Meest recente artikels:
Summerschool Kunstkritiek
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Review Dit is mijn vader
Meer artikels van Stoffel Debuysere:
interview met Phill Nilock, 'The Forgotten Minimalist'
Christian Fennesz op zoek naar de perfecte popsong.
De omzwervingen van een muzikale duizendpoot
JIM O'ROURKE: EEN VROLIJKE MISANTROOP
datum 17.12.2001
rubriek Muziek
Recent verschenen twee nieuwe platen van Jim O'Rourke, Insignificance en And I'm happy, and I'm singing, and a 1,2,3,4, die op schitterende wijze zijn veelzijdigheid illustreren. Pop, klassiek, electronica, avant-garde... noem het wat je wil. O'Rourke verwerkt zijn fascinatie voor uiteenlopende muziekvormen in een persoonlijk oeuvre, dat alle genregrenzen overstijgt: "It's all just music, you know".


Iedereen heeft zo zijn helden: grootse, haast mythische figuren die de hoop voor een, zeg maar ‘betere’ wereld belichamen. Jim O’ Rourke is een van onze helden en, wat meer is, wellicht een van de meest toonaangevende muzikanten van de laatste jaren. Onder het moto “It’s all just music” verkent hij met een onverzadigbare nieuwsgierigheid en een unieke openheid reeds ruim een decennium lang de meest uiteenlopende muziekrichtingen, gaande van klassiek en improv naar pop en elektronica. O’Rourke (°1969) raakte al heel vroeg in de ban van klassieke muziek en ging als jonge tiener obsessief op zoek naar nieuwe muzikale impulsen, die hij zowel vond in het werk van The Beatles en The Beach Boys als van componisten als Stockhousen, Michael Nyman en Tony Conrad. Hij speelde vanaf zijn zes jaar gitaar en begon al vlug, steeds meer gefascineerd door de “narratieve context van klank”, het instrument te bewerken en door allerlei elektronische apparatuur te sturen. O’Rourke vond zich daarmee temidden van de zogenaamde “tape-music” scéne, waar ook bijvoorbeeld Dan Burke (van Illussion of Safety, waar O’Rourke van 1988 tot ’96 bij speelde) en Japanner Kazuyuki Null een belangrijke plaats innamen. In dezelfde geest maakte hij met The Elvis Messiahs (1987- ’89) postindustriële collages, met grote dosissen noise en improvisatie. Tezelfdertijd ging hij klassieke compositie studeren aan de Depaul University van Chicago, maar raakte ook geïntrigeerd door de kunst van het improviseren, vooral onder invloed van de Britse scène, met muzikanten als Eddie Prevost, Keith Rowe (beiden lid van het invloedrijke gezelschap AMM) en Derek Bailey, allemaal mensen met wie O’Rourke later zou samenwerken.
Deze roots zullen een grote impact hebben op al zijn solo- en collectief werk en op de ongelooflijke variatie ervan. Terwijl zijn eerste solo-plaat, The Ground Below Above Our heads (1991) nog in de lijn ligt van zijn industriële ‘tape-music’, grijpt hij op Tamper (1991) terug naar zijn klassieke opleiding voor de compositie van drie elektro-akoestische stukken voor kamerorkest. Op ander werk als Scend (1992) en Rules of Reduction (1993) beroept hij zich dan weer op de uitgebreide mogelijkheden van de studio voor de compositie van lange musique concréte suites, in de stijl van Luc Ferrari opgebouwd uit omgevingsgeluiden en muzieksamples. Geen schizofrenie, wel integendeel en ontegensprekelijk Jim O’ Rourke-muziek… .
Vanaf 1994 bouwt hij enkele samenwerkingsrelaties op, die opnieuw leiden tot uiterst avontuurlijk en kwalitatief werk. Met Gastr Del Sol, een ambitieus en avontuurlijk project met zanger-gitarist David Grubbs (ex-Slint en Squirrel Bait), toont hij zich een meester in de de- en reconstructie van de popsong, resulterend in dynamische melange van conventionele pop- en jazzmelodieën, dissonante klanken en avant-garde structuren (O'Rourke over Gastr Del Sol: “There’s this rockband, but for some reason they never get to play rock music, it’s always threatening to go there”). Beide muzikanten lieten ook gelijkaardige erupties los bij the Red Krayola, een in 1966(!) opgericht project rond Mayo Thompson dat in 1994 een nieuw (maar kort) leven begon met het crème de la crème van de Chicago scene (met o.a. ook John Mcentire van Tortoise). Met Brise-Glace richtte O’Rourke een heuse rockband op, dat met het door Steve Albini geproduceerde When in Vanitas (1994) een bijtend werkstuk afleverde, dat jazz, hardcore en avant-garde elementen verenigde.
Happy Days (1997) en vooral het schitterende Bad Timing (1997) luidden een nieuwe, zo mogelijks nog productievere periode in. O’Rourke won door zijn werk bij bovenvermelde projecten, voornamelijk voor Gastr Del Sol aan muzikaal zelfvertrouwen en koos voor deze platen voor een directere aanpak en een voor hem nieuwe stijl die in hoge mate beïnvloed was door de “primitive guitar music” van de Amerikaanse componist John Fahey en ook, naar eigen zeggen, door het fingerpicking gitaarspel op het klassieke Foxtrot (1972) van Genesis. O’Rourke breit op dit werk lange, epische composities die maar mondjesmaat hun geheimen prijsgeven: mijmerende akoestische gitaarspinsels bloeien open tot majestueuze orkeststukken, magische melodieën, abstracte riffs en minimale elektronische texturen worden gelaagd tot een hypnotisch geheel.

