"Life has dealt me some bum cards" Ed Crane
Het verhaal komt kortweg hierop neer: Ed Crane is een uitgebluste kapper in het burgerlijke Santa Rosa van 1949. Niets lijkt hem nog uit zijn sociale coma te kunnen sleuren, zelfs niet de vermeende affaire die zijn vrouw Doris heeft met haar baas Dave, iets waarover Ed droogjes in een doorrookte voice over opmerkt "well, it’s a free country". Tot hij op een dag een wel erg louche zakenman ontmoet die hem verleidt om samen in de droogkuisbizz te stappen. Ed moet hiervoor wel 10.000 dollar ophoesten. Om dat te kunnen doen besluit hij de minnaar van zijn vrouw te chanteren, een gedurfde zet voor een simpele kapper als Ed. En van dan af loopt alles mis en wordt simpele Ed meegesleurd in een opeenstapeling van gebeurtenissen waar hij al heel snel de controle over verliest.
Dit kan lijken op de samenvatting van een spannende film noir-thriller maar de Coens hebben er bewust voor gekozen om de film allesbehalve spannend te maken. Het tempo is absurd laag, er is slechts één shockmoment en de meeste dramatische gebeurtenissen spelen zich buiten beeld. Bij deze film is het hem allemaal te doen om de ‘flow’, je wordt meegezogen in een zeer weirde wereld zonder enig idee te hebben waar de reis naartoe gaat, het verhaal kan en gaat werkelijk alle kanten uit. De prent deed mij bij momenten qua gevoel zelfs denken aan Kubricks 2001: A Space Odyssey, ook zo’n ijskoude film die je meer ondergaat dan dat je bewust het verhaal zit te volgen, waarbij het hoofdpersonage door het verhaal dwaalt als een spook en geconfronteerd wordt met allerlei narigheden die voor hem gewoon te complex zijn om te vatten.
De hele film speelt zich af in het hoofd van Ed Crane, de man die er nooit echt bij geweest is, een ongelofelijke vertolking van Billy Bob Thornton. Zijn Ed Crane is één van de meest memorabele en tegelijk onopvallendste acteersprestaties die ik ooit heb gezien. Het is geniaal hoe de zeer zwijgzame kapper twee uur lang dezelfde stoïcijnse blik behoudt en toch elke scène steelt, zonder ook maar een vin te veroeren. Dit is non-acting van het hoogste niveau, de volgende stap is een lijk voor de camera plaatsen. En toch is dit volgens mij het eerste echt door en door menselijke hoofdpersonage uit een film van de broers, waar je als kijker echt medelijden mee kan hebben. Het is hartverscheurend wat er allemaal met arme Ed gebeurt, je zou hem een arm over de schouder willen leggen en hem meenemen op café voor een stevige borrel. Want Ed is echt zo’n herkenbare loser zoals de wereld er vol van loopt, een man die opgesloten zit in een wereld die hem niet meer boeit, maar die niet over genoeg lef beschikt om het roer resoluut om te gooien, en dan maar rustig vervelende etentjes en bingo-avonden ondergaat als een wandelend lijk.
Uiteraard hebben de broers Coen ook weer alles uit de technische trukkenkast gehaald om van The Man een oogstrelende prent te maken. Bij zowat al hun vorige films gingen ze hiermee soms wat uit de bocht, door te gretig te smijten met allerlei wilde camerabewegingen en duizelingwekkende montagespelletjes. Niets van dat in hun nieuwste, de Coens lijken hun technische meesterschap eindelijk perfect te beheersen en gebruiken het slechts als het echt nodig is, wat van The Man meteen ook hun meest ingetogen en mooiste film maakt tot nu toe. De beelden zijn van een ‘Kubrickiaanse’ schoonheid: loepzuiver en alles volgens een maniacale precisie uitgewerkt. Stof dwarrelde zelden zo mooi door de felbelichte kamer, schaduwen waren zelden zo scherp, om nog maar te zwijgen over de adembenemende sigarettenrook die steeds rond Ed’s wonderlijke hoofd slingert. Ik moest me bij momenten inhouden om niet midden in een scène een staande ovatie te geven voor weer maar eens een prachtig beeld.
Jezus, het kan misschien flauw beginnen klinken, maar er zijn zoveel aspecten van deze fantastische film waar ik nog euforisch over kan doen, er komt gewoon geen eind aan. Er zijn nog de vele geweldige acteersprestaties, zoals die van Frances McDormand als Ed’s vervreemde vrouw (een soort Evil versie van Marge uit Fargo) en James ‘Tony Soprano’ Gandolfini als de gechanteerde minaar. Er zijn ook de kleinere rolletjes die zoals zo vaak bij de Coens het grappigste zijn, zoals de twee stuntelende flikken die Ed met veel moeite proberen uit te leggen dat zijn vrouw net gearresteerd is (voor de moord die hij beging) en die deze vervelende taak steeds in elkaars schoen proberen te schuiven, één van de weinige echt hilarische momenten in deze voor het overige zeer grimmige film. Daar waar zowat alle vorige Coen-films veel ‘lachen-gieren-brullen’-momenten bevatten, zal je bij The Man Who Wasn’t There hoe langer hoe groener beginnen lachen, als de lijdensweg van Ed Crane steeds grotesker proporties aanneemt.
Ik mag ook niet vergeten een pluim te geven voor de muziekkeuze, vooral dan het sfeerbepalende gebruik van enkele van Beethoven’s pianosonates. Er bestaat geen beter middel om de gemoedstoestand van een steeds depressiever wordende Ed Crane te schetsen dan met Beethovens extreem droeve 'Moonlight Sonate'. Concluderend, The Man Who Wasn’t There is de meest ambitieuze en volwassen film van de Coen broertjes sinds hun surrealistische horrorprent Barton Fink. En Billy Bob Thornton verdient ieders eeuwige respect voor zijn ongelofelijke vertolking van het meest passieve personage aller tijden.






