Inleiding
Vijf jaar terug, in het jaar des heren 1995, kwam ik naar deze schone stad, om een vak te leren, maar vooral om veel plezier te maken. Doordat ik toen mijn tijd en geld vooral spendeerde aan drank en feesten viel het mij helemaal niet op dat ze hier ook zoiets hadden als een filmfestival. Na de Gentse Feesten groeide dit gebeuren al snel uit tot de tweede 'Leukste Tien Dagen van het Jaar'. Twintig leuke dagen op één jaar, dat is waarschijnlijk meer dan een gemiddeld mens er heeft in zijn hele leven!
Mensen verklaren mij wel eens gek als ik, zoals elk jaar wel eens, drie films op één dag zie, snel van de ene zaal naar de andere, onderweg een pak friet binnenwerken en hijgend en puffend weer in een zeteltje ploffen om weer eens voor twee uur in de veilige duisternis van de bioscoop te zitten. Toegegeven, het loopt niet altijd zo vlot. Als je om twee uur 's middags, net uit bed, de Sphinx binnenstapt voor een drie uur lange, oerzware Igmar Bergman-film, om een half uur daarna al weer in de Studio Skoop te belanden voor twee films op een rij, dan kan het al eens gebeuren dat de ogen, geest en het lichaam niet meer kunnen volgen. Maar, dat hoort er nu eenmaal bij, er zijn maar tien van zo'n dagen in het jaar, 'profiteer ervan' is het motto.
En er valt altijd wel wat speciaals te vinden in dat enorme festivalprogramma, vol onbekende titels en namen. Absolute hoogtepunten van de voorbije jaren waren ongetwijfeld De Nacht van de Wansmaak (een hilarische, vier uur durende compilatie van de allerslechtste trailers voor de vreselijkste films uit de filmgeschiedenis), een interessante, multimediale lezing van de toen nog hippe Peter Greenaway, of enkele boeiende nieuwe films die daarna volledig onterecht nooit werden uitgebracht, zoals Twin Falls Idaho (Michael Polish), Miss Julie (Mike Figgis) en Stray Dogs (Daniel Alfredsson). Of je krijgt de kans om premières te zien van films die pas veel later uitkomen, zodat je maandenlang je vrienden op de zenuwen kan werken door te blijven herhalen hoe fan-tastisch die film wel niet was op het festival (zo was Vinterberg's Festen hét geheimpje van de gelukkige festivalbezoekers van 1998).
Maar, genoeg herinneringen opgehaald, wat heb ik zoal onthouden van dit festival?
O Brother, where art thou? (Joel & Ethan Coen - V.S., 2000)
* * *
De nieuwste van de immer briljante Coen Brothers. Het is een muzikale komedie geworden, gesitueerd tijdens de depressie van begin jaren dertig, over drie 'chain gang' werkers (waaronder John Torturro en George 'E.R.' Clooney die, verrassend genoeg, over een enorm komisch potentieel blijkt te beschikken). Met z'n drieën ontsnappen ze en beginnen aan een soort odyssee doorheen Missisippi, constant geconfronteerd met allerhande obstakels, zoals een doorgeslagen gangster, een zakkenrollende bijbelverkoper, drie aanlokkelijke maar gevaarlijke sirenes, koeien en vele, vele achterlijke landbouwers. Opgelet: O Brother is zo hilarisch dat je best twee keer gaat kijken (zoals alle films van de broers trouwens) om de grappen te zien die je gemist hebt door plat te liggen van de vorige grappen. Beste scène uit de film: de drie ontsnapten belanden in de wagen van 'Babyface' Nelson, een hysterische gangster die net twee banken heeft overvallen en achtervolgd wordt door de 'coppers'. Hij begint gierend van het lachen met een machinegeweer op de flikken te schieten, tot hij een kudde koeien ziet grazen in de wei naast de weg. "Boy, I hate cows even more than I do coppers!" brult hij en begint nu op de koeien te schieten, waarna de kudde in paniek over de weg begint te lopen, waardoor de wagen, op een zeer overtuigend uitgebeelde manier, in volle vaart een koe ramt (wat een grote rel veroorzaakte onder die pussies van dierenrechtenbeschermers in Cannes). Toen de stukken koe door de lucht vlogen waren er slechts een handvol mensen aan het lachen, dit was blijkbaar op het randje, niet echt politiek correct, maar ik ging niettemin weer bijna tegen de grond van het lachen.
