In de generiek doet de protagonist Kiekeboe zijn beklag over de stripreeks in kwestie: "Die Merho doet zijn best…OK.. maar het is toch niet je dat! Daarom gaan de zaken veranderen! Ik eis inspraak in mijn eigen avonturen." Dit is het procédé waarbij de protagonisten in opstand komen tegen de macht van de alwetende verteller met zijn panoramische blik. Het is eigelijk een vorm van rituele vadermoord. De personages weigeren hun ondergeschikte rol, willen niet langer de marionettenpoppen zijn van de auteur en gaan daarom in verzet. Ze zijn niet tevreden met de schepping van de auteur en doen dan ook voortdurend hun beklag bij hem. Wanneer Kiekeboe tegen Merho zegt dat hij voortaan liever een pruik zou dragen antwoordt de laatste: "Ik heb je gecreëerd met een kaal hoofd en zo blijft het!" (p 11, 17/1).
Uiteindelijk onttronen de personages de auteur van zijn verheven positie en usurperen ze de macht. Dit leidt ertoe dat er meer dialoog is tussen de verteller en zijn personages. De verteller houdt zich niet langer meer op de achtergrond maar interageert voortdurend met zijn verhaal en expliciteert het vertelperspectief. Hij is ook een personage geworden terwijl de personages ook een beetje auteur geworden zijn. Er ontstaat een soort getouwtrek tussen auteur en personages over wie nu eigelijk het verhaal gaat vertellen en uiteindelijk leidt dit tot een compromis in de vorm van "collaborative story- telling". "Album 26" begint met een verhaal geschreven door Kiekeboe, waarna een nieuw verhaal volgt dat een samenwerking is tussen Kiekeboe en Merho.
Door de opstand tegen de hiërarchische ongelijkheid tussen personages en auteur krijgen niet alleen de personages meer inspraak maar ook de lezer. Lezers worden uitgenodigd om mee te helpen de tekst te construeren. Zo is er een bepaalde passage in "Album 26" waarbij de helden een berglandschap bewonderen. Ze besluiten de lezer zelf het landschap te laten inkleuren, "de eerste "doe het zelf" strip uit de geschiedenis van het beeldverhaal!" (p 32, 56/1) Konstantinopel formuleert het zo: "Ik stel voor de lezer een creatieve inbreng te geven in het scheppingsproces van dit verhaal, waardoor er een stuk constructieve bewustzijnsuitbouw ontstaat!" Waarbij hij zijn eigen intellectualistisch discours (en ook het mijne!) onderbouwt met de woorden: "Hoe heb ik dat gezegd?"(p 32, 55/1).
Kiekeboe stelt een aantal mogelijke titels voor zijn nieuwe strip voor maar die titels blijken al gebruikt te zijn voor een Suske en Wiske of een Kuifje album. In tegenstelling tot de romantici die dweepten met de originaliteit cultus zijn de postmodernisten ervan overtuigd dat alles al eens gedaan is. Vandaar dat men ongegeneerd en op eclectische wijze gaat recycleren en gebruik maken van stereotypen, zoals bijvoorbeeld in "Pulp Fiction", een film die eigelijk een amalgaam is van elementen uit de populaire cultuur.
Ten einde raad besluit Kiekeboe de strip gewoon "Album 26" te noemen omdat het het 26e verhaal is in de reeks. Dit is ook kenmerkend voor het cynisme en de nonchalance in het postmodernisme (=POMO). Dit verregaand relativisme wordt uitgedrukt door de woorden: "nothing matters, anything goes". Leo Apostel verwijst daarbij naar het feit dat multinationale ondernemingen winst- of verliesgevend worden door veranderingen aan het andere eind van de wereld. Daardoor wordt de wereld te complex en kan men als individu de werkelijkheid niet meer overschouwen hetgeen leidt tot onverschilligheid.
Het feit
dat de strip gewoon de naam "Album 26" krijgt kan vergeleken worden met Federico
Fellini's Otto e mezzo
("8 ½") (1963). Aangezien Fellini voordien al zeven films op zijn palmares had, besloot hij deze enigszins afwijkende film de acht en een halfste te noemen.
