Het begint ontwapenend mooi; met een bijna broederlijke nonchalance delen vader en zoon den Boer het podium. Ilay, de zoon, geeft aan waar ze met deze voorstelling naar toe willen; ze willen een antwoord vinden op de vraag wat er een verschil in perceptie van discriminatie heeft veroorzaakt tussen de niet-joodse vader en de joodse zoon (Omdat de joodse identiteit wordt meegegeven via de moeder, is enkel de zoon joods. Zijn vader is een Nederlander zonder joodse afkomst). Het publiek is hierbij aan zet. Elke toeschouwer krijgt een boekje met daarin een chronologische levensbeschrijving van de vader, Gert den Boer. Elke kijker mag een moment in het leven van de vader aanduiden waarvan hij denkt dat die bepaalde gebeurtenis een perceptieverschil veroorzaakte. De beide acteurs rakelen hun herinneringen dan samen op, aan de hand van een voorwerp uit die aangegeven periode. Op die manier genereert er zich een bijzondere interactie tussen spelers en publiek.
Aan de hand van deze publieksvragen ontrolt zich het verhaal van een jonge, rebelse snaak, mei ’68-erfgenaam, die jointjes blowt en de wereld verkent. Hij gaat in een kiboets in Israël leven waar hij zijn vrouw leert kennen. Het publiek stuurt de voorstelling en creëert een gestage spanningsopbouw dankzij hun gerichte vragen. De avonturier blijkt op jonge leeftijd zijn vader verloren te hebben en ging sindsdien altijd opzoek naar een surrogaatvader. Nieuwsgierigheid drijft de voorstelling en levert vertederend theater op. Het potje voetbal tussen de trotse vader en de getalenteerde zoon is een intens moment. De kracht schuilt in de frictie tussen werkelijkheid en fictie. Tijdens hun uiteenzetting verbeteren ze elkaar, vullen ze elkaar aan en houden ze elkaar bij de essentie van het verhaal. De voorstelling lijkt een bijzondere getuigenis van de Joods-Palestijnse kwestie te zullen vertellen en de geschiedenis ontluikt zich op een intrigerende manier. Het is een toestand die de spelers dicht op de huid zit; de grootvader van Ilay was een Israëliet die met de Palestijnen ging praten en Gert zelf werd kwaad van de gebeurtenissen tijdens de eerste Intifada in ’87: Palestijnse jongens raakten door de stompzinnige controles niet op hun werk en werden valselijk beschuldigd van stenen gooien.
Subtiel voeren ze hun voorstelling naar de kleine Ilay die een getalenteerd keeper is. In de douches bemerkt de spits van zijn ploeg dat hij besneden is. Hij vraagt of hij een Marokkaan is en Ilay legt de jongen uit dat hij een Jood is. Het is de kiem voor een keten van getreiter en vergaand gepest: stront op de wagen, fysiek en verbaal geweld. Daar zit ook de drieste kentering van dit stuk. Wanneer het Ilay teveel wordt, ontploft hij en ontpopt hij zich tot een joodse martelaar, slachtoffer van al het joodse lijden en voorvechter voor de joodse zaak. En daar knelt de voorstelling haar eigen keel dicht. Ilay wordt een vreselijke Joods-nationalist door 'de schuld' van een onwetende puber die hem evengoed getreiterd had als hij pukkels had gehad, een islamiet of Marokkaan was geweest. De naturel van het spelen wordt volledig verbroken en hij vervalt in een geforceerde tirade dat niet gespeend is van de bekende, clichématige symbolen: afbeeldingen van neonazi’s, een Jodenster, verwijzingen naar de concentratiekampen, besmeurde joodse monumenten en een verbrande Israëlische vlag. Den Boer creëert een onbegrijpelijk breuk die niet meer is dan een ongenuanceerde, pamfletair betoog met onnodig naakt dat de krachtige integriteit van het eerste deel volledig verloren heeft. Het stuk verliest alle subtiliteit. Het mooie tegengewicht van de vader uit het eerste deel verdwijnt en klinkt enkel nog door in een moralistisch pleidooi tegen het extremisme waarin de zoon vervalt. Uiteindelijk kunnen we concluderen dat er geen antwoord wordt gegeven op de vraag waarom er dat verschil in perceptie is.







