Althans, die
idee ontwikkelde zich uit de confrontatie met de populaire kunst uit Brazilië en de pueblos van
New Mexico en wordt eveneens versterkt door een gelijkaardige reflectie die in het werk van de
hedendaagse kunstscène aanwezig blijkt. Ook hier is de aandacht voor de traditie en het folkloristische
sterk gelieerd met de handeling, of beter gezegd, de creatie van een beeld waarin vaak een
sociaal-kritische en politiek-religieuze dimensie huist. Dat wordt ondermeer benadrukt door enkele
werken van artiesten als Chris Burden (VS), Tim Hawkinson (VS) en Wim Delvoye (Bel) die speciaal voor
deze tentoonstelling werden geconcipieerd. Het opmerkelijke karakter van deze tentoonstelling schuilt evenwel
in de voorstelling van enkele onbekende kunstenaars uit Afrika en Zuid-Amerika die vanuit hun specifieke
sociale milieu precies de traditionele beeldtaal van de hedendaagse kunst penetreren en door de
presentatie van een eigen en situationeel idioom haar algehele standaards in vraag stellen. Deze
populaire kunst, buiten elke pejoratieve betekenis om, blijkt bijgevolg rijk aan etnologische
betekenis en stoort zich geenszins aan een categoriaal denken dat veeleer haar exclusie van het
hedendaagse kunstveld beoogt. Un art populaire blijkt de voorstelling, niet de introductie, van
wat met zulk een conceptie heden kan bedoeld worden en toont verschillende formele percepties waartoe
een klassieke esthetische appreciatie onontvankelijk is en alleen die interpretatie volstaat reeds op
zich om deze huidige exhibitie in Fondation Cartier als verruimend te beschouwen.
Fondation Cartier getuigt sinds lange
tijd de zin voor opmerkelijke tentoonstellingen en waarborgt hiertoe telkenmale enkele karakteristieke
uitgangspunten die het publiek als het ware engageren. Zo is de aandacht voor het geproduceerde beeld
en haar representatie precair in de voorstelling - daartoe beschikt men immers over een unieke
architectuur - , temeer omdat de subtiliteit van plastische of andere aard zelden wordt geschuwd,
dit in tegenstelling tot de massificatie-tendens die in tal van (Belgische) musea voor hedendaagse
kunst wordt voorgehouden. Het maakt de exposities niet alleen tot een mogelijke verademing, de bezoeker
blijkt eveneens uit zijn passieve bewegen geslagen, de aloude belofte die wel vaker in het circuit
wordt vooropgesteld, doch slechts bij hoogste uitzondering een werkelijkheid is. Fondation Cartier
lijkt in dat opzet wel te lukken en met un art populaire wordt zelfs de hedendaagse kunst en haar
geschiedenis tot in de voegen geraakt. Immers, het hiërarchische hedendaagse kunstconcept getuigt
ten aanzien van de populaire kunst, zoals ze die zelf noemt, geen algehele geldigheid en beschouwt
ze bijgevolg als een perifere manifestatie van een mindere cultuur die hooguit de outcast van het
eigen gekunstelde veld zoals de Art Brut of de naïeve kunst benadert.
Die vergelijking hoeft zich
echter enkel te beperken tot de reële verhouding die daarin wordt beantwoord en welke het Westers
kunstidioom centraliseert tot de meest dominante. Want de populaire kunst in deze tentoonstelling
overstijgt makkelijk zulke minimaliserende kritieken en, dit is het mooie van de tentoonstelling,
met het krachtigste argument voorhanden: het beeld tegenover de esthetische theorie. Zo verschijnt
de populaire kunst als een verwijzing naar de vergane traditie van hand en ambachtelijkheid, juist
te midden van het hedendaagse discours, als een retrospectieve act. Temeer omdat ze alsook een zekere
moderniteit in haar non-conventionaliteit omvat, welk het avant-garde van het hedendaagse veld in vraag
stelt. Waar de kunst begint en ophoudt blijkt na deze tentoonstelling immers geenszins te passen binnen
een zuiver Westerse discussie, noch is het langer opportuun de klassieke misprijzende appreciatie voor
populaire kunst aan te houden, of die nu volks en weinig gecultiveerd is of niet.
Men zou kunnen stellen dat de terracotta
sculpturen van Roxanne Swentzell (VS) slechts van een beperkte gelaagdheid getuigen door de uitgesproken
binding die ze laat bestaan tussen beeld, emotie en politieke inspiratie. Echter veroorlooft zij
zichzelf uit deze enkelvoud een dusdanig krachtige expressie en serene monumentaliteit welke ons
doorgaans in het huidige tentoonstellingsaanbod ontbreekt. Dit is mogelijk een samenvattende
gedachte die voor meerdere kunstwerken van un art populaire gangbaar is, of hoe de eenvoud van
het verhaalde de ontwikkeling van een formele impact en het complex beeld geenszins uitsluit -
terwijl in het hedendaagse kunstveld de verhoudingen vaak in een omgekeerde redenering worden opgevolgd - .
Deze expositie is er vooreerst om bekeken te worden, complexloos en onervaren, doorheen een parcours dat
elke vorm van distinctie, geografisch én esthetisch, meent te onthouden. De welluidendheid van het
kunstenaarssignatuur is uitzonderlijk slechts van secundair belang.
Fondation Cartier
- Un Art Populaire - tot 4 november 2001
Boulevard Raspail 261, Parijs