Uit: 15 november
The Yards (James Gray - V.S., 2000)
* * *
Weer een - bijna - voltreffer: The Yards, de tweede film van James Gray, die zes jaar terug debuteerde met één van de beste films van de jaren negentig, Little Odessa. The Yards moet uiteindelijk wel onderdoen voor die eerste, dat is het probleem met een ijzersterk debuut. Het is ook een erg dure film, met enkele grootse scènes en iets te veel personages, waardoor de kracht van Little Odessa - de intieme en soms erg emotionele scènes - hier niet zo goed uit de verf komt. Toch blijft het een zeer sterke film, met net als de vorige keer als belangrijkste thema's: misdaad, corruptie en het belang van de familie. The Yards doet vaak denken aan The Godfather: de maffiosi zijn vervangen door grootindustriëlen, corruptie is ook hier noodzakelijk om te overleven en om de eigen familie te kunnen onderhouden. Mark Whalberg speelt de hoofdrol, als een jonge crimineel die net uit het gevang komt en nu dringend eens dat rechte pad op wil om zijn zwakke moeder niet dood te doen vallen van schaamte, maar& Charlize Theron, bekend als dom blondje uit the Devil's Advocate is nu plots het donkerharige, bloestollend mooie liefje van het grootste stuk crapuul uit de film. Maar het is vooral de rol van ouwe krak James Caan die zal bijblijven, als de patriarch en kostwinner van de familie, de baas van een New Yorkse metro-operator en corrupt tot op het bot, maar boven alles, een goed mens.
Uit: ergens tussen november en januari
The King is Alive - Dogma 4 (Kristian Levring - Denemarken, 2000)
* *
Vlak voor de film begon gebeurde er iets raar: een twintigkoppig zangkoor stelde zich op voor het scherm en met z'n allen stonden ze daar te wachten tot iedereen neer zat en zweeg, wat nog een klein kwartier duurde. Het bleek een Deens koor te zijn dat toevallig in Gent was en de kans greep om het al indrukwekkende Denemarken-programma van het filmfestival extra in de verf te zetten. Hun kattengejank werkte danig op mijn zenuwen maar ik liet het over mij heen gaan want ik dacht dat dit wel eens een goeie film kon worden.
Twee uur later kon ik nog maar één ding denken: het vet is van de soep. Na klassiekers als The Idiots en Festen en een redelijk goeie film, Mifune, lijkt Dogma 95 volledig uitgemolken te zijn, na het zien van The King is Alive. Het verhaal leek, op papier, veelbelovend: een groepje toeristen strandt in de woestijn van Namibië en om het lange, nerveuze wachten op redding te verzachten besluiten ze Shakespeare's King Lear in te studeren, wat een raar idee is aangezien iedereen weet dat op het einde van zowat alle Shakespeare-stukken de doden niet meer te tellen zijn. Het lijkt erop dat debuterend regisseur Levring zijn film toch nog een beetje niveau wou geven want voor de rest heeft The King is Alive verdomd veel weg van al die rommel die ze tegenwoordig op tv uitzenden. Misschien klinkt een andere samenvatting van deze film iets herkenbaarder: acht mensen zitten vast op een plek waaruit ze niet kunnen ontsnappen en al snel komt hun ware aard naar boven. Net zoals in Big Brother, De Bus en Expeditie Robinson zitten ze constant in elkanders haren of anders in elkanders kleren, een beschaafde middenweg lijkt niet te bestaan. The King is Alive kent mooie momenten, wat vooral te danken is aan de overweldigende woestijn, maar die wegen niet op tegen de intens saaie momenten. En een kritiek waar alleen zo'n Dogma-fundamentalist zich aan stoort: Levring breekt regels dat het niet schoon meer is, volgens mijn eigen schatting zo maar even vijf van de tien Dogma's (voor wie het wil controleren: regels nummer 1, 2, 6, 7 en 9 - cfr. www.dogme95.dk).