Opvolger Eureka (1999) is een waar huzarenstukje, waarvoor O’Rourke putte uit zijn verschillende muzikale achtergronden: een verzameling kleine popjuweeltjes (“De eerste plaat die ik kocht was de eerste soloplaat van Paul Mccartney”) die doordrongen zijn van invloeden uit de zogenaamde “second generation Americana”, waartoe componisten als Charles Ives, Tony Conrad en Van Dyke Parks behoren. Eureka is een meesterlijke exploratie van muziekstructuren, orkestraties en klanken, een impressionistisch en liefdevol popmozaïek.
“Ik denk dat Eureka meer heeft van mijn oudere platen dan Bad Timing omdat al de ideeën ontstonden toen ik nog ‘tape music’ maakte. Het is zoals Luc Ferrari, maar in plaats van de klank van een dichtslaand portier, gebruikte ik elementen uit popmuziek.”
“Ik heb me nooit programmatisch verzet tegen gelijk welke soort muziek en ik ben niet programmatisch bezig met het mixen van genres. Het is gewoon zo dat ik een som ben van al die dingen, dus waarom zou de muziek die ik maak dat ook niet kunnen zijn? Ik denk echter niet dat ik al een manier gevonden heb om tot die som te komen. Alles dat ik in het verleden heb gedaan was gericht op bepaalde aspecten, maar nu probeer ik om te focussen op hoe al die verschillende dingen elkaar in mijn hoofd ontmoeten. Hoe komt het dat ze voor mij allemaal van gelijke waarde zijn? Om dat te ontdekken, heb ik gewoon beslist om niets weg te laten…”

Recent verscheen het mooie Insignificance, dat opnieuw dezelfde ingrediënten bevat, alhoewel de songs nu occasioneel ook een rockjasje toegemeten krijgen.
“Deze werd live opgenomen met een band, in amper drie weken tijd. Ik had er al een heel tijdje aan zitten werken, maar ik was er niet echt tevreden mee. Ik heb gewoon beslist om het op die manier te proberen, schreef een boel nieuwe songs en slaagde er in om al de muzikanten tezelfdertijd te verzamelen. Ik zei ‘OK, laat ons die stuff opnemen en we zien wel wat er gebeurt’, en uiteindelijk bleek dat het werkte. Als het niet had gewerkt, had ik die sessies ook weggeworpen - ik heb de lastige neiging om platen verschillende keren te maken (lacht)”

