Meest recente artikels:
Summerschool Kunstkritiek
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Review Dit is mijn vader
Meer artikels van Jan Devries:
Yankee go home!
Weer een illusie armer
Huilen met Jan met de Pet op
Het fictieve doch op ware feiten gebaseerde verhaal van ‘de eerste Vlaamse geluidsfilm’
ZOETE TRANEN, AFLEVERING 2: DE HOER EN DE POOIER
datum 28.03.2002
auteur Jan Devries
rubriek Film + TV
In zes afleveringen vertelt een anonieme getuige hoe in het jaar 1934 de ambitieuze producent Archibald De Naaier met alle moeite van de wereld probeert de eerste Vlaamsgesproken langspeelfilm ingeblikt te krijgen, vóór zijn concurrent en aartsvijand Jan Vanderheyden dat zal doen met zijn film ‘De Witte’. Archibald wist op voorhand dat het moeilijk zou worden, maar dat het onmogelijk zou blijken te zijn, dat had hij nooit gedacht.

Bon, waar was ik gebleven? Ah ja, Archibald De Naaier, de ambitieuze, jonge producent wil van zijn eerste film, Zoete Tranen, meteen ook de eerste echte Vlaamse babbelaar maken, en als het even kan nog voor zijn aartsvijand Jan Vanderheyden dat zou doen. Archibald moet dus met andere woorden snel wezen. Hij zet er zich dan ook aan met een zelden geziene geestdrift. In twee dagen en nachten stoomt hij een indrukwekkend dossier klaar, dat bol staat van ongelooflijke winstcijfers uit Hollywood, en ook enkele uit Nederland; alle cijfers vertellen één ding: de babbelaar is kassa kassa, wie nu investeert is gegarandeerd rijk binnen een half jaar. Maar bij wie moet hij nu precies aankloppen? Ge moet weten dat in die tijd de meeste films met privé-centen werden betaald, en dat kon vanalles zijn: de spaarcentjes van een ouwe bomma, die anders toch onder de matras bleven liggen, of de lokale spekslager die wel eens een stapje wou wagen in de showbizz. Archibald huivert bij het idee om met zijn project van deur tot deur te moeten gaan, als een leurder zonder leurderskaart. Hij ziet het allemaal veel grootser. Dit is een project zonder voorgaande, een mijlpaal in de Vlaamsche Cultuur! Waar kan hij dus beter aankloppen dan bij de overheid? Die mensen moeten toch het meest van al begaan zijn met het lot van de Vlaamsche Cultuur?

Op een druilerige maandagochtend, in het grillige april van 1934, klopt Archibald aan bij het Ministerie van Cultuur en Volksspelen, bij het kabinet van Minister Van Zeebroeck. Hij stormt als het ware het kantoor van de minister binnen en steekt meteen van wal met een bombarie van cijfers, hoge verwachtingen en bewijzen van het absoluut culturele belang van deze investering. De heer Van Zeebroeck laat Archibald tien minuten lang zijn ding doen, maar onderbreekt hem dan.
"Meneer De Naaier, wat verwacht U nu eigenlijk van ons, precies? "
"Wel, meneer de minister, in enkele woorden samengevat: een financiële bijdrage om de eerste echte Vlaamse geluidsfilm te draaien. Niets meer dan dat. En ik garandeer U uw geld terug binnen het halfjaar !"
Minister Van Zeebroeck staart Archibald enkele seconden ongelovig aan en barst dan los in een diepe lachbui, van het genre ‘HO-HO-HOO!’, als een sadistische kerstman zeg maar.
"Wat vertelt U mij nu? De overheid die speelfilms financiert? Bent U nu helemaal mal, meneer De Naaier? Wij hebben hier toch wel veel belangrijker katjes te wassen dan dat zeker! Oeioei, die moet ik zeker onthouden voor op de ministerraad, premier de Broqueville zal nogal lachen denk ik, hohoho!"

