Meteen valt op dat het parallelprogramma door de jaren heen enorm geëvolueerd is. Arthur Sonnen, die in 1987 de eerste editie coördineerde, benadrukt het belang van het debat over de voorstelling. Terwijl vandaag elk zichzelf respecterend toneelhuis debatten over theater organiseert, was het in 1987 een volstrekt nieuw fenomeen. Sonnen stelde vast dat er nood was aan informatie over de voorstellingen omdat "Een bepaalde doelgroep jaren niet meer naar de schouwberg was geweest, simpelweg omdat de zorg voor hun kinderen op de eerste plaats kwam. Voor die mensen, die na een intermezzo van 15-20 jaar opnieuw naar de schouwburg gingen, voelde het ‘nieuwe’ theater zo vervreemdend aan, dat wat discussie en duiding op hun plaats waren." Op die manier installeerde Sonnen de debatcultuur. De thema’s waren zo divers als het theater zelf: van muziektheater tot de ontwikkeling van de monoloog. Er werd aandacht besteed aan de verschillende speelstijlen en aan de maatschappelijke relevantie van theater. En Het Theaterfestival durfde ook kritisch zijn voor zichzelf, met een discussie over het jury-rapport.
Naast kritiek is ook wat lof op zijn plaats. In 1988 werd 'De Grote Theaterfestivalprijs' geboren, waar aanvankelijk 50 000 euro voor werd uitgetrokken. De hoofdsponsor was de Dommelsche Bierbrouwerij. Het bedrijf uit Dommelen, Nederland, ontstond in 1744 en was erg met theater begaan. De prijs heette in oorsprong dan ook 'De Dommelsche Theaterprijs' (een aparte ere-jury, van vier à vijf man, selecteerde de winnaar. In 1988 was dat Romeo en Julia van Dirk Tanghe). Naast 'De Grote Theaterfestivalprijs' werden ook prijzen uitgedeeld door de vereniging van schouwburg- en concertgebouwdirecties voor individuele acteerprestaties. Die prijzen zijn nu beter bekend onder de namen 'Louis d’or' voor beste Nederlandse acteur en de 'Theo d’Or' voor beste Nederlandse actrice.
Opvallend was dat ook het jeugdtheater toen nog deel uitmaakte van het parallelprogramma. En naast dat jeugdtheater, kon men ook voorstellingen van professionele gezelschappen bekijken die niet in de selectie zaten maar die de organisatie ook ‘belangwekkend’ vond.
Dit was bij de edities van 2004-2007 nog steeds het geval, bevestigt Michel Price, die toen coördinator was. Vier jaar geleden kon u bijvoorbeeld op een stuk braakland naar het gelijknamige stuk van Lotte Van Den Berghe. Op tientallen meters van het publiek speelde zich toen een woordeloos verhaal af tussen een aantal figuren, die tot primitieve stammen behoorden. Een tachtigtal toeschouwers keken op een enkele rij naar dit schouwspel.
Een kleinere groep ging picknicken met twee acteurs van Needcompany en een Nederlandse dansdramaturg van theater Frascati in het parkje tegenover deSingel. Met een dekentje op schoot, wat brood en een glas wijn, kon men genieten van deze dansvoorstelling.
Het overkoepelende thema was toen spelen op locatie en het publiek mocht ervaren dat het niet steeds frontaal voor een podium hoeft te zitten om een voorstelling te smaken. Hij koos voor de editie van 2006 ook voor een centrale gast, namelijk Jan Decleir. Dit vertaalde zich onder meer in de affiche van dat jaar, een lithografie van zijn hand en een minitentoonstelling in de gangen van deSingel.
In 2006 werd in deSingel ook voor de eerste maal een voorstelling uit het amateurtheater ingelast die het Landjuweelfestival gewonnen had. Hiermee wou de organisatie onder leiding van Michel Price bewust een statement maken. Het verschil in appreciatie van amateurs en professionelen is nergens zo groot als in theater. "Terwijl voetbalfanaten zowel naar amateurclubs als internationale matchen gaan kijken, trekt amateurtheater een heel ander publiek aan dan beroepstheater. Dat vonden we heel betreurenswaardig. Met onze actie wilden we bruggen bouwen tussen het artistiek geïnspireerd amateurtheater en het professionele circuit."