De film gaat over een
befaamd regisseur Guido Anselmi (gespeeld door Marcello Mastroiani) die kampt
met een writer's block. Willem Kloos bejubelde nog de almacht van de
auteur als schepper met de woorden "Ik ben een God in 't diepst van mijn
gedachten" maar de auteur in POMO heeft ondertussen al heel wat van zijn
bravoure verloren. Terwijl de verteller bij bijvoorbeeld Balzac of Dickens nog
een echte autoriteit is die zeker is van zijn stuk, wordt de POMO auteur
geplaagd door twijfel en onzekerheid en kampt hij vaak met een writer's
block
. Dit geld ook voor de regisseur in Fellini's film. De man probeert een authentieke film te maken maar heeft geen ideeën meer. Bovendien wordt hij langs alle kanten belaagd door journalisten die hem existentiële vragen stellen, producers die hem opjagen, knappe actrices die hem om een rol smeken en zijn medewerker die voortdurend zijn script de grond in boort. In één van de vele momenten van introspectie vraagt Guido zich af: "Gebrek aan inspiratie. Hoe lang nog? Wordt dit niet het einde van een leugenaar zonder talent?" De medewerker van de regisseur beschouwt de film als "een film die nergens over gaat". Op zich is dat typisch (post)modernistisch: het cultiveren van inspiratieloosheid en de weigering om een klassiek verhaal te schrijven met een duidelijk narratief verloop of met een goed gestructureerde plot. De manier waarop het verhaal verteld wordt, wordt belangrijker dan het verhaal zelf.
Het is niet meer zo evident om nog
met een origineel kunstwerk voor de dag te komen. Guido formuleert het als
volgt: "Ik wilde een eerlijke film maken. Ik dacht dat het gemakkelijk was." Ook
Merho kampt met een writer's block. Hij heeft ondertussen het roer
overgenomen van Kiekeboe maar wanneer deze hem vraagt waarover de strip nu
eigelijk zal gaan, moet de auteur bekennen dat hij het zelf nog niet weet. Het
verhaal wordt ter plaatse uitgevonden. Het is dan ook, net zoals "8 ½ ", een
work in progress
(oftewel poioumenon).
In "8 ½" zien we een aantal scènes uit de film van de regisseur die achteraf de grond ingeboord worden door de medewerker: ook hier dus meta -reflexie. "8 ½" is dan ook een film over film maken, net zoals "Album 26" een strip is over het maken van een strip. Uiteindelijk besluit Guido de hele productie af te blazen. "8 ½" is dus een film over het maken van een film die uiteindelijk niet gemaakt wordt.
Het gebeurt wel vaker in POMO literatuur dat de meningen van een criticus (of iemand anders die kritiek spuit op het verhaal) in het verhaal zelf geïncorporeerd worden. In "Album 26" worden er heel wat kritische opmerkingen geuit over het verhaal zelf. Konstantinopel drukt zijn ontgoocheling over de ontknoping van het verhaal als volgt uit: "Wat een flauwe ontknoping. Dat had ik al in het begin voorspeld. Pa, hou in het vervolg je handen af van het scenario. Dit lijkt nergens op!" (p 46, 83/2). Ook in de VRT jongerenserie "Buiten de zone" is er een kritische instantie in het verhaalverloop ingebouwd. In deze TV- serie fungeren de ouders van modale tienerkijkers als critici van de reeks. Zo ergeren ze zich bijvoorbeeld aan de erotische connotaties van een bepaalde sketch.
Nadat Kiekeboe de macht
geüsurpeerd heeft, volgt het verhaal dat hij geschreven heeft. Het is echter een
zwak samenraapsel van een aantal stereotypen uit actiefilms. Het maakt gebruik
van spectaculaire achtervolgingen, een femme fatale, gadgets,… kortom
alle basisingrediënten voor een James Bond verhaal. Nadat Kiekeboe het
ruimteschip van de bad guys heeft doen ontploffen en als beloning in de
armen duikt van zijn moordgriet, zien we de tekenaar Merho aan zijn bureau die
kwaad het script verscheurt terwijl hij Kiekeboe de huid vol scheldt. De
tekenaar besluit: "Morgen beginnen we opnieuw, met frisse moed!" (p 11, 18/2)
waarop Kiekeboe op de volgende bladzijde zegt: "Laten we al het voorgaande
vergeten en opnieuw beginnen!" (p 12) Dit is een procédé dat veelvuldig voorkomt
in POMO literatuur en films, denken we bijvoorbeeld aan Italo Calvino die voor
zijn roman "Als op een winternacht een reiziger" (1981) tien verschillende
openingsscènes presenteert of John Fowles die zijn "The French Lieutenant's
Woman" (1969) op verschillende manieren laat eindigen. Zoals eerder al vermeld
heeft de verteller zijn almacht verloren en wordt de lezer uitgenodigd om
interactief te participeren in het verhaalgebeuren. Hij moet uit deze
multiple choice
zijn eigen keuze maken.