De muzikanten op Insignificance zijn voornamelijk dezelfde als op de vorige platen: Glenn Kotche, Tim Barnes, Darian Gray en Ken Champion zijn oude bekenden, net als jazzblazers Rob Mazurek en Ken Vandermark. Opvallend is echter de aanwezigheid van zanger-gitarist Jeff Tweedy, die reeds van zich liet horen in gereputeerde ‘alt-country’ groepen Uncle Tupelo, Golden Smog en vooral Wilco. Met deze laatste band verkent Tweedy steeds meer nieuwe muzikale gebieden, wat duidelijk te horen is op het nog te verschijnen Yankee Hotel Foxtrot (MP3’s op het net te vinden), dat toevallig of niet met behulp van O’Rourke ingeblikt werd.
“Ik ken Jeff al een heel tijdje, de laatste twee jaar hebben we heel frequent samengespeeld. Het leek me gewoon voor de hand liggend om hem te vragen om enkele nummers mee te spelen… . In het midden van vorig jaar vroeg hij me ook om een track op de nieuwe Wilco plaat te mixen, uiteindelijk heb ik de hele plaat mogen doen (lacht). Samen met mijn vriend Glenn (Kotche) hebben we trouwens een eigen project opgestart, Nuts. Het klinkt behoorlijk ‘straighforward’, met een minimum aan overdubs, allemaal songs die Jeff en ik samen geschreven hebben. Het volgend Nuts album zal waarschijnlijk complexer en gedetailleerder zijn, we gaan ondermeer samenwerken met componist Arnold Dreyblatt (in Berlijn verblijvend componist, maakt experimentele soundcollages, in de stijl van het minimalisme, sd). Jeff is ontzettend geïnteresseerd in die stuff: Tony Conrad, Tony Block enzo, hij heeft een grotere kennis van muziek dan de meeste mensen vermoeden. Het is grappig want we hebben eigenlijk een gelijkaardige achtergrond: hij begon in een noiseband, net als ik in de late jaren tachtig, daarna zijn we in een weliswaar in een verschillende opeenvolging van gebeurtenissen terechtgekomen, maar op de een of ander manier hebben we heel wat gemeen.”

De lyrics op Eureka en Insignificance (ook op de EP Halfway to a Threeway (2000)) zijn een fijn staaltje van (zelf)ironie en absurdisme. ‘Memory lane’ bijvoorbeeld staat bol van sarcastische zinnen als “Lookin’ at you reminds me of lookin’ at the sun and how the blind are so damn lucky”, verderop gaat het “Those holes on your face could be used better ways, breathin’s a distraction when you chatter away”. Bijtende, maar hilarische lyrics die vaak een persoonlijke toets meekrijgen, zoals in ‘All Downhill from here’: “If I seem to you just a little bit remote, you feel better if you call me a misanthrope” .
“De lyrics klinken inderdaad persoonlijk, maar ik zou niet durven zeggen dat ze specifiek over mijzelf gaan. Natuurlijk reflecteren mijn teksten hoe ik de wereld zie. In tegenstelling tot Eureka, die geïnspireerd was op specifieke mensen, gaan de teksten op Insignificance echter over niemand in het bijzonder, er is gewoon een constant dreigend gevoel van verderf (‘doom’, sd) aanwezig (lacht)”.
“Teksten schrijven is een grote uitdaging, de woorden komen bij mij immers niet zo gemakkelijk, meestal duurt het langer om de teksten te schrijven dan de muziek. Ik hou van dubbelzinnige teksten – de enige manier waarop ik mijn misantropie kan uiten is door middel van humor. Mijn vrienden noemen me dan ook altijd een vrolijke misantroop (lacht).”

