Het fictieve doch op ware feiten gebaseerde verhaal van ‘de eerste Vlaamse geluidsfilm’
ZOETE TRANEN, AFLEVERING 1: IN STILTE
datum 07.03.2002
In zes afleveringen vertelt een anonieme getuige hoe in het jaar 1934 de ambitieuze producent Archibald De Naaier met alle moeite van de wereld probeert om de eerste Vlaams gesproken langspeelfilm ingeblikt te krijgen, voor zijn concurrent en aartsvijand Jan Vanderheyden dat zal doen met zijn film ‘De Witte’. Archibald wist op voorhand dat het moeilijk zou worden, maar dat het onmogelijk zou blijken te zijn, dat had hij nooit gedacht.
Ik herinner het mij nog levendig, als een film zou je bijna kunnen zeggen. Het was 1934, overal crisis en misérie. Onze koning Albert was net met zijn klikken en zijn klakken van een klip in Marche-les-Dames gestort, de Duitsers liepen zot voor een klein manneke met een gemeen snorreke, en onze jongens hadden net verloren van de Hollanders met 9 tegen 3. De mensen hadden dus niet veel te vieren en trokken dan maar naar de cinema, met hopen, om naar de Amerikaanse lachfilms te gaan zien, vooral Chaplin natuurlijk, den Tramp.
Maar daar ga ik het nu niet over hebben, dat staat allemaal al in geuren en kleuren in de boekskes. Nee, het verhaal dat ik u hier ga vertellen is al zo onbekend als de mensen die er in voorkomen. Hoe dat komt? Dat zal u wel merken. Hoe ik dat allemaal weet? Dat zijn uw zaken niet.
Het is allemaal begonnen op 5 april 1934, in de oude filmstudio ‘t Karreveld, aan de rand van Brussel. Binnen is net van start gegaan met de opnames van een nieuwe Vlaamse film, Zoete Tranen, een melodrama, zoals al de rest toendertijd. Echt om te janken. Altijd hetzelfde verhaaltje: een jong, straatarm weesmeisje leert een rijke prins kennen, het is allemaal koek en ei en dromerij voor een tijdje, maar dan steekt die prins haar vol en bolt het af. Het ‘genie’ achter dit verhaal is de vroeger erg gegeerde scenarioschrijver Karel Raeymaeckers, die nu vooral zijn kost verdient met het maken van pancartes, ge weet wel, die stukken tekst tussen de beelden, ge ziet dan eerst zo iemand met zijn armen zwaaien en zijn lippen bewegen en dan verschijnt er zo’n tekst in beeld van "GIJ SCHELM! GIJ SCHAVUIT GIJ! ", en dan weet ge dat diene mens kwaad is. Dat deed Karel Raeymaeckers dus, naast het aan de lopende band afleveren van telkens hetzelfde verhaal. Maar denk niet dat de Karel een pechvogel is, een aangespoeld nulleke, neenee, want de Karel zijn vrouw is niemand minder dan Gwendoline Schoukens, de grootste ster van onze doeken, ‘de Vlaamse Gloria Swanson’, in alle opzichten. Zo schoon smoeleke als Gwendoline had, zo’n slecht mens zat er achter. Eén en al pretentie, heel de wereld moest draaien rond dat smoeleke, zoniet dan trok ze haar keel open en dan...ai ai ai, daar kwam daar toch een infernaal geluid uit, ik kan het nog steeds horen als ik mijn best doe. Ik herinner mij vaag het verhaal van een regisseur met wie ze werkte, ene Fons Pierkens, toen een hele grote. Wel, Fons is eens per ongeluk op Charly gaan zitten, Gwendoline’s poedel. De Fons heeft nooit geen werk meer gevonden in de film. Het gerucht gaat de ronde dat hij later een kennel is begonnen, voor verwaarloosde teven, maar dat kan evenzogoed een flauwe grap zijn.
Wie liep er daar nog allemaal rond op de vierde april? Ha, Hypoliet de Kempeleer natuurlijk! De grootste Belgische filmmens van begin de jaren 20, maker van legendarische films over de Groten Oorlog, zoals ‘Schoon Weer Aan’t Front’ en ‘Elk Slagveld Zijn Kruisje’. Na die laatste film ging het wat minder met de carrière van Hypoliet, sommigen vonden zijn films niet grappig genoeg, de rest zag er helemaal niks in. Maar nu, na tien jaar krijgt hij een nieuwe kans om zijn meesterschap te bewijzen, ondanks zijn belabberde toestand. Op zijn 84ste is Hypoliet niet alleen halfdoof en zo goed als blind, hij lijdt ook aan een onstilbare dorst, een veel voorkomende kwaal in deze streken.
