Meest recente artikels:
Summerschool Kunstkritiek
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Review Dit is mijn vader
Meer artikels van Sam Steverlynck:
Ruben Kindermans: De Johnny Knoxville van de Vlaamse kunst
Watou 2007: in de ban van de stilte
Anima 2007 - Onedotzero Spectrum #1 en #2
IN DE VOETSPOREN VAN BRASSENS
datum 27.10.2001
rubriek Muziek
Sète, een Frans havenstadje aan de Middelandse Zee met ongeveer 60.000 inwoners. Een groepje bejaarde mannen troept samen om pétanque te spelen of om een pastis te nuttigen. De vele plezierbootjes, huizen in frisse kleuren en visrestaurantjes zorgen voor een typische mediterrane sfeer. Een stadje zoals er zovelen zijn in Zuid- Frankrijk, ware het niet dat de zanger/ dichter Georges Brassens (1921-1981) hier 80 jaar geleden geboren werd, 20 jaar geleden begraven en sinds tien jaar zijn eigen museum heeft.
Behalve Brassens is ook Paul Valéry (1871-1945) in Sète geboren en begraven. Ondanks het feit dat hij zijn liefde voor zijn geboortestad uitdrukte met de woorden “Je suis né dans un de ces lieux où j’aurais aimé de naître” wordt hij hier nogal stiefmoederlijk behandeld. Er is weliswaar een museum naar hem genoemd maar dat wijdt slechts één zaaltje aan de dichter. In het zaaltje worden verschillende uitgaven van zijn dichtbundels tentoongesteld, alsook bewerkte manuscripten, geïllustreerde gedichten en een paar van zijn tekeningen. En daar blijft het dan ook bij.
Brassens daarentegen wordt gekoesterd door zijn geboortestad. In sommige bakkerijen staat zelfs een ingekaderde foto van de chansonnier. Het verwondert me dan ook dat de buschauffeur, nadat ik hem verteld heb dat ik Belg ben en het Brassens museum wil bezoeken, me verbaasd toeroept: “Mais vous avez votre propre Brassens!” Hij vertrouwt me zelfs eerlijk toe dat hij onze Brel verkiest boven Brassens. Achteraf blijkt dat hij niet van de streek is, hetgeen wellicht zijn objectiviteit en gebrek aan vooringenomenheid verklaart.

Een leuke manier om de stad verkennen is via de Brassens route. Te voet duurt het traject zo’n anderhalf uur. Je kuiert door pittoreske hoekjes en snuift de sfeer op die zo bepalend is geweest voor het oeuvre van de bon vivant.
De zanger met de obligate pijp in de mond lacht ons vriendelijk toe op een affiche. Het blijkt reclame te zijn voor het restaurant annex cabaret “Les amis de Georges” in de rue Maurice Clavel. Voor 125 FF krijg je er het menu Georges Brassens dat voornamelijk bestaat uit specialiteiten van de streek, terwijl verschillende muzikanten Brassens’ nummers coveren.

We komen aan bij Les Halles, een overdekte markt waar in verschillende kraampjes regionale producten, en dus vooral zeevruchten, worden aangeboden. Wat verderop ligt het gezellige cafeetje “Mon petit bar” waar de pastis rijkelijk vloeit en het schaterlachen van de stamgasten in de straat weerklinkt. Dit is typisch voor de vrolijke ongebondenheid van de inwoners. In “Supplique pour être enterré à la plage de Sète” kenschetst Brassens de mentaliteit van het stadje aan de hand van de reactie van de kapitein bij een schipbreuk: “Je suis le maître à bord!/Sauve qui peut! Le vin et le pastis d’abord!”

Vervolgens gaat de tocht naar La Place Aristide Bruant, een aangenaam pleintje met platanen en een kiosk waar openlucht concerten gegeven worden. Het pleintje blijkt vooral populair te zijn bij oudere mensen, de ideale doelgroep om wat impressies over de chansonnier op te doen. Iedereen in het stadje blijkt de zanger wel eens tegengekomen te zijn of beweert hem gekend te hebben. Een bejaarde man vertelt me dat de begrafenis van de zanger in alle discretie is doorgegaan op 31 oktober in 1981 om acht uur ‘s morgens. Slechts weinigen waren ervan op de hoogte.

