"New Music: New listening. Not an attempt to understand something that is being said, for, if something were being said, the sound would be given the shape of the words. Just an attention to the activity of sounds."
John Cage, experimental music, 1957.
Het Gentse platenlabel (K-raa-K)3 heeft recent zijn importdistributie afgebouwd, een moeilijke beslissing die voor vele liefhebbers van experimentele muziek als een bittere pil zal smaken. Doch niet geklaagd: als compensatie pakken ze uit met een onvervalst offensief van eigen releases. Binnenkort kunnen we ons verwachten aan nieuw werk van Main, Toss en Benjamin Franklin en net kwamen hele mooi platen uit van Dag-Are Haugan (1/2 van het Noorse Alog) en vooral van onze eigenste Köhn. Deze laatste heeft inmiddels een uitstekende reputatie verworven binnen het Europese circuit van elektronische muziek. Niet verwonderlijk, want zijn werk getuigt van een zeldzame, eigenzinnige zucht naar avontuur. Als muzikant beschikt hij over een gezonde ontvankelijkheid en nieuwsgierigheid naar de meest uiteenlopende muziekvormen, wat zijn uitstoot vindt in verscheidene projecten: onder zijn eigen naam, Jurgen de Blonde, bracht hij vorig jaar nog een mooie plaat uit op het Duitse Tomlab, die het midden hield tussen songwriting en elektronica en hij maakt ook deel uit van de Portables, die spelenderwijs de conventies van indiepop een nieuw kleurtje geven. Het Köhn project kan beschouw worden als een destillaat van al die verschillende invloeden: hij vermengt flarden pop, klassiek, elektronica en noise tot een eigen, onnabootsbaar geluid, die nu alvast een nieuw orgelpunt bereikt heeft op zijn derde plaat, Koen.
Het werkstuk is, met zijn duur van meer dan twee uur (!!) beslist een taaie brok, die op het eerste gehoor behoorlijk hermetisch klinkt maar zich na enkele luisterbeurten reveleert als een ware sensatie. Opvallend is dat zijn muziek nog altijd dezelfde frisheid uitstraalt die zijn vorige platen -vooral 1- zo uniek maakten, alsof Koen slechts een tussenbalans is van een lang en grenzeloos avontuur, zowel voor hemzelf als voor de luisteraar. Köhn graaft diep in het klankspectrum en laagt de gevonden geluiden tot de meest uiteenlopende constructies: In ‘Twal Siree’ laat hij à la Fennesz akoestische gitaar- en keyboardakkoorden opborrelen, ‘Wabbit Regghae’ (ja, de titels zijn hilarisch!) laat zich, met zijn verknipte beats en baslijn beluisteren als een gemuteerde vorm van R&B, ‘Sankt-Almost’ wordt gedreven door een ongemeen ruige groove, uiteengereten door distortion en zware beats. Ondanks die variatie klinkt dit alles helemaal niet louter als een verzameling tracks, maar daarentegen als een heel homogeen en zinnenprikkelend opus.
Als een virtuoze klankschilder mengt Köhn kleurtjes dooreen, pasteltinten zoals in het melancholische ‘Fährt’ of het sobere gitaarminiatuurtje ‘plöhs ‘, donker en grauw in ‘Hahver’. De muziek is al even ongrijpbaar als onvoorspelbaar, alle aanwijzingen of referenties schieten gewoon tekort. Zelfs de meest poppy momenten, zoals het vocale, ijle ‘Öhrosong’ of de pret-elektro van ‘marse’ zitten volgestouwd met verrassende wendingen en spitsvondigheden, waarmee we wel een tijdje zoet zijn. Sommige stukken laten een grote invloed vermoeden van klassieke muziek: ‘langoorn’ doet wat denken aan de vroege composities van Terry Riley: een lange drone die drijft op contrasterende patronen en wisselende timbres, een hypnotisch geheel van akoestische en elektronische klanken die naar het einde toe het gezelschap krijgt van een To Roccoco Rot-achtige groove. Het afsluitende ‘Mendelsöhn’ is dan weer gebaseerd op een gemanipuleerde sample van de gelijknamige componist. Tien minuten lang wordt er gegoocheld met texturen, sfeer en dynamiek en wordt er opgebouwd naar een emotioneel overweldigde climax. Verbluffend.