Die unieke tweede kans wordt hem gegund door Archibald De Naaier, een jonge en erg ambitieuze producent die er van droomt om de Eerste Echt Grote Vlaamse Film te maken, een Epos zoals ze dat hier nog nooit gezien hebben (en als ge het mij vraagt nog steeds niet trouwens). Archibald, een nieuwkomer in den bizz, was in contact gekomen met Karel Raeymaeckers, tussen een pot en heel veel pinten, en die had hem zijn laatste scenario gegeven, Zoete Tranen. Archibald vond er niks aan, veel te melig en al honderd keer gedaan, maar Karel’s belofte dat zijn oogverblindende vrouw de hoofdrol zou spelen deed hem bezwijken. "Ik maak gewoon deze film voor het grote publiek en de centen, en daarna maak ik met die centen mijn Grote Epos", dat was zijn plan.
Er werd een minuscuul budget bijelkaar gespaard, waaronder de volledige erfenis van Archibald’s ouders, en op 4 april 1934 gingen de opnames van start.
"ACTIE!!", brult Hypoliet de Kempeleer door een voor de rest volstrekt overbodige toeter. Gaston Boeykens zet de camera in gang. In medium close up zien we de goddelijke Gwendoline, aan een tafel, in een jurk van het type aardappelzak en met haar gezicht vol modder gesmeerd, een overduidelijk arm weesmeisje dus. Ze snijdt een aardappel in kleine plakjes en eet ervan alsof het haar laatste maaltijd is, als een muizeke. Drama. Hypoliet brult regieaanwijzingen. "DIE PATAT IS JE ENIGE VRIEND! JE BENT HELEMAAL ALLEEN OP DE WERELD! JE HEBT HONGER DAT JE SCHEEL ZIET! " ... "NEENEE! NIET SCHEEL KIJKEN! JA! ZO! EEEEEN...KUT! VOLGENDE SCENE!"
Ergens in een hoekje van de studio staan twee acteurs sigaretten te roken en een babbeltje te slaan. De ene is Gandalf De Grote, een kleine ster aan het Vlaamse filmfirmament die nu de rol vertolkt van de rijke prins, en de andere is Max Van Leemput, de huisbaas die straks op de deur moet kloppen om Nora, de rol van Gwendoline, op straat te zetten.
"Zeg, Gandalf, gaat ge naar de match tegen d’Hollanders kijken binnen twee weken? "
"Zot, en nog eens zien hoe ze 9-3 tegen hun kas krijgen zeker, mij niet gezien."
"Volgens mij spelen ze gewoon zo slecht omdat de Stanley er niet meer bij is."
"Vanden Eynde? Die dat tegen de Ieren van het veld gestampt werd? Och, zo goed was die nu ook weer niet. Nee, ik denk dat het gewoon komt omdat ze te veel en te lomp met de buitenspelval spelen, dat is het."
"Met de wadde?"
"De buiten-spel-val, ge weet wel, de nieuwste trend in de voetbal, ze zijn daarmee begonnen in Engeland, nu doen ze het overal gewoon!"
Gandalf en Max worden prompt onderbroken door Archibald. "Heer Max, uw aanwezigheid wordt gewenst op de set."
Archibald is in zijn nopjes. Dit is zijn eerste film. Het verhaal mag dan wel op niet veel trekken, en hij heeft er al zijn geld in gestoken, maar met een klasseregisseur én de grootste ster van de Vlaamse film samen kan er toch niets verkeerd lopen?
Terwijl Hypoliet aan Max ‘de Deurwaarder’ uitlegt hoe hij door de deur moet stappen, gaat Archibald in zijn geïmproviseerd kantoortje een tas koffie drinken en even door de nieuwe Wereldrevue bladeren, vers van de persen.
Gwendoline’s extreem nasale stem galmt door de studio, doorspekt met een op papier onreproduceerbaar Antwerps accent, samen met een vleugje Brabants, overgenomen van haar man.
"Me wa veur een goedverdoemse amateurs moekik hier werken, goddoeme! Gij, gij weet nie eens hoe da ge door een deur moet stappen, kieken!"