Als je het pleintje doorloopt, kom je aan de Médiathèque François Mitterand waar de tentoonstelling “Sètois en Image”op zijn laatste beentjes loopt. De dilettante ernst waarmee de tentoonstelling gepresenteerd wordt, roept de satirische woorden uit “La Ballade des gens qui sont nés quelque part” bij me op: “Maudits soient ces enfants de leur mère patrie/ Empalés une fois pour tout’s sur leur clocher,/Qui vous montrent leurs tours, leurs musées, leur mairie,/ Vous font voir du pays natal jusqu’à loucher.”
Zijn liefde voor Sète verhinderde Brassens niet de spot te drijven met het provincialisme en de kerktoren mentaliteit die ook in zijn geboortestad heerste. De Brassens wandeltocht mag dan nog interessant zijn om de sfeer van zijn chansons beter te begrijpen, de cynicus zou er zeker mee gespot hebben.

Nu breekt een steile beklimming aan. We begeven ons richting geboortehuis van de zanger. De hellende wegen en brandende zon maken het ons niet bepaald gemakkelijk. We flaneren langs kleine straatjes waar de was te drogen hangt. Dit lijkt wel één van de vele Italiaanse invloeden die het stadje met graagte overgenomen heeft. Sète kende vroeger veel Italiaanse immigranten. Brassens’ moeder, Elvira Dagrosa, was een Napolitaanse. Het feit dat ze steeds liedjes zong, had een grote invloed op de kleine jongen die al gauw de gewoonte van zijn moeder overnam. In “Maman, papa”, een invocatie van zijn kindertijd, zingt hij: “Maman, maman, je préfère à mes jeux fous,/Maman, maman, demeurer sur tes genoux,/Et, sans un mot dire,entendre tes refrains charmants.”
Het is in deze kleine straatjes dat de jonge Brassens kattenkwaad uithaalde. De sfeer van de steegjes met hun eigenaardige lichtinval lijkt wat op het schilderij “De Straat” van Balthus.
De straat waar Brassens opgegroeid is, is als eerbetoon naar hem vernoemd. Het geboortehuis is zeer sober. Alleen een gedenksteen met daarop de vermelding dat hij in dit huis geboren werd op 22 oktober 1921, herinnert aan de zanger.

Op een steenworp van het geboortehuis liggen “les Jardins du Château d’Eau”. Het was in dit park dat voor heel wat inwoners van Sète de eerste kus plaatsvond. Misschien was het wel hier dat Brassens zijn inspiratie haalde voor het nummer “Les amoureux des bancs publics”: “Les amoureux qui s’bécot’nt sur les bancs publics, (...) En s’disant des “Je t’aim’ ” pathétiques, Ont des p’tit’s gueul’s bien sympathiques!”
Veel gekust wordt er in elk geval niet. Behalve een oude dame is er niemand.

Het traject vervolgend, bereik ik het lycée Paul Valéry. Het is in dit gebouw dat de jonge Brassens door zijn leraar Alphonse Bonnafé aangemoedigd werd om gedichten te schrijven. Bonnafé heeft een belangrijke rol gespeeld in het leven van de zanger doordat hij hem in contact heeft gebracht met de poëzie van Baudelaire, Verlaine, Rimbaud, Mallarmé en Apollinaire. Een kwart eeuw later zou Brassens in een interview verklaren: “Bonnafé m’a encouragé, dès le collège, à écrire. Et, chaque fois que je me suis mis à faire une chanson, je me suis dit: “Est- ce que cette chanson plairait à Bonnafé?””

