No Man’s Land (Danis Tanovic - Bel/Fra/VK, 2001) * * *
Deze film, die doorging als vooropener van het Gentse filmfestival, twee dagen voor ie in de zalen zou worden uitgebracht, werd met veel bombardie aangekondigd als een ‘deels Vlaamse productie’. Dit kan uiteraard alles betekenen, bijvoorbeeld het leveren van de fritten op de filmset, of zoals in dit geval, het leveren van een goeie cameraman, zoals Walther van den Ende, die eerder al mooie plaatjes schoot bij Van Dormaele’s Toto Le Héro. De debuterende regisseur is Danis Tanovic, een inwijkeling uit Bosnië. Tanovic was minder dan tien jaar terug nog cameraman bij het Bosnische leger, twee jaar lang verbleef hij in de frontlinies en zag door zijn visier de gruwel van deze meer dan absurde oorlog tussen buren. Een ideaal uitgangspunt dus om een film te draaien over dit conflict dat voor velen van ons Westerlingen nog steeds onbegrijpelijk is. In dat opzicht is No Man’s Land een zeer goeie poging om, met eenvoudige middelen, een simpel verhaal en symboliek voor het hele gezin, ons het een en het ander duidelijk te maken over het conflict tussen Bosniërs en Serviërs, zo’n beetje de Hutu’s en de Tutsi’s van de Balkan. De film begint zeer sterk, met een spookachtige scène waarbij een groepje nieuwe Bosnische recruten door de zeer dikke mist naar de frontlinie worden gebracht. Uiteraard lopen ze verloren en worden bijna allen bij het ontwaken de volgende dag aan flarden geschoten. Twee mannen overleven het, ze belanden in een verlaten loopgraaf, samen met een eveneens gestrande, piepjonge Servische soldaat. De hele film speelt zich af in en rond die ene loopgraaf, tussen de twee fronten. Er ontspint zich een bij momenten absurd en surrealistisch verhaal, doorspekt met bijzonder cynische humor, tekenend voor het hele Joegoeslavische conflict. De uitzichtloosheid van het hele conflict wordt treffend geïllustreerd doordat één van de Bosnische soldaten de hele film door op een zogenaamde springmijn ligt, als hij beweegt ontploft de mijn en is iedereen dood, als hij blijft liggen sterft hij van de honger, hij kan geen kant op, de mijn kan niet uitgeschakeld worden. Ondertussen staan de twee anderen elkaar constant naar het leven. Normaalgezien groeien personages in dergelijke filmscenario’s uiteindelijk naar elkaar toe, en werken ze samen aan een oplossing. Niet zo bij deze film, de twee laten geen enkele kans liggen om elkaar te vermoorden, of elkaar ervan te beschuldigen met deze oorlog begonnen te zijn, desnoods met het geweer tegen het hoofd. Een mooi voorbeeld van hoe je met eenvoudige middelen een dergelijk complex conflict in kaart kan brengen.
En dan is er nog de UNO, die goed voor lul komt te staan in deze film. De blauwhelmen worden terecht afgeschilderd als besluiteloze, initiatiefloze en ronduit laffe nietsnutten die bij de minste dreiging snel de andere kant uitkijken, behalve als de internationale pers meekijkt. Afgezien van deze duidelijke sneer naar de zinloze inmenging van het Westen in een oorlog die ze niet begrijpen, blijft de schuldvraag in deze film mooi in het midden. Geen van beide partijen wordt echt op de vingers getikt, het is gewoon iedereens fout.
Kortom, een degelijke, eerlijke film die op gepaste wijze de absurditeit van elke oorlog, waar dan ook ter wereld, aankaart, zonder te willen moraliseren, of erger nog, beweren dat er hoop is. Het laatste beeld is dat van de Bosnische soldaat die nog steeds op de springmijn ligt, moederziel alleen, de twee andere soldaten hebben elkaar doodgeschoten, de UNO-top heeft de pers wijsgemaakt dat alles opgelost is, waarna ze weer achter hun veilige linies kropen om verder de kat uit de boom te kijken. Wie af en toe eens naar het nieuws kijkt weet dat die springmijn nog steeds op springen staat.
Millenium Mambo (Hou Hsiao Hsien - Taiwan, 2001) *
Een zware tegenvaller, deze oervervelende Millenium Mambo, van regisseur Hou Hsiao Hsien, die zou moeten doorgaan voor één van de vaandeldragers van de Taiwanese film. De beeldjes zijn best wel mooi, want geschoten door dezelfde cameraman als die van Wong Kar Wai’s prachtige In the Mood for Love (met de hilarische naam Mark Lee Ping-bing), maar deze kille, afstandelijke prent over de verloedering van de jeugd is vooral pijnlijk eentonig.