O’Rourke werkte in het verleden samen met de meest uiteenlopende muzikanten als het Kronos Quartet, Robert Hampson (Main), Eugene Chadborn, Fennesz, KK Null, Cornelius Cardew, om er maar enkele op te noemen. Daarnaast heeft hij gedurende de laatste jaren een stevige reputatie opgebouwd al producer-mixer van o.a. Smog, Stereolab, Melt-Banana en Tony Conrad. Sinds de opnames van NYC Ghosts and Flowers (2000) lijkt O’Rourke nu ook een plaatsje verworven te hebben bij Sonic Youth: eerder dit jaar ging hij samen met hen op de hort met de Goodbye 20th Century tour en werkte mee aan de soundtrack voor Things Behind The Sun van Alisson Anders.
“Vele van de mensen met wie ik samenwerk zij gewoon vrienden van mij. Ik beschouw het als een soort van omleidingen of wegversperringen die ik moet inbouwen om de dingen vanuit verschillende perspectieven te blijven zien. Met ander mensen werken helpt me om de muziek die ik alleen maak op een andere manier te benaderen, en omgekeerd bepaalt de wijze waarop ik alleen werk hoe ik met ander mensen samenspeel. Het is de enige manier om te groeien: door de hele tijd alleen te werken krijg je na verloop immers een artritis van ideeën (lacht).”

Ook binnen de wereld van geïmproviseerde muziek is O’Rourke een gevestigde naam. Hij speelde samen met o.a. Alan Licht, John Oswald, Gunter Muller, Mats Gustafsson, Ikue Mori, Loren Mazzacane, Eddie Prévost en Derek Bailey . Vooral met deze laatste heeft O’rourke een constructieve relatie opgebouwd. Hij ontmoette Bailey (°1932), toen al aanzien als een van de grootste klankwizards van deze eeuw, op zijn zeventiende, zou even later deel uitmaken van diens Company Ensemble en werkt tot op de dag van vandaag nog regelmatig met hem samen. Bailey bestempelde improvisatie ooit als “the finest form of musical communication”. Akkoord?
“Ik ben bang om nee te zeggen, omdat het als een belediging aan het adres van Derek zou overkomen (lacht). Maar nee, het is wellicht een van de belangrijke vormen maar ik zou niet durven zeggen dat het de allergrootste vorm is. Ik denk wel dat die statement opgaat voor Derek zelf, hij is een van de weinige improvisatoren die voortdurend zichzelf uitdaagt. Hij blijft gewoon altijd verrassend, plaatst zich altijd in allerlei rare situaties en stelt de preconcepties van wat hij doet continu in vraag. Wat hij beweert geldt volgens mij echter niet als muziekvorm, want het probleem met heel wat geïmproviseerde muziek is dat het tot een stijl verworden is. Voor mij is het helemaal niet zo ‘vrij’ als vaak beweerd wordt, alhoewel ik er wel plezier aan kan beleven.”

Samen met Christian Fennesz en Peter Rehberg vormt O’Rourke Fennoberg , een uitsluitend labtop gedreven improvisatieproject. In 1999 verscheen een eerste neerslag van deze collaboratie op het Weense Mego label, zijn opvolger staat binnenkort te verschijnen. The Magic Sound of Fennoberg is alvast een verzameling bizarre geluidscollages, totaal ongrijpbaar en haast absurd in zijn vorm en geluid. Achterwaarts afgespeelde samples van Led Zeppelin, abstracte klankstromen, scherpe Tex Avery geluidjes etc. worden speels in elkaar geknutseld, met een mentaliteit die best te vergelijken valt met die van een ‘stoute’ jongensclub.
“Wel, dat is ongeveer wat het is (lacht). Christian en Peter zijn twee van mijn beste vrienden en het is plezierig om samen te komen en te spelen, maar soms vraag ik me echt af wat we eigenlijk aan het doen zijn. We amuseren ons te pletter, maar ik heb eigenlijk absolùùt geen idee hoe onze spullen verdomme klinken (lacht)…. Wat ik trouwens goed vind, want ik hou er van om in een staat van verwarring te werken, omdat je dan heel wat meer inspanningen moet leveren…”
“We hebben altijd gedacht dat we een soort van comedy band (lacht) waren, we grappen altijd over de mensen die ons o zo serieus nemen - tsjonge, ze zouden ‘ns moeten weten (lacht). Let wel, we worden wel eens serieus op het podium wanneer de muziek begint te rocken of zo (lacht), maar het grootste deel van de tijd zien we wel wat er gebeurt, meestal wordt het iets ongelooflijk goofy. Iedere keer als we moeten spelen heb ik er absoluut geen idee van wat er te gebeuren staat, zodat het wel spannend blijft. Tijdens de laatste show begon ik te dansen of zo, we waren iets aan het spelen dat klonk als Led Zeppelin en ik begon met mijn voeten te stampen en mijn vuisten in de lucht te werpen, gewoon rocken! (lacht)”

