Deel 1: Al lachend zegt de zot de waarheid.
Bedelaars, zo zegt Markies De Sade, moet je geen euro geven, dat maakt hen afhankelijk. Twee belangrijke onderwerpen die een thematische rode draad vormen doorheen het eerste deel van het tweeluik Kermis in de hel. Peter Gorissen ontdoet De Sade van zijn perverse kant en weerspiegelt de Fransman als een groot, visionair filosoof. Een denker die toen al de macht van geld doorzag. Met enkele sterke voorbeelden illustreert Gorissen hoe wij onderhevig zijn aan een economische indoctrinatie. In alle reclame, zelfs voor een wasproduct, wordt vrouwelijk schoon opgevoerd. Respectloze uitbuiting van de vrouw, briesen vele mensen. Ironisch vraagt Gorissen zich af of de modellen die voor riante sommen in deze reclamecampagnes opdraven, dit ook vrouwonvriendelijk noemen. Had u er al bij stil gestaan hoe de beurs verworden is tot een eigenzinnig, levend wezen dat klimt en valt naar gelang het haar belieft? Iemand moet toch echter dergelijke economische bewegingen veroorzaken. De burger betaalt meer belastingen of staat iets van zijn pensioen af om de financiële crisis te bekostigen. Maar heeft hij daar eigenlijk schuld aan? Zonder verpinken betaalt de brave burgermens. Een natie is eigenlijk een fabriek geworden, voert de acteur aan, een geolied systeem waarin de inwoners zonder enig nadenken meedraaien. Ze doen wat staatshoofden of de prominenten van dit land hen opdragen zonder erbij na te denken. Een conditionering die versterkt wordt door de media. Mensen slikken tijdens hun ellenlange kijkavonden de meest ongelofelijke onzin op televisie. Gorissen ergert zich aan het feit dat men op de zender één voortdurend toont wat er volgende week zal volgen, waardoor zijn arme moeder soms niet meer weet of ze een aflevering nu al gezien heeft of niet. Waarom moet men met een peperdure productie iemand op zijn eentje door de woestijn laten lopen om geld in te zamelen voor een goed doel?
Gorissen toont een pijnlijke realiteit van de mensheid. In navolging van De Sade onderzoekt hij de mensen zonder alternatieven te bieden. De Markies verweet de mensen immers dat ze hun soortgenoten al wilden veranderen zonder ze echt onderzocht te hebben. Gorissen concludeert: de mens leeft zijn leven van buiten uit; externe factoren prenten hem ervaringen, gedragingen en ideeën in. De brave burger heeft alle zelfcontrole verloren en laat zich leiden door incompetente demagogen en de matte televisie. Want daarom zal theater ook verboden worden, waarschuwt de speler. Toneel is gevaarlijk. Daar op het podium gebeurt er iets zintuiglijks. Een directe ervaring die iets kan veroorzaken. Een revolutie wil Gorissen niet ontketenen maar wel de kracht duiden van het theater. Zijn uitgangspunt is Stanislavski’s method-acting. De opvatting dat iedere speler zijn eigen acteerwijze heeft, geënt op zijn eigen persoon en identiteit. Op die manier is men voor een stuk zichzelf op het podium. In tegenstelling tot de waan van alledag, is spelen zijn, oreert Gorissen.
