'My first movie' - Stephen Lowenstein (faber and faber)
HOE MAAK IK EEN FILM, DEEL 5: HET DEBUUT
datum 24.09.2001
In de filmwereld doen talloze mythes de ronde, mythes die filmfanaten, die er van dromen om zelf eens hun kans te wagen, vaak compleet ten onrechte doen wanhopen. Om een film te kunnen maken moet je over zeer veel kapitaal beschikken. Om een film te kunnen maken moet je alle technische knepen van het vak kennen. Zonder een prestigieus diploma, een indrukwekkende CV en twee lange armen geraak je nergens…
Gelukkig duiken er af en toe verhalen op die het tegendeel bewijzen. Of een goed boek, zoals 'My first movie', een eerder dit jaar bij faber & faber verschenen boek vol interviews met bekende en minder bekende regisseurs die mijmerend terugblikken op hun eerste, vaak erg wankelende stappen in de filmwereld. De meest in het oog springende namen zijn Joel en Ethan Coen, Steve Buscemi, Oliver Stone, Kevin Smith, Pedro Almodovar, Mike Leigh en Ken Loach. Documentaire- en filmmaker Stephen Lowenstein bundelde al deze gesprekken in een erg onderhoudend boek dat komaf maakt met alle bovenvermelde mythes.
Keer op keer lees je hetzelfde
verhaal: hoe alle debutanten jarenlang moesten ploeteren om eindelijk hun ding
te kunnen doen, de talloze tegenslagen, de muren van onverschilligheid waar ze
tegen aan botsten, de jaren van armoede en depressie ten gevolge van de
onvervulde dromen. Al die ellende werpt telkens dezelfde vraag op: wie is nu zo
gek om zo ver te gaan? Het antwoord bleek telkens verrassend simpel: geen enkele
van de regisseurs kon zich een andere job voorstellen of waren simpelweg niet in
staat om een normale 9-to-5-job uit te oefenen. Legendarisch zijn de verhalen
van David Lynch over diens 1001 jobs die hij deed voor hij Eraserhead maakt,
telkens werd hij na een paar dagen ontslagen omdat hij niet op tijd uit zijn bed
geraakte, of tijdens de werkuren lag te maffen, "work would start at 8
o'clock in the morning, and I would get physically sick, you know, if I got up
early, so I got fired!
" ( uit 'Lynch on Lynch').
Voor de meesten was het dus niet louter een kwestie van talent of geluk dat ze in de filmbizz belandden, ze hadden gewoon geen andere keuze: voor P.J. Hogan (Muriel's wedding) was het regisseren of doppen, voor Ang Lee regisseren of koken ("maar koken bracht geen geld op dus ging ik maar films maken").
Zodra ze die belangrijke keuze maakten om zich volledig te wijden aan Film werden de meesten geconfronteerd met het eerste grote probleem, iets wat wel eens een 'Catch-22' wordt genoemd. Een Catch-22 (naar het gelijknamige WOII-boek van Joseph Heller) is een legerterm die opdook wanneer een piloot van een bommenwerper beweerde te gek te zijn geworden om nog zo'n gevaarlijke vlucht te maken, waarna een legercommandant Catch-22 opwierp: "je moet gek zijn om zo'n levensgevaarlijke missies te vliegen. Dus, als een piloot oppert dat hij te gek is om nog te vliegen, dan is hij helemaal niet gek. Dus, moet hij blijven vliegen"). Een lange uitwijding, enkel om aan te tonen dat een groot deel van de filmindustrie ook een dergelijke, geflipte logica hanteert: in de industrie kan je pas beginnen regisseren als je al ervaring hebt met regisseren. Vraag is: hoe doe je dan de nodige ervaring op als je niet mag regisseren?
Antwoord: doe het zelf.
En dat is wat alle geïnterviewden deden, en dat maakt dit boek zo boeiend. Met een absoluut minimum aan geld en kennis gingen ze aan de slag, buiten de industrie om, en enkelen van hen leverden fantastische debuutfilms af en lanceerden zo hun carrière.