Pas verscheen nog een nieuw album van Jim O’Rourke. I’m Happy, and I’m singing, and a 1,2,3,4 (Mego) bevat drie lange labtop composities, waarin melancholische klankgolven en circulaire texturen langzaam gedirigeerd worden tot warme en overweldigende structuren.
“Ik ben al een hele tijd aan het werken op computers, maar ik was me absoluut niet bewust van de kracht van de Powerbooks, tot ik Peter (Rehberg) ontmoette: hij moet een van de eersten geweest zijn om met een 1400 te spelen. Dat was een ongelooflijke openbaring voor mij! Maar ik kon me er toen geen veroorloven, zodat ik er ongeveer twee jaar voor moest sparen (lacht), en toen ben ik maar met Fennoberg beginnen spelen.”
“Het materiaal op I’m happy is intussen al behoorlijk oud, allemaal live-stuff van de periode 1997-1999. Het heeft me wat tijd gekost voor ik het materiaal wilde uitbrengen, ik wou gewoon niet bijdragen tot de dozen en dozen cd’s die iedere week op de wereld losgelaten worden, begrijp je? Op aandringen van Peter heb ik dan uiteindelijk toch een selectie gemaakt en achteraf gezien ben ik daar toch blij om: ik weet dat het is wat ik wou doen en dat het niet zoals andere stuff klinkt.”
“Ik wou dat mensen die met een computer werken wat meer de tijd namen om op zoek te gaan naar persoonlijke geluiden. Je kunt er immers behoorlijk snel iets uit te halen dat klinkt zoals je wil, maar er zijn nog andere dingen belangrijk zoals de vorm of de structuur… dat soort beslissingen bepalen hoe je een persoonlijke stempel op je werk zet. Het is natuurlijk gemakkelijker en sneller om muziek te maken met een computer dan bijvoorbeeld een gitaar op te pakken en te leren spelen en songs te schrijven. De opwinding die gebeurt is ook heel begrijpelijk: zo van “hey, this sounds great”, ‘record’ indrukken en een cd branden (lacht).”