En daar lijkt het hem doorheen de voorstelling ook om te doen. De kracht van het ware wezen op de planken zetten en de mensen daarmee confronteren. Voor de aanvang van de voorstelling keuvelt de man wat met zijn publiek. Het geeft de aanzet voor een interactie tussen hem en het publiek die de hele voorstelling zal blijven duren. Op geregelde basis zal hij hen vragen wat hij moet doen. De toeschouwer heeft de indruk zo het spel te kunnen beïnvloeden en roept hem van alles toe. Gorissen wendt hierbij een intuïtieve speelwijze aan en volgt zijn eigen waanzinnige persoon. De voorstelling groeit organisch met enkele voorbereide punten als raamwerk. Daartussenin speelt hij in op wat er in het publiek gebeurt en doet hij gewoon wat er in hem opkomt. De grens tussen wat geënsceneerd of geïmproviseerd is, valt moeilijk te achterhalen. Deze wordt ook voortdurend afgetast; Gorissen overloopt zonder gêne de lijst met de op te voeren onderdelen, breekt sterke monologen af om over iets banaals een uiteenzetting te houden, scheldt op zijn technici in de zaal om dan weer vlekkeloos zijn rol op te pikken. Hierbij trekt Gorissen alle registers open: hij brult de meest scatologische anekdotes, verliest zichzelf in absurde onzin, voert een sterk staaltje stand-up op, speelt meesterlijk toneel en raakt zelfs de ziel. De voorstelling verveelt dan ook nooit. Het ritme is uitgekiend, de breuken perfect getimed, de uitersten creëren een intrigerende spanning en maken van deze voorstelling een totaalervaring. Het lijkt een les in het ontstaansproces van een toneelvoorstelling, alle materiaal kan aangewend worden zolang het stevig opgevoerd wordt. De beheersing van de spontaniteit is het geheim en die krijg je maar door jarenlange oefening. Gorissen vergelijkt het met jazz; eerst improviseer je, dan transleer je om het uiteindelijk allemaal ongeveinsd opnieuw te laten leven. Met dit eerste deel maakt Gorissen dan ook zijn naam waar: hij is een rasacteur die uit het voetlicht stapt door nog een laatste keer te tonen wat hij in zijn carrière geleerd heeft.
Deel 2: Al lachend zegt de zot maar wat (ofte fuck you, toeschouwer!)
Gorissen verzinkt in het tweede deel volledig in zijn narrenmuts. In de eerste plaats krijg je een flauw afkooksel van een hoop anekdotes uit het voorgaande deel. Met tegenzin lijkt hij ze weer op te dissen en maakt ze vaak ook nooit af. De voorstelling wordt een krankzinnige trip waarin Gorissen zichzelf verliest. Een lijn valt er ook niet meer in te ontwaren: de kerk en de staat mogen het weer even ontgelden, hij giert als Hitler vanop een toneellift in de nok van de Bourla om dan in zijn eigen schedelpan af te dalen. Een oranje mannetje verschijnt uit de coulissen, met twee uilige achtergrondzangeressen (onder de naam Bla Bla Bla) zingt hij als ware charmezanger in zijn nakie over de rode draad, een bluegrassband komt de zaal binnengewandeld, hij herinnert zich pijnlijke situaties uit zijn jeugd, vraagt de toneelmeester via walkie-talkie of alles nog in orde is, imiteert de bizarre gewoontes van regisseurs om dan een fantastische Shakespeare ten berde te brengen. Waarover gaat het? Eerlijk waar, ik weet het niet. Ondergraaft hij bewust zijn meesterschap uit het eerste deel? Het kan. Terroriseert hij zijn publiek om de relativiteit van theater weer te geven? Misschien. Wil hij aantonen dat de grens tussen het hoge en lage er niet toe doet of eigent hij zich gewoon het podium toe als een platform om zijn eigen duivels te bezweren. Zijn zangeressen zingen toch in het refrein: “en gij zijt weer kwoat en da’s den rojen draad.”
En toch hield ik ervan. Deze man heeft mij wakker gehouden om iets zinnigs te bedenken, toonde mij de relativiteit van het intellectueel gewauwel over theater, liet de kracht voelen van een compromisloos bestaan en stak bovenal zijn middelvinger uit naar het publiek. Hij demonstreerde de essentie van de mens; een klote wezen dat verwaand beweert door een God geschapen te zijn en zich enig belang wenst toe te dichten in deze bizarre wereld. En zo, o ironie, lalt de recensent toch een doordachte boodschap bijeen en maakte hij deze theatermaker belangwekkend. Ga slapen, linkse dommerik.