Hoe dan ook, The King is Alive valt tegen. Dogma 95 heeft zijn zeer belangrijke punt - je kan meer bereiken met minder - bewezen, nu wordt het tijd om het boeltje op te doeken.
Famous (Griffin Dunne - V.S., 2000)
* * *
Eigenlijk ging ik die bewuste avond naar State and Main kijken, de nieuwe van David Mamet, maar de verdomde filmrol was niet aangekomen dus moest er zéér snel een nieuwe film gekozen te worden (een avondje rustig voor de buis zitten was geen optie, zolang er films vertoond worden op het festival gaan we door!). Het werd dus deze bescheiden maar erg aardige film uit het Digifest-programma. De maker is acteur Griffin Dunne (bekendst van zijn waanzinnig paranoïde hoofdrol in Scorsese's After Hours). In deze fictieve documentaire volgt Dunne een jonge actrice van wie hij vermoedt dat ze elk moment beroemd zal worden. Maar, mede door het gestuntel van de documentaireploeg wil het maar niet lukken voor haar, terwijl zowat iedereen uit haar omgeving wel plots beroemd wordt. Famous is tegelijk een luchtige film die kritiek geeft op al die gekken die per sé willen herkend worden op straat, en een intelligente parodie op het documentairegenre.
In the mood for love (Wong Kar Wai - Hong Kong, 2000)
* * *1/2
Deze film moet zowat mijn persoonlijke hoogtepunt geweest zijn van het voorbije festival. Regisseur Wong Kar Wai is één van de meest originele filmmakers van het moment, maker van Fallen Angels, Chunking Express en Happy Together. Kar Wai maakt films zoals niemand anders ze kan maken, met een totaal unieke stijl, gedomineerd door massa's lenzen, filters en slow motion-effecten die je bij momenten naar adem doen happen. Het eerste wat opvalt aan zijn nieuwe film is dat hij resoluut van stijl is veranderd: In the mood for love is een stuk soberder en trager dan zijn vorige werken, geen lenzen of kleurenfilters meer en een beperkt maar zeer functioneel gebruik van slow motion. Kar Wai richt zijn aandacht nu meer dan ooit op zijn acteurs, vooral zijn twee meest trouwe volgelingen, Maggie Cheung en Tony Leung. Zij vertolken, net als in verschillende andere van zijn films, twee eenzame mensen die voor elkaar bestemd lijken maar toch nooit kunnen proeven van het ultieme geluk. Allebei worden ze verwaarloosd door hun partners, maar geen van beide durft een definitieve streep te trekken onder hun respectievelijke relaties. Dus komen ze bij elkaar om kritieke relatiemomenten te 'repeteren', bijvoorbeeld: vragen of de andere is vreemdgegaan, afscheid nemen, een romantisch diner. Deze repetities, behoren tot de interessantste momenten uit de film en zetten de kijker keer op keer op het verkeerde been. Zoals steeds is de film bij momenten moeilijk te volgen, Kar Wai legt niet graag het hoe en waarom van zijn verhaal uit, hij toont liever de gevolgen of flarden van een handeling. Maar dat mag geen bezwaar zijn om niet naar In the mood for love te gaan kijken, een film die bulkt van de inventieve beelden en ideeën en drijft op een heerlijk rustig ritme.