Vol goede moed besluiten Merho en Kiekeboe het verhaal te herbeginnen maar ditmaal zal Merho het verhaal verder zetten. Kiekeboe geeft de lezer zelf de kans om een titel uit te kiezen uit de door hem gepresenteerde lijst met suggesties. Leo Apostel verwijst in deze context naar onze kapitalistische consumptiemaatschappij waarbij men als consument in een warenhuis continu moet kiezen uit overvolle rekken. Douwe W. Fokkema heeft het hierbij over de "embarras du choix".
De wereld bestaat uit een absurde opeenvolging van toevalligheden die grote consequenties kunnen hebben zoals in "Sliding Doors" of Alain Resnais' "Smoking/ No Smoking" waarbij het al dan niet opsteken van een sigaret verschillende gevolgen heeft voor het verdere verhaalverloop. Een schoolvoorbeeld hiervan is Tom Tykwer's "Lola rennt" (1999). Lola's vriend Manni heeft het geld van zijn drugbaas verloren en Lola moet erin slagen om in 20 minuten aan de som geld te geraken om zo het leven van haar vriend te redden. De film presenteert ons met drie verschillende scenario's waarin Lola aan het geld geraakt. Ook hier speelt het toeval een belangrijke rol. Of zoals het in de film geformuleerd wordt:
"Jeden Tag, jede Sekunde triffst Du eine Entscheidung, die Dein Leben veränderen kann."
De postmodernist gelooft niet in een wereldorde of een God die de werkelijkheid stuurt en legt zich daarom neer bij het toeval.
Onder invloed van Einstein's relativiteitstheorie heeft de postmodernist het geloof in absolute waarheden ingeruild voor de overtuiging dat alles relatief is en afhankelijk van het perspectief van waaruit de werkelijkheid wordt waargenomen. Daarom kan de auteur zich niet langer verzoenen met de status van een alwetende godheid die het hele gebeuren stuurt. Dit zorgt ervoor dat er meer rekening gehouden wordt met het oordeel van de lezer. Aangezien alles relatief is durft de postmodernist geen normatief waardeoordeel uit te spreken. Vandaar dat hoge en lage kunst op gelijkwaardige wijze benaderd worden en er geen onderscheid meer gemaakt wordt tussen feiten en fictie. Het onderscheid tussen feiten en fictie wordt opgeheven en alles wordt beschouwd als fictie, inclusief geschiedschrijving. Daarom wordt de aanspraak op realiteit in romans doorbroken. Er zijn heel wat verschillende strategieën om dat doel te bereiken zoals bijvoorbeeld door middel van metafictie. Metafictionele commentaren zijn expliciete uitspraken die het fictieve karakter van het kunstwerk benadrukken.
"Album 26" bevat heel wat metacommentaren die het artificiële van het stripverhaal an sich beklemtonen. Wanneer Kiekeboe's dochter Fanny voorstelt om in iedere strip een naaktscène in te lassen roept haar vader: "Geen naakt! Zolang je geen 21 jaar bent, ben ik de baas! En daar stripfiguren niet ouder worden, kan dat nog heel lang duren!" (p 18, 27/2).