In één zin het verhaal: de jonge Vicki is al dat jaloerse gedoe van haar dopehead-vriendje beu en verlaat hem, daarna komen ze terug samen, ze hebben een knetterende ruzie, ze vertrekt weer, vindt een oudere man bij wie ze even blijft, gaat weer terug naar haar dopehead, vertrekt even later weer, enzovoort enzovoort. Heel moe werd ik er van, vooral dan door de algehele repetitiviteit van deze film, iets waarmee de regisseur waarschijnlijk het gevoel van verveling en doelloosheid bij de Taiwanese jeugd probeert uit te beelden. De personages strompelen maar wat rond, roken en drinken zich een ongeluk, de voice over bij dit alles is extreem verwarrend, net als de bijna onbestaande verhaallijn.
Nadat Vicki haar 200ste sigaret had aangestoken hield ik het voor bekeken, een sigaret aansteken kan ik zelf ook, alleszins een stuk boeiender dan deze hoop lucht.
Before Night Falls (Julian Schnabel-VS, 2001) * * *
Een best genietbare biografische film over Reinaldo Arenas, Cubaan, schrijver en homoseksueel, geen combinatie die leidt tot een lang en gelukkig leven. Het is de tweede prent van Julian Schnabel, die in 1996 Basquiat uitbracht, ook al een biografische film, over de schilder Jean Michel Basquiat, die onder de hoede van Andy Warhol (vertolkt door David Bowie) een korte maar krachtige carrière beleeft. Schnabel is zelf van opleiding schilder, en dat vertaalt zich ook in zijn tweede film. Zelden heb ik het sowieso al magische Cuba zo sprookjesachtig uitgebeeld gezien, maar dan wel zoals een sprookje dat grimmiger is dan Grimm. De diepe, exotische kleuren druipen van het scherm, zeker in het eerste, erg melancholische kwartier, waarin we de jeugd van Reinaldo Arenas zien, arm maar tevreden. Dat laatste lijkt één van de centrale thema’s te zijn in deze film : we zien hoe de Cubaanse bevolking zich door de decennia heen met een grote glimlach op het gezicht door de ellende sleept, hoe ze het lijden omzetten in humor en feesten. Toch is dit geen onvoorwaardelijke pro-Castro film, verrevan. Halverwege wordt de sfeer heel grimmig, als Castro eind jaren zestig zijn strijd tegen contrarevolutionaire elementen opvoert, in dit geval dan de homoseksuelen van Cuba, wat prachtig samengevat wordt in een adembenemende sequentie die toont hoe homofeestjes woest uiteen geslagen worden en hoe alle mannen verdwijnen in gruwelijke concentratiekampen met idyllische namen (in de stijl van ‘Kamp Zomervreugde’). De muziek bij deze sequentie is Gustav Mahler’s 5° symfonie, een bloedmooie stuk dat sinds Death in Venice een uitgesproken homosymboliek met zich meedraagt.
De zeer slopende rol van de rebellerende schrijver Reinaldo Arenas wordt indrukwekkend vertolt door Javier Bardem (eerder in Almodovar’s Carne Tremula), een vertolking die ongetwijfeld zijn carrière zal lanceren als een kruisraket. De marketing rond de film pakt ook graag uit met de aanwezigheid van grote Amerikaanse sterren als Sean Penn en Johnny Depp (in een dubbelrol). Feit is dat hun beider aanwezigheid in de film alles samen nauwelijks meer dan 5 minuten beslaan. Penn zet een totaal ongeloofwaardige Cubaanse boer neer door modder op zijn gezicht te smeren en een soort Cubaans-Engels te spreken waar een standup comedian nog niets eens aan durft raken. Depp verbaast wel nog eens door zijn leuk rolletje als travestiet alias dame van plezier in de gruwelijke gevangenis waar Arenas belandt voor zijn homoseksueel zijn. De travestiet Bon Bon blijkt zeer goed te zijn in het binnen en buiten smokkelen van goederen, via zijn rectum. Zo slaagt hij erin een volledig manuscript van Arenas naar buiten te smokkelen, rectumgewijs.
Al bij al, een mooie film, naar het einde toe wat slabbakend, we belanden dan ook samen met het hoofdpersonage in het druilerige New York, anders de plek van mijn dromen, maar na anderhalf uur in het tropische Cuba te hebben vertoeft toch een afknapper. De film redt zichzelf dan weer dankzij een van de meer integere en warme zelfmoordscènes die ik in lange tijd gezien heb.
Olivetti 82 (Rudi Van den Bossche - België, 2001) * *1/2
Het klinkt als een contradictie, maar het mag gezegd worden: dit is nog eens een degelijke Vlaamse film. Misschien is het omdat ik hoofdacteur Dirk Roofthooft altijd wel kan appreciëren, zelfs nu hij een orthodoxe jood vertolkt (wat nu niet meteen mijn favoriet soort mens is, ik ben allergisch aan die tressen en bleke koppen). Misschien was het omdat dit eens niet één van die Vlaamse films is die teveel zijn best doet om wereldschokkende cinema te maken, en daar dan pijnlijk in falen. De film gaat rustig zijn gangetje, we worden met een mysterieuze moord geconfronteerd, het personage van Roofthooft, een schrijver, is verdachte nummer 1, maar de politiemannen krijgen geen woord van hem los, dus laten ze hem zijn verhaal doen op een oud typemachine, vandaar Olivetti 82. Of misschien vond ik de film wel goed omdat het hoofdpersonage zwaar pedofiele en incestueuze neigingen heeft, en zoals iedereen weet behoren de pedofielen al een aantal jaar niet meer tot onze grote Nationale Helden, lekker gewaagd dus. Ook het originele gebruik van voice overs vond ik best te pruimen: terwijl de hoofdverdachte zijn verhaal doet zien we tegelijk hoe het echt gebeurde, en dat is vaak totaal iets anders dan wat meneer ons vertelt.