Dr. T and the women (Robert Altman - V.S., 2000)
* * *
Robert Altman is een instituut, al vijftig jaar lang blijft hij koppig films maken, ook al kan je zijn box office successen op één hand tellen. Na enkele magere jaren in de jaren tachtig kwam Altman weer ongenadig opzetten in het begin van de jaren negentig, met twee moderne klassiekers, The Player en Short Cuts. Zelfs nu hij al dik in de zeventig is, blijft hij trouw elk jaar zijn bijdrage leveren aan het filmaanbod, dit jaar met Dr. T & the women. Richard Gere speelt een razend populaire gynaecoloog ("the lucky kind of doctor") wiens praktijk dagelijks overspoeld wordt door tientallen luidruchtige chique madammen. Dit levert meteen één van de mooiste openingsscènes van het jaar op, alhoewel een Altmanfan er meteen het handelsmerk van de grote regisseur in zal herkennen: een lange, chaotische, ononderbroken shot in de dokterspraktijk, waar al die high society vrouwen door elkaar staan te roepen en proberen zo snel mogelijk met hun benen open bij de dokter te belanden. Altman is ondertussen zo'n ervaren regisseur dat hij een dergelijke, technisch erg complexe scène met zijn ogen dicht kan regisseren. Zoals ook vaak het geval is bij zijn films krijgen we hier niet enkel het verhaal van Dr. T, de ideale man die 24u/24u vrouwen verzorgd, maar ook een hoop randverhaaltjes, wat de film weer zo'n typisch episodische structuur geeft. Altman is ook onovertroffen als het er op aan komt om vrouwen te portretteren. Net als zijn vorige film, Cookie's Fortune, wordt Dr. T & the women vooral gedragen door prachtige vrouwelijke personages, zelfs al gaat het hier vooral om strontverwende, in Gucci verpakte en champagne zuipende chichi-madammen. Hun scènes zijn de beste, grappigste en meest levendige uit de film.
Oh ja, wie nooit van z'n leven een echte geboorte in close up wil zien kan maar best vijf minuten voor het einde van de film de zaal uit rennen, ik wist het niet maar jullie zijn dus gewaarschuwd.
Uit: maart 2001.
I.K.U. (Shu Lea Cheang - Japan, 2000)
* *
De
prijs voor de meest bizarre, walgelijke en gewaagde film van het jaar gaat nu al zeker naar I.K.U., niet dat het goeie film is, wel omdat de cineaste een tot de nok gevulde zaal anderhalf uur naar harde porno liet kijken. Het 'verhaal', zoals vermeld in het programmaboekje, deed al vermoeden dat het zware kost betrof: een cyborg annex neukrobot moet zoveel mogelijk 'orgasmedata' op haar inwendige harde schijf opslaan. Deze premisse werd ons ook voor de film duidelijk gemaakt door de cineaste, maar in de film zelf heb ik weinig gemerkt van een verhaal, het was gewoon 90 minuten lang porno in al zijn variaties, in combinatie met razensnelle computeranimaties en pompende techno, dit moet de Cyberporno van de 21° eeuw zijn! De film bulkt van de extreme close ups van alle mogelijke geslachtsorganen, standjes en combinaties (man vrouw, vrouw vrouw, man man, vrouw man vrouw, vrouw hermafrodiet, etc& ). Ik vroeg mij al lang af waarom de pornobioscopen ui het Zuid in Gent niet jaarlijks hun eigen filmfestival organiseren, 'porno uit alle windstreken' ofzo. Ik denk dat zelfs I.K.U. te zwaar en te choquerend is voor zo'n bioscoop. Het was trouwens ook verbazend hoe weinig mensen de zaal verlieten tijdens de voorstelling. Dat had waarschijnlijk iets te maken met hetgeen de cineaste voor de film verteld had, namelijk dat op een vorig festival zestig procent van de bezoekers na een kwartier al de zaal verlieten en om dat te voorkomen zou ze nu zelf aan de uitgang staan en iedereen terugsturen die durfde buitenwandelen uit haar film. daar is ze wonderwel in geslaagd.
Uit: waarschijnlijk nooit.






