje voor de muzikale en artistieke emancipatie van de saaie Oostenrijkse staalstad Linz. Als frontman van de radikale avantgardebende Fuckhead maakt hij al geruime tijd de Europese podia onveilig. In zijn andere reïncarnatie Wipeout gooit hij alles op zijn kop en reviseert hij met de in belachelijke matrozenpakjes gestoken Dieter Kern (Fuckhead, Pest), Wolfgang ‘Fadi’ Dorninger (Monochrome Blue, Joseph K. Noyce) en producer Alexander Jöchtl de eurodiscosound van de jaren zeventig en tachtig. Wipeout pikt en steelt bovendien als de raven. Achtereenvolgens hoorden we in de 11 nummers van Anthems for the Underachievers Amanda Lear, Front 242 (‘400 Frames’), Bronski Beat (‘Euroboy’) en Pet Shop Boys voorbijfietsen. Bruckmayr’s karakteristieke grommende stemgeluid komt daarbij soms gevaarlijk dicht in de buurt van de camp & kitsch-nonsens van een suffe eighties electropopband als Right Said Fred. Als het gaat om het citeren van invloeden dan is Anthems for the Underachievers best te pruimen. Maar wanneer Bruckmayr croont, valt het album glorierijk door de mand als een te licht uitgevallen popalbum met ronduit simplistische teksten. Enkel de energieke deathmetal-parodie ‘Thrift’ en het duistere ‘Strange Kind of Silence’ redden even de eer. Op ‘Soul on Kerosine’ en ‘Downhill Backwards’ spuwt, brult, rochelt, gorgelt en spat underachiever Bruckmayer zijn ziel uit als vanouds. Een schim van de rauwe brok energie die Fuckhead is. De cd bevat een videogedeelte waarop we Bruckmayr en zijn bende ook live kunnen bezig zien.BRUIRE, Chants Rupestres
JEAN DEROME, Canot-camping
LES POULES, Les Contes de l’Amère Loi
(Ambiances Magnétiques)
Chants Rupestres, de titel van het 97ste album van het Canadese Ambiances Magnétiques, verwijst naar de eeuwenoude ‘rotstekeningen’ die men in prehistorische grotten aantreft. Met wat fantasie kun je stellen dat hier sprake is van ‘rotsliederen’. Het Canadese kwartet Bruire voert ons met het gelijknamige album terug naar de oertijd. Chants Rupestres probeert de brute en onopgesmukte sound van onze voorouders van 100.000 jaar geleden te reconstrueren. Het losvaste collectief rond drummer Michel F. Côté, dat reeds vijf albums op zijn naam heeft, telt dit keer saxofonist Jean Derome, draaitafelkunstenaar Martin Tétreault en bassist Norman Guilbeault in zijn rangen. In de vijftien los uit de pols gespeelde improvisaties schetsen de uit de pas lopende drums van Côté, de onverdroten draaitafelinterventies van Tétreault en de schreeuwerige sax van Derome een primitieve, muzikale wereld. Het is echter vooral Guilbeault die het soms richtingloze en geïmproviseerde lawaai, dat het viertal een uur lang produceert, stuurt en bijeenhoudt. Guilbeault slaagt er als geen ander in om emoties uit de snaren van zijn staande bas op te diepen. Zijn interventies geven de titelloze nummers van Chants Rupestres een onverwacht melancholisch randje. 
De alomaanwezige Jean Derome mocht tekenen voor het honderdste album van Ambiances Magnétiques. Op Canot-camping dirigeert hij een allegaartje van tien medemuzikanten, waaronder opnieuw Guilbeault en Tétreault, voor een muzikaal en auditief reisverslag van een kanoexpeditie in Canada’s vrije en wilde natuur. Leuk, zo’n campingexpeditie met de kano op de rug. Maar dan liever in het echt! Op ‘Les Tourbillons du Retour’ en ‘Tourbillons-phases’ hoor je de muzikanten letterlijk kopje onder gaan in de stroomversnellingen van een of andere rivier diep in het Canadese woud. Canot-camping houdt het midden tussen vrije jazzimprovisaties en complete, muzikale chaos.