Een ander metacommentaar in de strip vinden we wanneer
Kiekeboe een rotsblok op zich krijgt: "Nog een geluk, dat stripfiguren altijd
ongedeerd blijven." (p 33, 58/1). Hij gaat dan ook weer eens zijn beklag doen
bij zijn geestelijke vader met de woorden: "Denk jij soms dat andere striphelden
zoals Kuifje, Lucky Luke of Asterix alle moeilijke scènes zelf doen?!" (p 34,
59/1). Vervolgens geeft Merho Kiekeboe een rondleiding in het Hergé Instituut
waar de special effects
van de strip voorbereid worden: men leert er vloeken in de gepaste pictogrammen, het juiste geluid bij een val, de sterretjes na een klap,…
Er loop ook heel wat mis zodat we ons bewust worden van de conventies van het genre. Alle conventies moeten eraan geloven: er wordt naast de tekstballonnetjes gepraat, Kiekeboe blijft met zijn oog in een tekstballonnetje steken, men zakt door het kader of verbergt er zich achter,.. Ook worden de tekstballonnetjes van verschillende personages per ongeluk verwisseld. Kiekeboe loopt woest naar Merho om hem rekenschap te laten afleggen maar
vindt de auteur slapend boven zijn tekenblad. Hij bijt hem toe met de woorden: "Ik kan best begrijpen dat je boven dit verhaal in slaap valt, maar hou tenminste de synchronisatie in de gaten!" (p 22, 36/2)
Er worden ook heel
wat taboes in de strip doorbroken. Kiekeboe verontschuldigt zich om naar het
toilet te gaan waarop Konstantinopel bemerkt: "Alweer?! En je bent pas geweest
op bladzijde 21!" (p 24, 40/2) Waarop Kiekeboe antwoordt: "Mag ik asjeblief?
Omdat er nu in andere strips nooit naar de WC wordt gegaan! Daaraan doe ik niet
mee! Ik denk dat de andere stripfiguren het ophouden tot het verhaal ten einde
is!" (p 25, 41/1). Op zich is dit een aanval op realistische strips, romans of
films die de pretentie hebben de werkelijkheid weer te geven zonder te beseffen
dat die vereiste nooit volledig vervuld kan worden. Realisme is namelijk een
illusie en volgens de postmodernist zijn realistische personages een
constructie. Daarom doet de POMO auteur niet eens de moeite om een origineel
personage neer te zetten maar maakt hij gewoon gebruik van een aantal flat
characters of typetjes uit een vast arsenaal zoals de gangsters of de
femme fatale
in het verhaal dat Kiekboe geschreven heeft of zoals in "Pulp Fiction".
Luigi
Pirandello's "Zes personages op zoek naar een auteur" (1921!) is een POMO
toneelstuk avant la lettre
. In het stuk worden de toneelrepetities van een groep acteurs onderbroken door een aantal personages die op zoek zijn naar een auteur. De personages beginnen onmiddellijk een gezinsdrama ten berde te brengen. De aanvankelijke reserves van de auteur zijn nu ingeruild voor inleving. De regisseur beseft niet dat hij door zijn opmerkingen participeert in het drama. Op meesterlijke wijze laat Pirandello toneel en realiteit in elkaar overvloeien. De repetitie voor het toneelstuk krijgt de status van het toneelstuk zelf. Dit leidt tot "a play within a play". Dat Pirandello's stuk een enorme impact heeft gehad op de verdere evolutie van het toneel hoeft niemand te verbazen. Volgens Kester Freriks verklaarde Pirandello dan ook met zijn stuk de dood van het toneel. De schijn van werkelijkheid naleven wordt steeds moeilijker en de acteurs hebben het dan ook over de tijd toen het nog gemakkelijk was om de illusie te handhaven.
Net zoals Duchamp door zijn urinoir in een museum te plaatsen, een willekeurig object de status van kunstwerk verleende en zodoende de vraag stelde wanneer men een object als een kunstwerk gaat beschouwen, zo lijkt Pirandello zich af te vragen of een toneelstuk slechts de status van een toneelstuk krijgt wanneer het op de bühne gespeeld wordt voor een publiek.
Pirandello's personages verklaren dat ze geen andere werkelijkheid hebben buiten de illusie. Ze leven kortom een eigen leven, net zoals Kiekeboe zich probeerde los te wringen uit de greep van Merho. Volgens Bartho Braat is het stuk een gevecht om de vraag: "wie krijgt de macht op de bühne, de regisseur en de acteurs of de "personages"? Dit gevecht wordt al snel in het voordeel van de "personages" beslist en zij krijgen dan ook alle kans hun drama te spelen." Net zoals Kiekeboe ontworstelen ze zich aan de dictatuur van een regisseur of een auteur. Ze komen zich ook vaak beklagen bij de regisseur die geërgerd antwoordt: "Ik zou wel eens willen weten wanneer er ooit een personage geweest is dat uit zijn rol stapte en erover begon te praten zoals u, te bespiegelen. Kunt u mij dat zeggen! Ik heb het nooit meegemaakt."
