Van het begin
Geen klinkende roeping maar een combinatie van toevalligheden bracht Don Verboven bij het theater. Ten huize Verboven, een eenvoudig arbeidersgezin uit Meer, een ‘heidebloempje’ in de streek rond Hoogstraten, was theater niet echt aan de orde. Goede schoolresultaten met het vooruitzicht aan de universiteit te kunnen studeren primeerden. Behalve in de Warande in Turnhout was er ook nergens in de omgeving theater te zien. Het was op de schoolbanken dat Don Verboven zijn bestemming zou ontdekken. In het derde studiejaar, zo herinnert hij zich, was hij geïntrigeerd door een luisterspel over Alfred Jodokus Kwak dat meester Karel liet horen. Zijn eerste stappen op een podium zette hij enkele jaren later tijdens een schooluitstap naar de Warande. Met een bijzondere fascinatie keek de toen veertienjarige Don van op het podium de zaal in. Van dan af aan fietste Verboven, wanneer zijn ouders op reis waren, naar de Warande en liet er zich begeesteren door voorstellingen van bekende gezelschappen zoals de Blauwe Maandag Compagnie. Op zijn achttiende was Don Verboven dan ook vastbesloten om toneelschool te volgen.
Over de studiejaren
Zijn studieloopbaan kende vele omzwervingen. Overtuigd volgde Don zijn roeping om acteur te worden. Hij nam deel aan alle mogelijke toelatingsproeven maar bracht er weinig van terecht. Lachend stemt de festivalcoördinator in men het oordeel dat hij toen te slecht acteerde om toegelaten te worden. Enkel het Rits zag enig potentieel in hem. Maar Don nuanceert dat de toenmalige toelatingsproeven niets voorstelden, zeker niet te vergelijken met het huidige toelatingsprogramma van het Rits. De toneelopleiding was in die tijd van een abominabel niveau. Theater was niet meer dan een klein extraatje voor de studenten film en televisie met wie de toneelstudenten de leslokalen deelden.
Teleurgesteld in de opleiding, gaf Don zonder medeweten van zijn ouders er de brui aan. Hij ging in een restaurant werken om zo een theatervorming in Amsterdam te kunnen bekostigen. In ’95 waaide er echter een nieuwe wind door het Rits. Een interne revolutie stelde het ouderwetse theaterprogramma aan de kaak, wat zou leiden tot de inrichting van de vernieuwde 'Opleiding Dramatische Kunsten Rits'. De keuze tussen een dure vorming in het amper betaalbare Amsterdam en de hervormde opleiding in Brussel was snel gemaakt.
Het was een bijzondere periode die een grote impact zou hebben op de jonge theaterstudent. Binnen de stimulerende omgeving van een opleiding in wording ging iedereen in dialoog met elkaar. Zowel studenten als docenten zochten naar de essentie van theater en stelden zich de vraag wat een theateropleiding zou moeten zijn. Er heerste een open sfeer waarbinnen niemand iets werd opgelegd en iedereen zijn ervaring deelde. Onder de vleugels van eminente theaterbeesten als Pol Dehert, Damiaan De Schrijver en Geert Opsomer gingen de theaterstudenten duchtig aan het experimenteren en kwamen in contact met bijzondere uitdrukkingsvormen zoals art brut. Het was een ongelofelijke brede scholing die voortdurende pertinente vragen stelde en daardoor veel verder ging dan theater.
Naar het professionele veld
Uit deze broeihaard ontstond Bronstig Veulen, een collectief van zes mensen die samen afstudeerden aan het Rits. Elk lid creëerde een individuele solovoorstelling. Het waren totaal ervaringen waarin je de meest diverse dingen zag. Het bijzondere was dat de voorstellingen zowel de acteurs als het publiek ruimte boden om te discussiëren. Essentieel voor Don is de communicatie tussen makers en kijkers. Kunstenaars moeten een eigen taal creëren en een werk afleveren dat een schakel vormt in een groter geheel. Dit is een verantwoordelijkheid die een voorstelling met zich meebrengt en veel mensen onderschatten dit. Daarom stopte hij zelf met het theater maken. Hij produceerde wel degelijk werk maar hij vond het geen meerwaarde voor het theaterlandschap. Met Paradijs voor de futlozen sloot hij in 2006 dit hoofdstuk af.
Vier jaar later mist hij het maken van voorstellingen nog steeds niet. Mocht anderzijds iemand hem verbieden nog ooit naar theater te gaan kijken, zou hij gek worden. Deze verantwoordelijkheid draagt hij met felle overgave. Vier jaar lang was hij programmator voor het jonge theaterwerk op TAZ, hij is oprichter van het Brusselse Bâtardfestival en beëindigt nu zijn vierjarige carrière als coördinator van Het Theaterfestival.
Zijn opkomst binnen het festivalwezen groeide organisch. TAZ was daarin erg belangrijk. In de beginjaren heerste er een groot ongenoegen onder de studenten omdat ze er minder behandeld werden, ze moesten er zelfs op de grond slapen. Don, een van de eersten die op het toen nog prille festival optraden, schreef ieder jaar opnieuw een boze brief. Uiteindelijk werden de organisatoren zijn brieven beu en nodigden hem in 2000 uit om zelf de zaken te komen regelen. Don ervoer daar de absolute honger van een heterogeen publiek naar theater en zag wat de dynamiek van de theateropleidingen kon teweeg brengen. Na vier jaar had Don een grens bereikt; hij kon op TAZ niet alle voorstellingen plannen omdat ze er niet pasten, dus zocht hij andere oorden. Brussel leverde het gepaste kader en het Bâtardfestival werd boven de doopvont gehouden.
In 2006 kwam Het Theaterfestival onder zijn auspiciën te staan. Op dat moment herstelde het festival van een stevige subsidiestrijd. Het was dankzij zijn voorganger, Michel Price, dat het festival überhaupt nog bestond. Don keerde terug naar de bron, las alle artikels uit eind jaren ’80 en hield vele gesprekken met alle betrokken partners. De conclusie was dat hij het festival moest terugvoeren naar haar oorsprong: het moest opengebroken worden en weer een belangrijke rol spelen in het actuele theaterveld. Deze actualisering betekende geenszins dat het festival een jaarlijkse best of van het voorbije seizoen moest afleveren. De selectie moet representatief zijn voor wat theater is en zal worden en wordt tot stand gebracht in dialoog met mensen uit de sector én het publiek. Don is trots dat deze werkwijze van dit festival een unicum in Vlaanderen maakt. Het festival komt haar publiek tegemoet in het parallelprogramma: de dagkrant, de voor- en nabesprekingen en de debatten vormen een forum waarop het publiek vragen kunnen stellen of een mening ventileren. Het feit dat er een veertigtal mensen aan deze gesprekken deelnemen en dat dit aantal gestaag groeit, toont ook aan dat er nood is aan zo’n vorm van contextualisering. Op die manier verwordt dit festival tot een uitgelezen plek om het theater verder te helpen ontwikkelen.
En de huidige editie, kan hij daar al iets over kwijt? Don is gelukkig. Knack-recensente Els Van Steenberghe heeft zich bij haar lezers geëxcuseerd omdat ze tijdens het seizoen nooit naar 1:Songs was geweest, een voorstelling die deel uitmaakt van de selectie 2010. Een welgekomen compliment na al de voorbije heisa van het publieksdebat.