In ’86 brachten de Canadese ‘kippetjes’ Diane Labrosse, Joan Hétu en Danielle Palardy Roger het conceptalbum Les Contes de l’Amère Loi uit. Het was pas het zesde album dat op het toen nog vrijwel onbekende Ambiances Magnétiques verscheen maar Labrosse, Hétu en Roger zouden later naam maken door solo en in wisselende bezettingen op te duiken op tientallen albums van het toen nog kersverse label. De heruitgave van de gelijknamige cd van Les Poules is een curieus artefact dat alleen nog bestaansrecht heeft omwille van de grappige teksten, de totaal foute productie en de nagenoeg vergeten sound van gedateerde synthesizers en primitieve drummachines.FOLIE, Misspass, (Mitek/Dense)
‘Misspass’ is een Zweedse vakterm voor ‘dingen niet goed samenpassen’. Het woord wordt vooral aangewend in de krantenwereld om aan te duiden dat kleuren niet bij elkaar horen door een slecht afgelopen printproces. Misspass is ook de naam van het debuutalbum van het Zweedse technowonder Folie aka Stefan Thor. Met Misspass treedt hij in de voetsporen van zijn bekendere collega’s Håkan Lidbo, Mikael Stavostränd en Andreas Tilliander uit de Zuid-Zweedse muzikale broeihaard Hässleholm. Thor, die een voorgeschiedenis heeft in de Zweedse industrial metal band Morticians, begon in navolging van zijn vriend Tilliander te experimenteren met zachtere, elektronische sounds. Het was die laatste die hem hielp met de mastering van het album en die hem in contact bracht met Mikael Stavostränd’s Mitek label. Stavostränd was zo onder de indruk van de demo dat hij prompt aanbood om Misspass uit te brengen. Geen slechte keuze want Misspass is een zeer evenwichtig album dat uitstekend past in de minimalistische trend die momenteel door Skandinavië waait. Thor gebruikt originele, niet-elektronische sounds die hij in en om zijn woonplaats opneemt. Onherkenbaar gemaakte geluiden, die op het eerste zicht niet samenhoren, worden op het album in een intrigerende mix geplaatst. Misspass is een album waarbij je van de ene in de andere aangename verrassing valt. Vooral de door een zware bassound ondersteunde technodub van ‘Time’ en ‘Brovah’ maar ook het krakende en tikkende ‘Stiltje’ en de intelligente clicktechno van ‘Boulevard’ met zijn vervormde stemmetjes of ‘Cikada’ konden ons zeer bekoren. De Zweedse clicktechnoscene heeft er met Folie een uitstekende leerling bij. Thor brengt binnenkort met Tilliander en 2 andere producers het muzikale experiment ‘Minimalistic Sweden’ uit op Mitek. Alvast een gebeurtenis om naar uit te kijken.
MASSACCESI, I never fall together because I never fall apart
WOBBLY, Live 99>00
EIGHT FROZEN MODULES, Random activities and broken sunsets
(Phthalo)
Een nieuw logo maar niet echt een nieuw geluid. Het Amerikaanse undergroundlabel Phthalo boert gewoon verder op zijn welbekende, originele manier met een sprankelend setje gloednieuwe albums van obscure Amerikaanse artiesten. Temidden van het slaapverwekkend aanbod dat ons uit de United States of Boredom toewaait, slaagt labelbaas Dimitri Fergadis er nog steeds in om schijnbaar moeiteloos interessante artiesten te vinden die elders niet aan de bak komen. Massaccesi is de nieuwste aanwinst van het label. De 23-jarige John Fanning, die onder deze naam schuil gaat, begon een achttal jaren geleden als dj en publiceerde gedurende vier à vijf jaar zijn eigen fanzine ‘The Skreem’. In ’97 en ’98 toerde hij even door Europa en Japan. De multigetalenteerde Fanning lanceerde eveneens een eigen kledinglijn onder de naam Massaccesi Cut:Paste. Na een tweetal modeshows gaf hij er echter de brui aan. Hij richtte zich volledig op het produceren van muziek. Na een paar tracks op het Duitse Lux Nigra en op enkele obscure compilaties is hier op Phthalo zijn eerste volwaardige cd. I never fall together because i never fall apart is een citaat dat gepikt werd van Andy Warhol. Pikken doet Fanning trouwens als de raven. Op de 11 tracks van I never fall… gebruikt en hergebruikt hij geluidsmateriaal in een hyperactieve en razendsnelle mix van cutups en samples. I never fall… dendert voorbij als een vuilniswagen met de laadbak wijdopen. 