Was er ook een jury die de voorstellingen van het randprogramma selecteerde? "Nee, we gingen af op ons buikgevoel", zegt Price. Toevallig zagen we een jaar veel locatiegerichte stukken en dan groeide ons thema daar automatisch uit voort. In 2004 hebben we in De Vooruit een parallelprogramma proberen oprichten rond performance maar om tal van redenen, waaronder tegenvallende subsidies, was dit minder geslaagd."
En ook de tentoonstellingen waren van bij het begin aanwezig, zegt Sonnen. Price herinnert zich vooral de expo rond theatermaquettes uit het Russisch constructivisme, uit een Duitse collectie, in de gangen van deSingel.
Ook Don Verboven, huidig coördinator van het festival en dus ook verantwoordelijk voor het zijspoor, heeft er een eigen visie over. "Ik zie ‘de Keuze’ als de brandstof die aanleiding geeft tot het parallelprogramma. Met dit programma bieden we context, diepgang en de kans het ook over het theaterlandschap in het algemeen te hebben. Wat gaat er goed, wat gaat er mis? De voorstellingen blijven de kern, de essentie. Maar een groot deel van de meerwaarde zit in de debatten, die ook aangedaan worden door mensen die daar heel specifiek naar op zoek zijn. Zo wordt een nieuwe kritische massa opgeleid. De meeste theatermakers hoor ik niet klagen, ze genieten ervan ook eens gewoon te kunnen vertellen. Naast dit alles zie ik de pers en de polemiek die zij soms creëren zie ik als een deel van het parallelprogramma."
Welke valkuil moeten we vermijden? ‘Het programma mag niet zelfbevestigend zijn, als een polonaise waarin iedereen meehuppelt en uitgilt hoe goed het wel gaat. Daarom heb ik er ook niks op tegen wanneer in de Dagkrant een negatieve recensie staat. Hierbij moet je wel opletten dat het geen inrichtingsverkeer blijft. De tegenpartij moet altijd kunnen reageren, dan pas wordt het interessant. Het is ook onsin dat dit handvol voorstellingen de onbetwistbare top is, ik heb zelf ook verscheidene andere voorstellingen gezien, die hier evengoed op hun plaats zouden zijn."
Verbovens visie sluit nauw aan bij die van zijn voorganger Price. Hij was het bijvoorbeeld roerend eens met diens beslissing 'De Grote Theaterfestivalprijs' af te schaffen. "Competitie binnen het festival vind ik geen goede zaak, het laat toeschouwers ook minder ‘zuiver’ nadenken over de voorstelling en daarbij: hoe vallen al deze disciplines te vergelijken?" Al zijn er natuurlijk verschillen: "Ik ben ervan afgestapt echte voorstellingen te programmeren binnen het bijprogramma, dit werkte vaak verwarrend en gaf daarnaast een gevoel van ondermijning naar de jury toe." Projecten als a.pass, waarbij jonge ‘theateronderzoekers’ hun ding mogen tonen in de vorm van onder meer performances, juicht hij dan weer toe. "Dit is de nieuwe lichting, de onderbuik van het landschap, binnenkort is het aan hen."
Vinden mensen gemakkelijk de weg naar het nevenprogramma, vooral wanneer dit zich afspeelt op een braakliggend terrein of in de gang van het toneelhuis?
"De selectie wordt meer gepromoot en krijgt meer aandacht van het publiek", zegt Price, "maar er hoeft ook niet altijd een massa naar de voorstellingen te gaan. Bij de picknickvoorstelling tegenover deSingel was dat bijvoorbeeld niet mogelijk. Toch is het parallelprogramma een must voor mensen die een grotere interesse in het thema hebben."
Dat bevestigd Sonnen: "Als coördinator heb ik het parallelprogramma altijd bijzonder belangrijk gevonden. Het heeft me plezier gedaan om er aan mee te werken." Don vult aan dat bezoekers van het programma vaak via partners, zoals het Vlaams Theater Instituut, hun weg vinden. "Wanneer Wim Van Gansbeke zijn nieuwste boek wordt voorgesteld, is het belangrijk dat de juiste mensen op de juiste plaats zijn en dat lukt meestal behoorlijk."
Een mooie traditie waar hopelijk niet snel een einde aan komt.