Nadat de regisseurs eenmaal hadden besloten om hun eigen weg te gaan werden ze algauw geconfronteerd met het probleem van geld inzamelen. Als een studio of productiehuis je project ziet zitten krijg je een budget en kan je aan de slag. Maar als je zelf het geld bij elkaar moet krijgen is het improviseren geblazen. En daar zijn sommigen al meteen heel creatief mee geweest. Berucht is het verhaal van Robert Rodriguez, die om zijn debuut El Marriachi te kunnen maken zijn lichaam ter beschikking stelde van de medische wereld en talloze test onderging om toch maar aan geld te geraken. De gebroeders Coen lieten zich inspireren door hun vriend Sam Raimi die geld verzamelde voor The Evil Dead door met een als smaakmaker dienende 8mm-trailor dokters- en tandartspraktijken plat te lopen en zo aandelen te verkopen in zijn film (er niet bijzeggend dat de winst er waarschijnlijk nooit zou komen). De Coen's maakten ook een trailer en gingen letterlijk deur-aan-deur met een projector om de mensen geld af te troggelen. Hun doelgroep was duidelijk: die grote massa van mensen die wel artistieke ambities hebben, en veel centen, maar 0% creativiteit.
'Limited Partnership' heet zo'n investeringsmodel, je verkoopt aandelen aan particuliere investeerders en belooft hen een deel van de winst, wat natuurlijk het risico inhoudt dat je bij een flop voor de rest van je dagen schulden kan afbetalen.
Nog gevaarlijker ging het er aan toe bij de financiering van Kevin Smith's hilarische debuut Clerks: Smith betaalde zijn film met bankkaarten, zonder zelf geld te hebben. In Amerika kan je in principe zoveel bankkaarten krijgen als je maar wil, zolang je een stevig inkomen hebt (of als je ze dat wijs maakt). Bij elke kaart die je krijgt mag je tot een bepaald bedrag onder nul gaan, bijvoorbeeld 10.000 frank. Als je er in slaagt 10 verschillende kaarten te krijgen heb je toch al een mooi startbedrag bijeengespaard. Hoe je dan later weer al die kaarten gaat afbetalen is een vraag waar je op dat moment best niet teveel over nadenkt.
Eenmaal het geld en de middelen bij elkaar geschraapt
beginnen de opnames, en de nieuwe problemen. Hoe moet dat nu eigenlijk, een film
opnemen? Op dit punt is het boek briljant omdat het één van de meest
ontmoedigende mythes van het films maken doorprikt, namelijk dat je massa's
technische kennis moet hebben om er überhaupt aan te kunnen beginnen. Dat blijkt
dus bullshit te zijn. Al wie regelmatig een film van de broertjes Coen bekijkt
is onder de indruk van de technische hoogstandjes en de professionaliteit die
van het scherm spatten, ook in hun weergaloze debuutfilm Blood Simple (vorig
jaar nog heruitgebracht). Wel, wat blijkt? De broertjes wisten bij god niet waar
ze mee bezig waren: "The first day of shooting on Blood Simple was the first
time I'd ever been on a movie set in any capacity, even as a visitor. Everyone
was the same: Barry (de cameraman) would look at the dailies and throw up; the
gaffer had never gaffered before, the mixer had never mixed before, etc.
Everyone was doing their job for the first time.
"
Hetzelfde hoor je bij de meeste andere geïnterviewden. Kevin Smith stopte halverwege zijn filmopleiding (nog voor het technisch gedeelte begonnen was), om het resterende cursusgeld te gebruiken voor zijn debuutfilm. Toen hij op de set stond wist hij niets te zeggen tegen de cameraman, hij wist zelfs niet dat je verschillende lenzen kon gebruiken.
Blijft de vraag: regisseren, hoe moet dat nu? Hoe zet je een scène in elkaar, waar moet de camera staan en wat moeten de acteurs doen?