De rue Paul Valéry afdalend, passeer ik de Saint- Joseph kerk. De boekenwinkel naast de kerk heeft een ruim aanbod van boeken over Brassens, Valéry en Sète. Dit lijkt de enige vorm van Brassens commercie in het stadje. Gelukkig vind je in toeristische winkels geen Brassens prullaria of gadgets. Alleen af en toe een ingekaderde foto van de zanger en daar blijf het bij.

Ondanks het feit dat Brassens verklaarde dat zijn jeugdjaren in zijn geboortestad belangrijk waren voor zijn verdere ontwikkeling heeft hij Sète vrij vroeg verlaten. Zoals zovelen bezweek hij voor de lokroep van het bohème leven in Parijs. Dit betekende echter niet dat hij zijn geboortestad voorgoed de rug had toegekeerd. Een oude visser die zijn netten aan het herstellen is, vertelt me dat de zanger vaak terugkwam om oude vrienden op te zoeken of om te gaan vissen met zijn broer. Maar hij bleef nooit lang: “C’était un artiste, quoi.”

Ondanks zijn vele ronddwalingen uitte de chansonnier in “Supplique pour être enterré à la plage de Sète” de wens om aan het strand La Corniche begraven te worden: “Juste au bord de la mer, à deux pas des flots bleus, / Creusez, si c’est possible, un petit trou moelleux”. Op het strand van La Corniche vindt men een gedenksteen ter zijner herinnering. Om Brassens’ graf te bezoeken moet men zich echter naar het kerkhof Le Py begeven. Zijn wens om op het strand begraven te worden is niet vervuld, maar hij rust uiteindelijk toch “entre le ciel et l’eau” vlak bij l’Etang de Thau. Ondanks de vele pijltjes die zijn graf aangeven, loop ik er tweemaal aan voorbij. Ik vraag hulp aan een voobijganger en die me de weg wijst naar een eenvoudig graf zonder foto’s of decoratie. Indien de graftombe niet overladen was met bloemen had ik haar wellicht niet gevonden. Het is een familiegraf dat hij deelt met zijn ouders en zijn geliefde Joha Heymann (die hij Püppchen noemde). Achter het graf is een boom gepland als knipoog naar de verzen in “Le Testament”: “Est-il encor debout le chêne/ Ou le sapin de mon cerceuil?”

Op een steenworp van het kerkhof ligt “L’Espace Georges Brassens”, het museum dat aan de zanger gewijd is. Met een hoofdtelefoon doorlopen we de zaaltjes die thematisch ingericht zijn en de verschillende periodes in Brassens’ leven bestrijken. We volgen hetzelfde chronologische verloop als tijdens de wandeltocht maar deze keer fluistert Brassens ons commentaar in met zijn typische Zuiderse tongval. De organisatoren hebben gekozen voor deze aanpak om een intieme band te smeden tussen het publiek en de artiest. Jammergenoeg laat de hoofdtelefoon het vaak afweten. Terwijl de zanger ons toelichting geeft, bekijken we allerlei documenten zoals foto’s, brieven, kattenbelletjes en oude krantenknipsels die zijn leven en werk illustreren.

Na de kindertijd op het ritme van de liedjes die zijn moeder zong, breekt de jazz periode aan en zijn verblijf in Parijs. Een overvloed aan foto’s geeft een geslaagd beeld van het cabaret leven. Er zijn ook veel kiekjes met bevriende artiesten zoals Charles Trenet, door wie hij in zijn beginjaren sterk beïnvloed was.

Het beeld van Brassens dat in het collectief geheugen gegrift is, is dat van de glimlachende man met de snor en de pijp. Uiteraard ontbreekt een onmisbare relikwie zoals de pijp niet maar gelukkig gaat de tentoonstelling verder dan dergelijke clichés. De organisatoren van het museum hebben getracht om zich niet te beperken tot het biografische. Ze besteden uitgebreid aandacht aan de liedteksten en de wisselwerking tussen de zanger en diens oeuvre. Door het louter biografische niveau te overstijgen zijn de organisatoren niet in de val getrapt van een personencultus die vaak uitmondt in fetisjisme en onbenullige anecdotiek.