Camerman Gaston staat het allemaal geamusseerd te bekijken. Hij kent Gwendoline al van vorige films, en weet dat dit nog maar het begin is. "Deur de deur deur", grapt hij. Zelfs in de jaren 30 was dit al een belegen grap.
"STOP! Leg alles stil!". Archibald komt in paniek de set op gestormd, met in zijn hand de laatste editie van de Wereldrevue.
"ACTIE !", brult Hypoliet, maar Gaston heeft Archibald wel gehoord en legt de camera stil.
Iedereen komt rond de producent staan, die de Wereldrevue laat rondgaan.
Iedereen leest de omcirkelde kop : ‘DE WITTE WORDT VERFILMD’.
Gwendoline is niet onder de indruk: "En dan? Da flutboekske! Daar ga geen kat naar zien gewoon!"
Archibald barst los: "Neenee, het heeft niets te maken met het boek, De Witte wordt opgenomen in een Duitse studio! Met Duitse geluidsmensen! Dat vuil stuk regisseur wil van De Witte de eerste Vlaamsgesproken langspeelfilm maken!"
Een zucht van verbazing gaat door de studio. De eerste Vlaamse Babbelaar? Naar het boek van Ernest Claes? Dat zou wel eens brokken kunnen maken aan de kassa, zoals vijf jaar terug de eerste babbelaar in Amerika alle records brak, en een paar maanden terug in Holland, net hetzelfde. Stille films werden op slag waardeloos. Talloze mensen verloren hun werk, dat overgenomen wordt door mensen van buiten de film, theatermensen en radiomannen. De film zou nooit meer hetzelfde zijn.
Iedereen wordt er stil van. Hypoliet begrijpt het allemaal niet en gaat terug in zijn regisseursstoel zitten om een glaasje te drinken, ‘de keel smeren’.
Na een minuut of twee verbreekt Gwendoline, wie anders, de stilte.
"Ach, babbelaars... da wordt toch niks, binnen een jaar zen de mensen dat zo beu als wa, dan willen ze terug ‘expressie’ en gene flauwe zever!"
Archibald denkt daar anders over. "Nee, Gwendoline, ik denk dat we aan de vooravond van een nieuw tijdperk staan, het tijdperk van de geluidsfilm. Als we niet snel genoeg zijn gaan we een film gemaakt hebben voor niks. Het is nu of nooit goddorie! Ik zal die klootzak van een Vanderheyden eens laten zien waartoe Archibald De Naaier in staat is!"
"Ahum!", Karel Raeymaeckers, die alles tot nu toe vanop een - voor een scenarist respectabele - afstand volgde, onderbreekt de nu bijna schuimbekkende producent. "Wil je nu zeggen dat wat wij doen, wat wij al met glans dertig jaar doen, plotsklaps niet goed genoeg meer is voor de mensen, dat ze vanaf nu overal geluid bij willen? "
Archibald antwoordt voor één keer kort en droog : "Precies! "
De hele crew begint ontstemd en verward te mompelen. Beseffen dat je werk van de ene op de andere dag overbodig zou blijken is geen leuke vaststelling
"Maar...maar... ", stamelt Karel, "wie is die Vanderheyden eigenlijk? Heeft die al iets gepresteerd ofzo? "
Archibald’s gezicht verkrampt, even lijkt hij mijlenver verzonken in geen al te prettige gedachten.
"Hij is met mijn vrouw gaan lopen."
Een tiental begrijpende "o"’s volgen op deze niet geheel correcte weergave van hetgeen echt gebeurde tussen Archibald De Naaier en Jan Vanderheyden.
Het echte verhaal is een heel stuk langer, en ik ga er u hier ook niet mee vervelen. In het kort komt het hier op neer: Archibald en Jan zaten in dezelfde school, Jan pikte Archibald’s liefje, Archibald pikte Jan’s fiets en smeet die in het kanaal, Jan smeet Archibald in het kanaal, Archibald regisseerde een kunstig maar geflopt toneelstuk, Jan regisseerde een volkse klucht en trok volle zalen.
Archibald doorbrak zijn pijnlijk stilte, ging op een stoel staan en riep iedereen toe :
"Bij deze leg ik de opnames stil. Ik zal vliegensvlug het geld en de middelen verzamelen om van Zoete Tranen de eerste échte Vlaamse babbelaar te maken en van jullie allemaal grote sterren! Jandorie!"
Anonieme getuigenis opgetekend door jan.devries@urbanmag.be