Van Zeebroeck’s bulderende lach galmt nog door de gangen als Archibald in shock afdruipt en zich snel terugtrekt in de wc om te bekomen. Terwijl hij daar zo staat te wateren komt er een kabinetsmedewerker van Van Zeebroeck naast hem staan.
"Weet U, meneer de minister loopt niet zo hoog op met dat ‘volksvertier’ zoals hij uw professie noemt, ik denk zelfs niet dat hij al wist dat er nu ook films bestaan waarin gesproken wordt. "
"Hoe kan zo’n man dan verantwoordelijk zijn voor Cultuur? ", vraagt de verbijsterde Archibald.
De medewerker wacht enkele seconden tot als het daar beneden begint te stromen en gaat verder.
"Ach, hij is verkozen als lid van de meerderheid, dus hij moest toch iets doen. Hij had veel liever Economie gehad, of Landbouw, maar daar waren de tjeven al mee gaan lopen (leden van de katholieke partij, n.v.d.r.), zodus."
"Ah, bon."
De twee mannen staan simultaan te schudden voor de urinoirs. Ondertussen leunt de medewerker dichter naar Archibald, die, gezien de wat ongemakkelijke situatie, een beetje afstand probeert te houden. De medewerker fluistert Archibald een tip in het oor, alsof het een staatsgeheim betreft.
"Er bestaat nog een mogelijkheid om geld te krijgen van de staat voor de dingen die U doet. Wilt U het weten?"
"Euhm, ja... "
"Wel, enkele jaren terug is er hier nog eens iemand geweest zoals U, ene meneer Sterck, of Storck, Henri...euh...die met zijn koolmijnen! Soit, die stond hier dus op een dag, ook voor geld voor zijn films. De toenmalige katholieke minister, Eerdekens, is toen bijna op de vuist gegaan met die meneer, omdat het volgens hem ‘ne vuile sosse’ was (een lid van de socialistische partij, n.v.d.r.). Awel, toen is diene mens meteen doorgelopen naar het Ministerie voor Toerisme, en daar hebben ze hem wel geld gegeven, en nog niet eens zo’n beetje!"

Het Ministerie voor Toerisme blijkt net om de hoek te zijn. Archibald slaagt erin om binnen het uur voor een kleine commissie te verschijnen die bereid is om zijn voorstel te aanhoren. Opnieuw steekt hij van wal met zijn enthousiast betoog.
"...En dan heb ik het alleen nog maar over Amerika gehad! Ik hoor U al denken : ‘jaja, allemaal goed en wel, maar hoe zit dat bij ons, is er hier wel interesse voor zo van die babbelende films?’ Wel, heren van de commissie, ik hoef U alleen maar te wijzen op de toestand bij onze noorderburen, waar enkele maanden terug de eerste Nederlandse geluidsfilm in première ging, ‘De Jantjes’. De mensen stonden tot twee hoeken verderop aan te schuiven! In de regen! Het grootste commerciële succes ooit in de Nederlandse filmgeschiedenis! De Telegraaf schreef ‘‘n Hollandsche filmwerk dat SPREEKT tot het Hollandsche hart!’ en met uw hulp kunnen wij hetzelfde realiseren bij ons, het echte begin van een Belgische filmindustrie, nog voor buurland Luxemburg!"
De commissieleden luisteren aandachtig naar Archibalds mooie verhaaltjes, daarna trekken ze zich terug voor beraad. Na een kwartier komen ze weer buiten. De commissievoorzitter neemt Archibald apart.
"Wel, meneer De Naaier, uw voorstel klinkt goed, uw cijfers zijn veelbelovend. Ik denk wel dat we de minister zullen kunnen overtuigen om U alvast een aardig startbedrag te beloven, onmiddellijk uitkeerbaar."
Archibald moet zich inhouden om de man niet te omhelzen. In plaats daarvan besluit hij hem een fikse handdruk te geven. Maar de commissievoorzitter duwt in plaats daarvan een blad papier in Archibald’s hand.
"Dit zijn onze voorwaarden."
Archibald is even uit zijn lood geslagen en leest snel wat er op het blad staat. "Wat? Waarom moet mijn film voor minstens de helft bestaan uit beelden van toeristische trekpleisters? "
"Waarom? U bent hier bij het Ministerie voor Toerisme, en U maakt films, afijn, bewegende postkaarten dus. Waar dienen films anders voor dan om het schoone Vlaamsche land in de kijker te zetten en toeristen te lokken? "
"Huh?"
"Oh, dat en natuurlijk de bevolking alert maken voor de gevaren van TBC.
Vandaar de tweede voorwaarde: uw film dient te passen in de huidige overheidscampagne ter bestrijding van TBC. "

De volgende dag, geplaagd door een gemene kater, besluit Archibald dat de overheid wat hem betreft kan ontploffen. Hij ziet nog twee opties: van deur tot deur gaan, of gaan aankloppen bij de Nationale Bank. Hij kiest voor het eerste, wetende dat je nog beter een verbond kan sluiten met de maffia dan een met een bank.