Of vond ik de film goed omdat ik zo stoned als een ei naar de bioscoop ben gewaggeld? Wie zal het zeggen. Hoe dan ook : als je dan toch eens een financiele steuntje wil geven aan de arme Vlaamse film, geef dan eens 250 frank uit aan deze film.
Hedwig and the Angry Inch (John Cameron Mitchell - VS, 2000)
* *
Deze film past mooi in de reeks van dolle rockmusicals zoals The Rocky Horror Picture Show en Phantom of the Paradise, films bedoelt voor een klein groepje cultfreaks met een voorliefde voor alles wat fout is. Hoofdfiguur is Hedwig, een Oostduitse, mislukte transseksueel die vlak voor de val van de muur naar Amerika reist om er een rockdiva te worden. Daar leert hij - blowjobgewijs - de jonge Tommy kennen. Samen schrijven ze liedjes en kennen hun eerste successen. Maar zodra Hedwig laat zien hoe mislukt zijn sexoperatie wel niet is zet Tommy het op een lopen en gaat zijn eigen, zeer succesvolle weg, met Hedwig’s liedjes. Hij wordt een megaster, Hedwig en zijn band The Angry Inch (een verwijzing naar het resterende stompje van zijn geslacht) touren de States door op te treden voor bejaarden in coffeeshops en restaurants. Afgezien van de soms erg walgelijke liedjes ziet de film er nog best mooi uit, met enkele knappe animatiestukken en grappige flashbacks waarin we de tragikomische jeugd van Hedwig in het armzalige Oost-Duitsland te zien krijgen. Maar die laatste twintig minuten met uitsluitend de ene slechte song na de andere was er net teveel aan en het slot van de film is behoorlijk vaag. Er was wel nog een leuk meezingmoment, maar dat sloeg niet echt aan bij de aanwezigen. Gelieve bij deze film rijst en waterpistooltjes thuis te laten.
Italian for beginners - Dogme # 12 (Lone Scherfig - Denemarken, 2001)
* * *
Drie jaar terug werden de eerste 2 Dogmafilms op de wereld losgelaten: The Idiots (Lars von Trier) en Festen (Thomas Vinterberg), twee mokerslagen van films, vol psychologische en familiale terreur. Een jaar later volgden nog het veel zachtere, eerder romantische Mifune en het overrompelend experimentele Julien Donkey-boy (zie Urban-archief). Sindsdien hebben de Dogmaregels nog maar weinig spectaculairs opgeleverd. De rek zat er in, de formule begon doorzichtig te worden: door het ontbreken van special effects en andere technische snufjes moest de klemtoon wel liggen op de psychologie van en de relaties tussen de vaak stereotype personages.
Ook Italian for beginners, de 12° Dogmafilm (de vijfde uit Denemarken) en de eerste van een vrouwelijke regisseur, vertrekt met een bende van 9 duidelijk omlijnde personages, elk met hun herkenbare kwaaltjes, en laat hen naar hartelust botsen en mixen. Dat maakt het eerste half uur eigenlijk wat vervelend, een soort Dogma-déjà vu. Maar gelukkig redt de film zichzelf door resoluut voor één richting te kiezen: die van de humor. Dat maakt van Italian for beginners de eerste volbloed Dogma feel good movie. De inhoud is ook een stuk luchtiger dan gewoonlijk (geen incest, wel een vleugje euthanasie en een wolkje blasfemie). Het is een film geworden over vriendschap en liefde. Zes uiteenlopende mensen, allemaal vrijgezellen en allemaal op zoek naar geluk, belanden in dezelfde avondles Italiaans. De rest laat zich raden. Ondanks de hoge voorspelbaarheidsfactor toch goed gelachen met deze komedie, dankzij die heerlijk Deense humor, soms kinderachtig, soms behoorlijk zwart (ik hoorde weer veel ‘hohoho’s’ bij de mannen en ‘ai nee’s’ bij de vrouwen).
Over het algemeen kreeg Italian for beginners van het publiek een warm onthaal, ik heb veel lachende gezichten gezien bij het buitenkomen, maar dat kan ook aan de laaghangende zon gelegen hebben. Hoe dan ook, het was geen verloren moeite, ik heb tenminste een woordje Italiaans opgestoken.