De muziek van Köhn laat zich benoemen noch indammen. Het is het werk van een muzikant met een intense verbeeldingskracht, experimenteerdrang en inzicht en daarmee onderscheidt hij zich met grote voorsprong van het gros van de zogenaamde ‘experimentele’ beweging. Nu de elektronica muziek aan een ernstige vorm van bloedarmoede lijkt te lijden, opent deze plaat heel wat nieuwe perspectieven. Als we van nature niet zo verdomd cynisch en onzeker zouden zijn, zouden we durven zeggen: “het begin van een nieuw tijdperk”.
Het Britse Warp label doet grote inspanningen om zich voortdurend bij te schaven en te vernieuwen. Hun werkruimte wordt niet enkel meer ingenomen door elektronica-acts (Boards of Canada, Squarepusher, Autechre), maar door buitenbeentjes allerhande: vorig jaar nog werden Tortoise, Vincent Gallo en Anti-Pop Consortium ingelijfd en recent vond ook Req zijn stekje bij Warp. Enkele jaren geleden bracht deze producer-muzikant uit Brighton al twee langspelers uit op het Skint label van Fatboy Slim, maar leek daar tussen al dat big beats-geweld nooit echt thuis te horen. Req is een product van de hip-hop cultuur die midden de jaren tachtig opdook in Europa. Hij geraakte gepassioneerd door zowel de muzikale als de visuele aspecten van die stroming en groeide inmiddels uit tot een van de meest gerespecteerde Britse graffiti-artiesten. Zijn grafisch werk, waarvan een deel terug te vinden is op zijn website, lijken eerder impulsieve schetsen, elegant versierd met levendige kleuren. Hetzelfde kan gezegd worden over zijn songs: stuk voor stuk naïeve en rafelige bricolagewerkjes. Zijn nieuwste plaat, Sketchbook, klinkt weliswaar wat meer afgewerkt dan zijn vorige (One en Frequency Jams), maar nog steeds ondergedompeld in een charmante analoge lo-fi sfeer. Vaak komt de muziek dicht in de buurt van het eerst werk van Money Mark, zoals op ‘Ampeg 18 Khz’: ongekuiste oldskool beats, een laidback vibrafoon en vage melodica-akkoorden worden samengeperst tot een aanstekelijk deuntje. Ook andere tracks, zoals ‘Something’ en ‘I Seek’ lijken uit de ouwe Mo’Wax catalogus te komen: een minimale hip-hop groove op de voorgrond, percussie, baskicks en sobere samples zorgen voor de achtergrondsfeer. Op andere schetsen als ‘Loop Bass’ en ‘Symbolic tree’ hoor je krakkemikkige basloops en grillige geluidjes voorbijdrijven in een waas van mysterie. Het zijn repetitieve sfeerschetsen, Spartaans ingevuld en vaak exotisch klinkend: nu eens hoor je een flard gamelan, dan weer een Hawaiaanse gitaar of een Kalimba. Alsof je, als een onvervalste bagpacker ontspannen flaneert door vreemde plaatsen.
Dat is nou net de sterkte van deze plaat: alles klinkt heel losjes en impulsief en beschikt door zijn lo-fi klank over een soort warmte die je ook aan een haardvuur gewaarwordt. We zijn helemaal niet overdonderd door Sketchbook, maar wel gevoelig gecharmeerd. En dat is al heel wat.
Köhn, Koen, (K-raa-K)3
Req, Sketchbook, Warp
Ook mooie dingen gehoord van:
Dag-Are Haugan (op (K-raa-K)3, indringende soundscapes)
Anti-Pop Consortium (eerste langspeler op Warp, vettige elektro-hip-hop)
Jaga Jazzist (leuke Noorse future-jazz)
Kapitol K (de link tussen psychedelica, pop en electronics, mja…)
Log (alweer Scandinaven, ditmaal met Pavement-achtige charme-pop)
AGF (intrigerende solo plaat van Antye Greie-Fuchs van Laub)
In blijde verwachting van nieuw werk van
Faultline, DJ Shadow, DAT Politics, Trans Am, Cinematic Orchestra, …






