Fuck the cork...
DE WIJNRUBRIEK VAN MORGEN (TEST!!!)
datum 02.12.2001
TEST Eén van de meest rottige en ook uitzichtloze situaties op een vrijdagavond na een zware week: als jouw mening over de theatervoorstelling die een ontspannend weekend in had moeten luiden, absoluut is tegengesteld aan die van al de rest. Zo verging het mij enkele dagen geleden, na de voorstelling “Het geval Woyzeck” van Bronstig Veulen. Een stuk dat ik zelf eigenlijk behoorlijk boeiend had gevonden. Een stuk waarvan mijn vrienden blijkbaar vonden dat het niet goed tot zeer slecht was. En mijn vrienden stonden met hun visie blijkbaar niet alleen. Een illustratie.
TEST Veruit de meest irritante vormen van theaterkritiek is kritiek die weigert te zoeken naar wat een theatermaker heeft bezield om te maken wat hij maakte. Kritiek die gestoeld is op nogal weinig eigentijdse normen, op waardeschalen die passé zijn. De negatieve kritische receptie die “Het geval Woyzeck” ook door bijvoorbeeld Fred Six (De Standaard, 26/11/2001) te verwerken kreeg, wordt precies door dit soort traagheid ‘gedreven’. En dat vind ik spijtig, want precies de criticus zou zich moeten bezighouden met het traceren van het (artistieke) waarden- en normenpatroon waarin een kunstenaar (of een collectief) zich inschrijft. Dat is waarschijnlijk een zware stelling waar velen hun gegronde bedenkingen bij zullen hebben. Maar de meest frustrerende en minst goed te verwerken vorm van kritiek – en dat is niet alleen voor kunstenaars zo – is waarschijnlijk kritiek op iets dat je niet zo had bedoeld.
“Uit hun performance spreekt nauwelijks enige emotionele of geestelijke betrokkenheid” schrijft Fred Six in De Standaard, en iets verder: “Geen van de spelers (…) ontpopt zich tot een boeiend personage”. Dat is waar. Maar ik heb geen moment getwijfeld aan het feit dat het hier vooral níet de bedoeling was een ‘personage’ uit te werken. ‘Het geval Woyzeck’ was voor mij een voorstelling die in de eerste plaats probeerde te spelen met symbolen, een voorstelling die probeerde een fragmentarische tekst ook fragmentarisch te laten zijn en als dusdanig te laten overkomen (Büchner (1813-1837) heeft zijn tekst nooit afgekregen en het is gebleven bij een reeks fragmenten). Het is een voorstelling geworden die deze versplinterde vorm in de eerste plaats probeerde te verrijken met een aantal terugkerende symbolen (het krijt, het hemd, de ventilators én het feit dat er geen coherente personages waren). Toen ik keek naar dit stuk heb ik de zoektocht naar ‘emotionele of geestelijke betrokkenheid’ of ‘boeiende personages’ al na hoogstens vijf seconden laten varen – omdat ze er niet waren en omdat ze er ook niet zouden komen. En vooral: omdat ze er niet moesten zijn.