Ook plunderphonics artiest Jon Leidecker aka Wobbly steelt als geen ander. Hij is al ruim tien jaar bezig met het reorganiseren van geluid. Niettegenstaande een uitgebreide palmares moest je tot nu toe echt zoeken naar releases van Wobbly. Leidecker is immers vooral een liveartiest die samenwerkte met Illegal Art, People Like Us, Thomas Dimuzio en met leden van Negativland. Op Live 99>00 horen we de man eindelijk eens uitgebreid aan het werk. Live 99>00 is een compilatie van drie performances uit ’99 en 2000. Een greep uit de honderden samples die Leidecker door de mangel haalt? Naar wij konden uitmaken, mixt hij achtereenvolgens The Platters, Leos Janacek, Yoko Ono, Johnny Cash, John Coltrane, Melanie B, Stevie Wonder, Prince, Autechre, DAT Politics, Matmos en tientallen anderen door zijn decks. Op het derde deel van de cd, opgenomen in de Peacock Lounge op 10/08/00, krijgt de Spaanse nachtegaal Julio Iglesias, een vrij respectloze behandeling.

Het obscure Eight Frozen Modules is het project van ene Ken Gibson. Gibson genoot voordien reeds enige faam als voorman van de rockband Furry Things. In ’96 begon hij muziek te componeren met computers. Zijn nevenproject 8FM werd vrijwel onmiddellijk opgepikt door labels als Trance Syndicate, City Slang, Orthlorng Musork, Planet Mu en natuurlijk Phthalo. De 11 springerige en erg dansbare tracks van Random Activities and Broken Sunset lonken naar de onironische house van het begin van de jaren negentig. Random Activities… is een goed gemaakt album met een diep en breed klankveld maar in vergelijking met de subversieve praktijken van Massaccesi en Wobbly valt dit wel wat licht uit.
O.LAMM, Snow Party, (Active Suspension/Bang!)
De Oostenrijker Christian Fennesz verraste vorig jaar vriend en vijand met het onnavolgbare Endless Summer. Het album hield het midden tussen laptopexperiment en popgevoeligheid. Fennesz werd opgepikt door mainstream muziekmagazines en opgehemeld door de alternatieve muziekblaadjes. Het album belandde in het eindejaarslijstje van menig muziekrecensent. Fennesz schiep een trend en werd gedurende maanden te pas en te onpas geciteerd en als voorbeeld uitgeroepen voor een generatie elektronica-artiesten. De illustere en minder illustere opvolgers staan al te trappelen van ongeduld. Eén van die bastaardzoontjes is de Franse elektronica-artiest Olivier Lamm. Lamm heeft een voorgeschiedenis als lid van het Franse collectief Evènement, dat halfweg de jaren negentig al in de weer was met noise en volop experimenteerde met geluidskunst. Na samenwerkingen met verschillende artiesten en bands, waarvan de bekendste My Jazzy Child, Alejandra & Aeron en Encre, sloot Lamm zich aan bij het Franse undergroundlabel Active Suspension. Snow Party is zijn eerste officiële cd en hier treedt hij – o wonder! – in de voetsporen van Oval, Fennesz en Pita. Snow Party is een poging om tegendraadse, digitale noise te doen botsen met simpele ritmes en melodieën. Digitaal materiaal, veldopnames, fragmenten van akoestische instrumenten, pianostukken worden met behulp van digitale technologie – zeg maar laptop! - vervormd en onherkenbaar gemaakt. Niks nieuws onder de zon dus ware het niet dat Lamm weinig discreet is over zijn geluidsbronnen. Achtereenvolgens hoorden we zowel stukjes Flaming Lips, Beach Boys (alweer!) als Matmos en Nobukazu Takemura de revue passeren. De beste nummers op Snow Party zijn die waarop Lamm een eigen smoel toont en zijn voorbeelden even vergeet. Zo konden we wel volop genieten van het knetterende ‘Faye at the Desk’, de anarchistische laptopchaos van ‘Mason & Dixon’, de titeltrack ‘Snow Party’ en vooral van ‘Guitar Innovator’ - Fennesz? - waarop het beruchte Franse digitale duo Discom Lamm even te hulp schiet om de track volledig naar de digitale verdommenis te helpen.PHILIP JECK, Stoke