Veel geïnterviewden geven toe dat ze aanvankelijk de mosterd ergens anders haalden door inspiratie te putten uit films die ze goed vonden.
Er wordt dan ook opvallend veel verwezen naar Jim Jarmusch en dan vooral diens prachtige debuutfilm 'Stranger than paradise', een film waar de camera niet één keer beweegt, hij staat telkens gewoon op één plaats en blijft filmen tot de scène is afgelopen, zonder dat de film hierdoor minder boeiend wordt.
De geïnterviewden concludeerden hieruit dat je bij een debuut niet meteen moet proberen om een nieuwe Citizin Kane te maken en de kijker te vervelen met een orkaan van visuele hoogstandjes. Hoe meer je jezelf probeert te overtreffen, hoe groter de kans op een totale mislukking.
Dat een
gebrek aan technische know how een zelfs groot voordeel kan zijn wordt ook
aangegeven door Pedro Almodovar, nu de koning van de Spaanse film. Almodovar
zegt dat hij nu, met meer dan 10 films op zijn palmares, telkens als hij een
nieuwe scène wil filmen, bedolven wordt onder alternatieven: tientallen
mogelijke hoeken om uit te filmen, talloze bruikbare lenzen en filters, etc. Bij
de eerste keer weet je niet eens dat al die mogelijkheden bestaan, je doet
gewoon maar wat, filmen op intuïtie. Hij beweert, net als vele van de regisseurs
in het boek, heimwee te hebben naar die tijd, omdat hij nooit meer zo veel
creatieve vrijheid kende als toen. Bij een eerste keer, zeker als je zelf het
financiële risico draagt, en dus de baas bent, kan je eigenlijk doen wat je wil,
of zoals Stephen Frears het uitdrukt: "you can't help but be original when
you make your first film, there's no one to say, 'don't be an idiot!' because,
after all, you are the director!
"
Het laatste grote obstakel om je eerste film in te blikken
blijft de bijna onmenselijke inspanning die het kost om zoiets gedaan te
krijgen. Aangezien je er op het moment zelf niets aan verdient (en meer dan
waarschijnlijk achteraf ook niet) ben je genoodzaakt om op een andere manier -
en tegelijk - je brood te verdienen. David Lynch buste overdag kranten en filmde
's nachts Eraserhead; Steve Buscemi en Gary Oldman gingen tussendoor in grote
Hollywoodfilms acteren om hun eigen project rond te krijgen (Oldman:
"'Airforce One' paid for my mix!
"); Kevin Smith werkte de hele dag in een superette en 's nachts filmde hij Clerks in dezelfde superette, slapen deed hij vaak achter de toonbank; P.J. Hogan moest soms tussen twee opnames in alles stilleggen omdat hij moest gaan doppen.
Uiteraard is het einde van alle interviews (Succes!
Erkenning! Geld! Carrière!) een beetje ontnuchterend. Het gaat uiteraard om een
collectie van succesverhalen. Alle debuutfilms die aan bod komen waren een
succes, al was het niet altijd commercieel, ze slaagden er toch steeds in de
carrière van de cineast te lanceren. Het is jammergenoeg zéér weinig debutanten
gegeven om zoals Kevin Smith, na de eerste vertoning van Clerks op het Sundance
Festival aan een tafeltje te belanden met de beruchte en gevreesde
Miramax-producent Harvey Weinstein en hem, op die typisch arrogante,
wereldvreemde producenten-wijze te horen zeggen: "You made a fucking funny
movie. I'll take it and put it on a bunch of fucking screens, show it to the
right fucking people, put a fucking soundtrack in there…
"
Maar, de boodschap is hoe dan ook duidelijk: als debutant mag je eigenlijk niet teveel nadenken over hetgeen je doet, het feit dat je je droom kan realiseren zou al moeten volstaan, de film daarna dan ook nog eens op één of ander scherm vertoond krijgen is voor de meesten al succes genoeg.
Wie nie waagt, nie wint!