De personages stellen vanuit hun fictieve achtergrond de werkelijkheid als dusdanig in vraag. Eén van hen vraagt aan de regisseur: "Kunt u mij zeggen wie u bent?" Deze is geshockeerd en zegt: "Dat noem ik brutaal! Iemand die zich uitgeeft voor personage, komt mij vragen wie ik ben!" De mens is niet langer een stabiel subject volgens de personages en ze lijken dan ook eerder te geloven in de subjectsdecentrering van Derrida of de schizofrene ikken van Deleuze.
Kiekeboe had het al over het feit dat personages niet ouder worden. Eén van Pirandello's personages zegt iets gelijkaardigs wanneer hij stelt dat hun werkelijkheid, in tegenstelling tot die van de regisseur, niet kan veranderen: "Die verandert niet, kan niet veranderen, kan geen ander zijn, nooit, want zij is vastgelegd, is een eeuwig onveranderlijke werkelijkheid- dat is onze verschrikking, mijnheer- …"
Het Kiekeboe verhaal op zich is zeer zwak. Een groep dealers geeft snoepjes aan kinderen in de vorm van een vikinghelm. Wanneer de kinderen ervan eten krijgen ze tandpijn. Ondertussen doet de firma "Plizant", een merk van tandpasta, gouden zaken. Het kwaadaardige brein achter deze operatie is de Viking, een man die zich verbergt achter zijn vikinghelm. Wanneer onze helden hem eindelijk te pakken lijken te krijgen, tracht hij te ontkomen met zijn sportwagen. Hij rijdt zo snel dat Merho het tempo niet meer kan bijhouden en te weinig tijd heeft om zijn prentjes te tekenen. Het gaat zelfs zo ver dat de wagen botst tegen het potlood van de tekenaar die nog vlug tracht wat decor te schetsen. Wanneer de helm van de viking wordt afgenomen, blijkt de viking Merho zelf te zijn. Kiekeboe is echter niet tevreden met de ontknoping: "Dit heeft zeker weer een symbolische betekenis. De striptekenaar die het niet meer ziet zitten en het opneemt tegen zijn eigen personages! Dat neem ik niet! Ik wil een andere ontknoping!" (p 45, 81/2). Waarbij het plaatje waarop Kiekeboe de helm gaat opheffen nog eens herhaald wordt, en de viking een persoonlijke vriend blijkt te zijn van Merho. Ook met dit scenario dat getuigt van nepotisme kan Kiekeboe zich niet verzoenen. Net zoals in "Lola rennt" worden er drie mogelijkheden geboden. Bij de derde ontknoping echter stoot Merho per ongeluk zijn inktpot om zodat de inktvlek het gezicht van de dader verbergt. Uiteindelijk blijkt de viking de tandarts te zijn die de wondertandpasta "Plizant" op de markt bracht. Een zwakke onthulling voor een zwak verhaal dat er louter toe dient om te fungeren als klankbord voor meta- reflexie over het medium. Net wanneer je de indruk krijgt dat het een gewoon (doch nogal zwak) Kiekeboe verhaal wordt, wordt de illusie weer verbroken en de inleving te niet gedaan door distantie creërende mechanismen.
Een andere manier om vervreemding teweeg te brengen is het samenbrengen van personages uit verschillende boeken of strips. In het POMO heeft men het dan ook vaak over heterogene werelden, al dan niet met een sci- fi bijklank zoals in bijvoorbeeld "Blade Runner".
