Gisterenavond, na Kermis in de Hel, een café niet ver van de kathedraal. “Wat doet ge? Ge schrijft over theater?” en dan verzandt het gesprek in een pijnlijke stilte. Ze kijken u nog wat schaapachtig aan, prevelen iets onbegrijpelijks (verontschuldigingen zich, omdat ze voor dit gegeven even geen woorden vinden) en beginnen onderling een zorgvuldig gekozen onderwerp waarover je zelf niet kan meepraten. Uiteindelijk hebben ze zich, in een subtiel stappenplan, op hun barkruk omgekeerd en kijk je naar twee frêle ruggen. In een mum van tijd verspreidt deze info zich onder alle aanwezigen, voel je smalende blikken priemen en zit er niets anders op dan in jouw eentje de avond verder te zetten. Koester als recensent dus nooit de hoop op een greintje aanzien onder het vrouwelijke theaterpubliek. Recenseren bevordert op geen enkele manier jouw sexappeal. Wanneer zo’n woord valt, gaan mensen naar hun schoentippen kijken. “Verdomme”, zie je ze dan denken, “weer zo iemand met een mening (een ziekt van deze tijd), die gegarandeerd heel de avond vol zal kletsen.” Verder durven ze niks meer zeggen. Ze zijn bang voor een spervuur van tegenargumenten, vrezen een uiteenzetting over de plaats van de afgelopen voorstelling binnen de lange traditie die theater is, of een ellenlange tirade over deze ‘rotvoorstelling’. Het zou ook niet baten, mocht je zeggen dat dit ook maar een hobby is (dan ben je niet gedreven), dat je het eigenlijk ook niet weet (ze betichten je dan van valse bescheidenheid) of dat je het als wielertoerist vervelend vindt om op zaterdag naar het theater te gaan zien, omdat je eigenlijk vroeg in je bed wil (typisch, zo een die denkt dat hij grappig is). Nee, nee, onthul nooit jouw ware identiteit! Doe je je voor als een partijvoorzitter, conciërge van een instelling, leeuwentemmer (men zou het nog slikken) of zelfs professor (het vakgebied maakt niet uit, maar geen theaterwetenschap!) dan nog zal je sneller dames versieren dan een manspersoon die voor de Dagkrant schrijft. En toch, ook hij zoekt een beetje tederheid!
Het heet überhaupt een wonder te zijn dat gisteren wat kon gekeuveld worden na de voorstelling. Normaal snellen de medewerkers van deze krant naar het redactielokaal, likken onderweg hun potloodpunt nat om onmiddellijk bij het binnenkomen hun ongezouten mening neer te pennen. En dit met een grote vorm van angst. Want het gezellige ogende plastieken kwartier, wordt geleid door een ware gesel van de kunstkritiek. Uit eigen zelfbehoud toon je best enige nederigheid, knik je zonder verpinken voortdurend van ja, lach je met haar mopjes, en respecteer je de deadlines. Zoniet wordt ze een veelkoppig, zwavelspuwend monster (uit neusgaten én oren) die jou met huid en haar verslindt. Het is maar dat u het weet. Het punt van dit alles: wij hebben dringend nood aan tederheid!