Het is duidelijk dat veel popmedia moeite hebben om de muziek van Jim O’Rourke vast te pinnen. Zijn grote passie voor muziek (“ I would never listen to my own music. All I want to do is listen to other people’s records”, zei hij ooit) en zijn constante nieuwsgierigheid uiten zich in een diverse output, die alle genregrenzen overstijgt.
“Och, voor mij is het allemaal muziek, weet je... Als je eten aan het koken bent en je neemt broccoli en nog iets anders uit de koelkast, dan moet je daarmee werken. Als je iets anders beslist te nemen, dan moet je het daarmee doen, ik bedoel… als iemand me zegt: “hey, je gaat gewoon van het een naar het andere, weet je wel wat je wil?”, dan antwoord ik: “wel, je kunt toch altijd horen dat het mijn plaat is, toch?”, meestal antwoorden ze dan bevestigend. Ik ben geen dellitant, weet je. Maar ik begrijp die obsessie met ‘genre’ niet... er zijn van die mensen die beweren dat ze enkel houden van rockmuziek, alsof je echt houdt van die 20 % die echt heel goed is en dan ook luistert naar de slechtere stuff, gewoon omdat je een rockliefhebber bent (lacht). Ik denk gewoon niet op die manier.”
“Ik ben geïnteresseerd in mensen die bepaalde dingen doen met muziek, niet in mensen die binnen bepaald genres werken. Als ik van iemands muziek hou, is het meestal omdat ze beslist hebben om hetgeen spontaan komt te weerstaan en op zoek te gaan naar andere wegen die ze nog niet kennen. Dat is waar ik op zoek naar ben, dat is waarom ik bijvoorbeeld Autechre even interessant vind als Derek Bailey. Zij hebben die bepaalde beslissing gemaakt, of het nu vanwege ‘politieke’ redenen is, zoals het geval is met Bailey, of gewoon een kwestie van slimheid, zoals Autechre ”
“Ik ben ook wel geïnteresseerd in mensen die spelen met genre, zoals bij John Oswald (Canadese componist, meest bekend voor zijn ‘plunderphonics’: werkstukken die opgebouwd zijn uit samples van bestaande opnames), waar genre het onderwerp wordt en je als luisteraar moet omgaan met bepaalde culturele bagage die je meedraagt. Maar om interesse te hebben voor muziek gewoon omdat het een bepaalde soort muziek? Dan zou je naar heel wat troep moeten luisteren en zou je uiteindelijk je normen moeten verlagen.”

O'Rourke heeft gedurende de jaren ook een brede werkbasis opgebouwd in Europa en zeker Japan, met o.a. releases op labels als Tokuma, Meme an Kyodai en collaboraties met KK Null, Melt Banana, Nobukazu Takemura en Tatsu Aoki. Is er een andere perceptie van muziek en musiceren?
"Heel zeker. Japan heeft een compleet andere muzikale achtergrond dan de V.S. en wanneer ze bepaalde muzikale elementen gebruiken uit andere plaatsen van de wereld, zijn ze er niet noodzakelijk cultureel mee verbonden. Het heeft er gewoon een compleet andere betekenis. Het is interessant om te zien hoe Japanse muzikanten muziek benaderen vanuit compleet verschillende perspectieven dan ik ooit zal kunnen, ze zijn zich zo goed bewust zijn van de culturele achtergronden, wat de betekenis was van bvb. The Velvet Undergound, hoe het klonk etc. Ze nemen er echt meer de tijd om de muziek te analyseren, ik denk zelfs dat ze Amerikaanse muziek beter begrijpen dan de Amerikanen zelf!"
"Er is een compleet verschillende cultuur dan in de Westerse wereld. Het is nog altijd niet algemeen aanvaard om een individuele statement te maken. Als vrouw de leider van een band zijn, betekent daar bijvoorbeeld zoveel meer dan hier. Vandaar ook dat zoveel Japanse muziek zo extreem klinkt, het is alsof iets zo onderdrukt wordt, dat het met een enorme explosie vrijkomt. Dat is ook waarom ik zoveel noise stuff van Japan zoveel beter vindt dan uit andere plaatsen. Het is interessant, want als je het vergelijkt met de Engelse noise scene van einde de jaren zeventig, begin de jaren tachtig, merk je dat er ook binnen die cultuur een heel sterke groepsgedachte aanwezig was. Daarom was het ook zo een krachtige beweging.Idem voor punkrock: de eerste golf kwam er gedeeltelijk uit muzikale reactie, gedeeltelijk vanwege de culturele omgeving waar het uit kwam. De laatste tien jaar is punkrock in de V.S. niet meer wat het was omdat we cultureel nog leven in de Clinton tijd. Iemand vertelde me laatst dat het enige positieve aan de verkiezing van Bush was dat punkrock opnieuw goed zal zijn, wat waarschijnlijk wel waar is (lacht)."