Wel, na twee weken deuren platlopen moest zelfs Ambitieuze Archibald dat laatste herevalueren. In die twee weken heeft hij ze allemaal gezien: de belegen slager met een spaarpotje achter de toonbank, de rijke ouwe tante die liever op dan onder de matras duikt, de brouwerszoon die niet weet wat te doen met vader’s miljoenen, de kunstverzamelaar die al voor zes kunsten een collectie had aangelegd en nu ook de zevende een beurt wou geven, en natuurlijk de excentrieke miljardair met de indrukwekkende pornografiecollectie die wel geld wou geven, maar enkel onder voorwaarde dat hij Gwendoline Schoukens kon lenen voor een pikant filmpje bij hem thuis. En zo ging dat elke keer, iedereen wou wel iets aan hem opdringen: een rolletje in de film voor zoonlief de mislukkeling, een ander einde, een ander begin, een ander midden...er was er zelfs één die eiste dat de film in kleur zou zijn! Stel je voor, in kleur!

Na die twee weken begon de moed toch wel diep in Archibald’s schoenen te zakken. Even overwoog hij nog om de lokale maffia op te zoeken, maar hij kon ze niet vinden. Er zat niets anders op dan met zijn dossier, dat ondertussen al behoorlijk onder de kreuken zat, naar het hoofdkantoor van de Nationale Bank van België te trekken. Een wanhoopsdaad.

De klerk van dienst bekijkt rustig het dossier. Archibald zit aan de andere kant van de tafel, "peentjes te zweten" zoals de Hollanders het formuleren. Archibald fixeert zich op het indrukwekkende naambordje van de klerk voor hem. Het moet wel twintig centimeter lang zijn. ‘Désiré De Schaepeleer - Dienst Leningen & Kasbons’ staat erop. "Désiré... ", denkt Archibald, "ik zou m’n hond nog niet eens Désiré durven noemen...en dat is ie nochtans...een vuile ho... " Désiré De Schaepeleer klapt Archibald’s dossier toe.
"Wel, beste meneer De Naaier, dat ziet er allemaal prima uit! Ik zie niet in waarom wij U geen lening kunnen aanbieden."
Archibald’s mond valt open. Even voelt hij weer de neiging om de man voor hem te omarmen, maar een tel later herinnert hij zich zijn vorige euforie-uitbarsting, en het daarop volgende ‘neus-tegen-de-deur-gevoel’. Hij herpakt zich.
"Jaja, allemaal goed en wel, maar onder welke voorwaarden?"
"Niets meer dan dat U ons tijdig de geleende som terugbezorgt, mét de gangbare intrestgelden erbij gerekend uiteraard."
"Natuurlijk. Maar wie belooft mij dat jullie niet om de zoveel dagen een mannetje naar mijn set zullen sturen om overal zijn neus in te komen steken? Zeg mij dat eens?"
Désiré De Schaepeleer begint gespeeld te lachen.
"Ach, meneer De Naaier. U heeft een volledig verkeerd beeld van het bankwezen. Wij steken onze neuzen helemaal nergens in! Of wat dacht U? Dat wij telkens als we een cliënt geld lenen om een huis te bouwen wij een mannetje sturen om te kijken of er wel een dak op staat? Kom nu, meneer De Naaier, U kijkt teveel naar films!"

Het is een scheve redenering, niet geheel geloofwaardig, maar Archibald weet dat dit zijn laatste kans is om snel aan veel geld te geraken. En de tijd dringt. Aartsrivaal Vanderheyden moet tegen nu al zeker één rol hebben volgedraaid, mét geluid en al erbij!
Archibald staat recht en geeft Désiré De Schaepeleer een zakelijke handdruk. Hij weet dat hij nu handjes schudt met de duivel. Maar zijn ziel, die heeft hij nog, die bewaart hij om in zijn film te steken. Bloed, zweet en zoete tranen heeft hij er voor over.
Anonieme getuigenis opgetekend door jan.devries@urbanmag.be
Reageer
Voornaam
Naam
Email
Reactie