BIOSPHERE, Shenzhou
(Touch/Konkurrent)
Op het laatste nummer van Stoke, het nieuwe album van de Britse draaitafelmanipulator Philip Jeck, bromt een donkere mannenstem een duidelijk verstaanbaar ‘halfway home’ terwijl naalden tegen gebroken vinyl kletteren en ritmes tegen elkaar opbotsen. Op ‘Pax’ murmelt een vertraagde grafstem een onherkenbare zin uit de groeven van een vergeten plaat. Jeck houdt ons een wereld voor van groezelige achterkamertjes waar door stoffige gordijnen af en toe geluiden doordringen van een buitenwereld van afgedankte platendraaiers die om de haverklap halve zinnen en melodieën uitbraken. De zeven nummers van Stoke zijn de neerslag van performances in Liverpool, Manchester, Osaka, Tokyo en Wenen. Een verzameling van oude platendraaiers en een uitgebreide collectie van afgedankte vinylplakjes zijn de enige werkmiddelen van Jeck. Enkele jaren geleden maakte hij een galerieinstallatie van 180 Dansette-platendraaiers die allemaal tegelijk plaatjes afspeelden. Vreemd genoeg leidt dat nooit tot onbeluisterbare pokkeherrie. Stoke is een consistent en boeiend Jeck-album. Een alchemie van intrigerende, gevoelige soundcapes en gelaagde tracks waar schimmige, vertraagde stemmen en sluimerende, afgedankte melodieën in opduiken en in ondergaan. Op ‘Below’, ‘Open’ en ‘Close’ trekt Jeck werkelijk alle registers open voor een rondje schaduwboksen met vinyl en draaitafels. De bescheiden Jeck wordt terecht aanzien als de pionier van een stilaan indrukwekkend legertje experimentele draaitafeldeejays (waaronder Tétreault, Marclay, Schaefer). 
Labelmaat Geir Jenssen aka Biosphere maakte vorig jaar indruk met het dubbelalbum Substrata 2. Dat album was een geremasterde versie van het enkele jaren tevoren op All Saints Records uitgebrachte magistrale maar erg ondergewaarde Substrata album. Als toetje bevatte het album naast dat oude werk ook wel wat nieuws van de hand van de Noor. De tweede bonus-cd bevatte enkele onuitgegeven nummers van de Substrata-sessies en een soundtrack van een stomme film uit 1929 van de Russische Dziga Vertov. Man With A Movie Camera putte uit het bekende Biosphere-idioom van broze sfeertjes en slaapkamerambient. Toch hoorden we hier en daar wat techno en elektronica-invloeden in het album. Op Shenzhou heeft opnieuw een verstilling plaatsgevonden. De technoinvloeden zijn weer volledig uitgevlakt. Dit is ambient voor uw late, late nachten. Jenssen baseerde zich bijna uitsluitend op de werken van de 19de eeuwse klassieke componist Claude Debussy. De pionier van de ‘behangpapiermuziek’ beïnvloedde generaties en generaties van muzakanten (sic!). Shenzhou voegt overigens weinig toe aan het oeuvre van Biopshere. Korte stukjes uit het muziekrepertoire van Debussy worden gesampled en eindeloos en tot vervelens herhaald. Het geluidsniveau van het album ligt zo laag dat je het album alleen tijdens de allerstilste uren van de dag of de nacht kunt luisteren. Alleen tijdens ‘Ancient Campfire’ richtten wij nog even het moede hoofd op. Daar kwam op een lome beat even de oude Biosphere voorbijdrijven op een bed van clicktechnoinvloeden.