In "Album 26" botsen Konstantinopel en Kiekeboe opeens op Lucky Luke en Jolly Jumper, waarop Konstantinopel zegt: "Ofwel lopen zij in de verkeerde strip, ofwel wij!" (p 38, 68/1). Dit fenomeen komt ook al voor in "Asterix bij de Belgen" waar Jansen en Jansens een guest appearance geven. Maar ook in POMO literatuur komt het veelvuldig voor. Zo onder andere in "Divertimento i Moln" van de Deen Klaus Rifbjerg. Een aantal van zijn personages komen opeens terecht in een scène uit de roman "Vid vejen" van Herman Bang. Er wordt gespeeld met verschillende niveaus van werkelijkheid. Terwijl de verteller zijn verhaal wil vertellen wordt hij continu onderbroken door een literaire criticus die het verhaal maar niets vindt en commentaar heeft op alles. Ondertussen is de criticus verliefd geworden op het fictieve personage Elise Krig en wil hij zijn vrouw voor haar in de steek laten. En dan is er ook nog de lezer die, in tegenstelling tot de ouders in "Buiten de zone", zich beklaagt over het gebrek aan seks scènes in het verhaal.
Zoals al eerder gezegd is "Album 26" een strip over het maken van een strip. Kiekeboe wil nog een werkelijkheidniveau verder gaan en zegt: "En als Merho nu eens een verhaal maakte over hoe dit verhaal gemaakt werd." (p 46, 84/1).
De strip eindigt met een gezette figurante die Merho woedend achtervolgt omdat ze ditmaal geen rol gekregen heeft in het verhaal. Merho kaatst elke verantwoordelijkheid af met de woorden: "Ik wil met dit album niets, maar dan ook niets te maken hebben!" De auteur zweert zijn schepping af en lijkt wel abortus te plegen op zijn personages. Eén van Pirandello's personages heeft het over "…. de auteur die ons het leven gaf ons daarna niet wilde of materieel niet in staat was ons in de wereld te brengen, de wereld van de kunst."
Of verder: "Stelt u zich eens voor wat een ongeluk voor een personage dat zoals ik u verteld heb tot leven is gebracht, in de verbeelding van een auteur die hem vervolgens van dat leven wil ontzeggen."
Als men "Album 26" nu zou
moeten samenvatten zou men kunnen concluderen dat het Merho's bedoeling was om
de illusie van de strip als dusdanig te verbreken. Dit bewustwordingseffect kan
vergeleken worden met Berthold Brecht's episch theater. Door bijvoorbeeld
éénzelfde acteur een aantal dubbelrollen te laten spelen wou Brecht het publiek
bewust maken van het feit dat toneel slechts fictie is. Het is een
Verfremdungseffekt
dat het publiek tot nadenken moet zetten. Luigi Pirandello bouwt verder op Brecht en lijkt wel een voorloper van het POMO met zijn ontologisch scepticisme: de werkelijkheid als dusdanig wordt in vraag gesteld alsook de opvatting van een stabiele identiteit. Brecht en Pirandello zijn erin geslaagd ons wakker te schudden en ons bewust te maken van de conventies van het genre. Magritte deed hetzelfde op het gebied van de schilderkunst. Met zijn befaamd schilderij "Ceci n'est pas une pipe" toonde hij het onvermogen van de schilder om de werkelijkheid weer te geven. Hoe hard hij nog probeert, een schilder zal er nooit in slagen een pijp te kunnen weergeven. Hij kan alleen maar een afbeelding van een pijp weergeven.
Die vervreemdingsstrategieën
lijken hun oorsprong te vinden in avant- garde theater en zijn later via POMO
(uiteraard zijn er heel wat voorlopers zoals bijvoorbeeld de 18e eeuwse Lawrence
Sterne met zijn POMO roman avant la lettre "Tristram Shandy")
salonfähig
geworden in commerciële strips zoals Kiekeboe of in video clips zoals van het nummer "Take on me" van de popgroep A- Ha.
De technieken mogen dan al wijd verspreid zijn, ze zijn
daarom nog niet geliefd. Het opzettelijk creëren van distantie om een gebrek aan
inleving en identificatie teweeg te brengen wordt door vele lezers die op zoek
zijn naar wat ontspanning niet naar waarde geschat. Bovendien gaat die
intellectuele Spielerei
en dat gegoochel uit de trucjesdoos al gauw vervelen doordat er teveel aandacht geëist wordt voor de vorm en men al gauw eindigt in narcistische zelf -beslommeringen en formalistische acrobatie. POMO moge dan nog vertrekken vanuit een uitermate democratisch gedachtengoed, de vraag is alleen of het grote publiek er ook zo over denkt.
met dank aan Bart Keunen voor
zijn interessante hoorcolleges