Het oeuvre van de zanger wordt benaderd vanuit verschillende thema’s. Eén zaal is gewijd aan zijn non-conformisme en de periode waarin hij satirische stukken schreef voor het anarchistische blaadje “Le libertaire”.

Aan de teksten en de manier waarop die tot stand kwamen wordt veel aandacht besteed. We krijgen een interessante blik op het schrijfproces. Naast een met de hand geschreven chanson met veel doorhalingen ligt de “Dictionnaire des Rimes Françaises”. Het is algemeen bekend dat Brassens een perfectionistische taalvirtuoos was en dat hij bij het schrijven nauwgezet te werk ging. Hij kauwde zijn woorden zeer nauwkeurig en was steeds op zoek naar het perfecte woord. De rigoureuze manier waarop hij zijn teksten schreef, wordt geïllustreerd aan de hand van verschillende versies van éénzelfde chanson. Soms herwerkte hij één nummer tot tienmaal toe alvorens hij het gewenste resultaat bereikt had.

Brassens heeft ook een aantal literaire werken gepubliceerd. Naast een paar dichtbundels schreef hij in 1953 de roman “La Tour des Miracles”. Aanvankelijk werden zijn literaire werken lauw ontvangen, maar in 1967 ontving hij “Le Grand Prix de la Poésie” van de Académie française.

Een aparte zaal is gewijd aan de vele dichters die Brassens op muziek zette. Naast zijn favoriet Villon, heeft hij ook werk van Hugo, de Musset, de Banville, Verlaine en Aragon geadapteerd.

Interessant is ook het feit dat het oeuvre van Brassens in een breder cultuur-historisch kader geplaatst wordt. Het is verhelderend om de geschiedkundige context te zien waarin zijn chansons ontstaan zijn. Deze aanpak illustreert de invloed van de jazz cultuur en het existentialisme op de chansonnier. Het is ook leuk om weten dat zijn roman “La Mauvaise Réputation” in 1954 zonder succes werd uitgebracht terwijl Françoise Sagan een succès de scandale teweegbracht met haar “Bonjour Tristesse” en Simone de Beauvoir de Prix de Goncourt ontving voor “Les Mandarins”.

Verder is er ook een projectiezaal in het museum waar om de veertien dagen verschillende interviews of live optredens vertoond worden. Het is aandoenlijk om de zanger live bezig te zien. Wat transpiratie betreft moet hij niet onderdoen voor Brel. We zien hoe het zweet van zijn snor druipt. De chansonnier knikt wat onwennig bij de staande ovatie en speurt zenuwachtig de zaal in. Hij buigt het hoofd waardig en glimlacht wat gegeneerd bij dit eerbetoon.
Het is met dit beeld voor ogen dat ik me hem voorstel terwijl hij ontroerd dankt voor de postume hommages in de vorm van optredens, reportages en publicaties. Over de status van onsterfelijkheid die hem verleend werd, merkte hij in één van zijn vele kwinkslagen op: “Tu devrais savoir qu’ici-bas, rien n’est éternel... pas même l’immortalité!”

“L’espace Georges Brassens” is iedere dag te bezichtigen van 10 tot 12 en van 14 tot 18, behalve op maandag. Het museum bevindt zich op 67, Bld Camille Blanc, Sète.
Het restaurant annex cabaret “Les Amis de Georges” bevindt zich in 38, rue Maurice Clavel, Sète en is open op donderdag-, vrijdag- en zaterdagavond. Reservatie: 04/67.74.38.13.
“Le Musée P. Valéry Beaux -Arts et Traditions Sétoises”, Rue F. Desnoyer te Sète is iedere dag open van 10 tot 12 en van 14 tot 18, behalve op dinsdag en op feestdagen.
Een plannetje van de Brassens route is te verkrijgen bij de dienst voor toerisme, 60, Grand’rue Mario Roustan, Sète.
Reageer
Voornaam
Naam
Email
Reactie