O'Rourke is een fervente filmfanaat, die in zijn werk regelmatig refereert naar het werk van Bunuel, Tati of Godard. De titels van zijn laatste platen (Bad Timing, Eureka, Insignificance)zijn trouwens allemaal gebaseerd op films van Nicolas Roeg. Recent werd het werk van O'Rourke zelf als referentiepunt geciteerd: de Japanse regisseur Shinji Aoyama inspireerde zich voor zijn briljante film Eureka (2000) op de gelijknamige plaat van O'Rourke en Daydream Nation van Sonic Youth.
"Oh, Wat een film!(enthousiast) Dat is een ongelooflijk compliment... Aoyama is een schitterende regisseur, ik hou van al zijn films."
O'Rourke werkt ook aan eigen filmprojecten. Zo maakte hij reeds een aantal soundtracks voor Picture in Light (1994, Peter Mettler & Andreas Zust) en Japan in Paris in L.A. (1997, Mike Kelley) en regisseerde zelf enkele kleinschalige films (hij maakt trouwens ook schilderijen). Nog plannen in die richting?
"Momenteel werk ik aan de soundtrack van Love Liza van Todd Louizo (Dick in High Fidelity, sd), een soort van donkere komedie in de stijl van Monte Hellman, een beetje zoals zijn Two-lane blacktop (1971), een drama met heel subtiele humor. De muziek is min of meer gemodelleerd naar de soundtracks die Jack Nitsche in de jaren zeventig schreef, zoals One Flew over the Cuckoo's Nest. Ik heb die laten horen aan de regisseur en die stijl bleek het best te werken: een subtiele, lichtjes annoterende toon, die in een soort van contradictorische manier inwerkt op de film."
"Op dit eigenste moment ben ik ook bezig aan de final cut van een eigen filmprojectje, starring John Travolta (lacht). Neen, ik heb het zelf niet gefilmd, ik ben de laatste tijd vooral films aan het maken met materiaal uit andere films en nu is dat een re-edit van De Palma's Blow-Up, heel leerzaam. Het zal gebruikt worden voor een performance die ik in maart zal doen, in de stijl van Phil Niblock (Amerikaanse mimimalistische componist,die tijdens zijn concerten vaak filmmateriaal gebruikt, zowel als visueel element als geluidsbron, sd)."
"Ik denk dat films altijd meer invloed op mijn werk hebben gehad dan muziek, vooral in de zin van organisatie en 'the big picture' van mijn muziek. Zeker Godard was een heel grote invloed, vooral in de manier waarop zijn werk simultaan films zijn en over de films zelf gaan (sic). Dat heeft een stempel gedrukt op alles wat ik doe. Filmmuziek op zich interesseert me niet zoveel, wel bijvoorbeeld het gebruik van muziek in Godard's Weekend, waar hij de verkeerde muziek gebruikt op de verkeerde tijdstippen, op rare plaatsen... zodat verwachtingen en interpretaties voortdurend gedwarsboomd worden."

In de jaren negentig richtte O'Rourke de labels Distemper en Dexter's Cigar op, die vooral dienden voor het heruitgeven van illuster werk van o.a. The Red Krayola, Derek Bailey en Merzbow. Deze labels vonden een vervolg in Mokai, dat naast reissues van Fennesz, Rafael Toral en Nuno Canavarro ook archiefmateriaal en nieuw werk van elektronische en minimalistische muzikanten uitbrengt.
"De laatste tijd is het wat kalm rond Mokai. Het laatste jaar zat ik financieel wat krapjes en het is ook zo dat de geplande projecten wat meer verwikkelingen met zich meebrengen, advocaten en zo... , maar ze krijgen langzaam maar zeker vorm. Heel veel projecten die ik plan nemen heel wat tijd in beslag, veel van die oude avant-garde types nemen immers ruim hun tijd om dingen gedaan te krijgen (lacht)."

“I’m going to a place
where women have nothing on
but their radio.
Turned up to 10
Too loud for me to think
I’m hoping if I blink
I don’t wake up here...”

(Happy Holidays)

Jawel, Jim O’Rourke is een van onze helden.

Volledige discografie.

Voor een ander interview: check The Wire iss. 213.
Reageer
Voornaam
Naam
Email
Reactie