Meest recente artikels:
Summerschool Kunstkritiek
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Review Dit is mijn vader
Review Bakchai
"GE MOET NIE KLAPPEN OVER REVOLUTIE, DA IS ER NIE."
datum 29.08.2010
auteur Tina Ameel
rubriek Podium
Vorig jaar mocht Jan Decorte op Het Theaterfestival aantreden met Wintervögelchen, een bewerking van Shakespeare’s A Winter’s Tale. Hij is nu terug van helemaal niet weggeweest met Bakchai, zijn versie van de Bacchanten van Euripides. 
Andere ingrediënten, zelfde recept. De hoofdpersonages van de tragedie zijn dit keer geen koningen en koninginnen, as Shakespeare likes it, maar goden en mensen, zoals de Grieken het gewend waren. Zeus en Semele krijgen samen een zoon, Dionysus, of Bacchus bij zijn Romeinse naam. Hoewel hij een sterfelijke moeder heeft, is hij een hele god en geen halfgod zoals hij dat volgens de wetten van de genetica zou moeten zijn.
Met zijn goddelijke krachten verleidt hij de vrouwen en enkele oudjes om met hem bacchantisch te komen dansen en drinken boven op de berg. Dat stoot koning Pentheus tegen de borst en de twee komen lijnrecht tegenover elkaar te staan. Pentheus moet het onderspit delven en wordt op het einde gelyncht door een dyonisisch bezeten menigte, onder wie zijn eigen moeder.

"Mensen mogen nie hoogmoedig zijn”, zo spreekt Dionysus bij zijn eerste opkomst. Een moraal waar de Grieken steevast bij uitkwamen als ze goden en mensen tegenover elkaar plaatsten, altijd dus. Ook voor dit stuk vat dat het zowat samen.
In keuze van materiaal en de wijze van bewerken, maar ook scenografisch in tekst en acteren, is Bakchai een kopie van Wintervögelchen. Er is de sobere scène, met alleen enkele houten en witte platen, een paar stoelen en een katheder van waarachter Decorte op de hem bekende, fulminerende wijze de verteller, Cadmos en Tiresias speelt. Als enig bijkomend decorstuk, gekozen om zijn eenduidigheid, vermoed ik, een giraf. Er zijn de éénkleurige kostuums, de blote voeten, de losse haren, het gebrek aan franjes. De anders zo doorwrochte taal van de Griekse tragedies is vereenvoudigd tot een kinderlijk, boers taaltje waarin het prettig foeteren en tekeergaan is. Het spel is grotesk, emoties worden overduidelijk uitgebeeld.
Het vakmanschap waarmee Jan Decorte dit alles in scène zet, is groot. Het concept zit zo strak in elkaar dat er geen speld tussen te krijgen is. Alles klopt, tot en met de flauwe humor toe die zo wordt doorgedreven dat hij weer goed wordt. Decorte weet niet alleen wat hij doet, hij weet ook waarom hij het doet. Hij kleedt het repertoire (letterlijk) uit, ontdoet het van al zijn pathos, hoogdravendheid en verhevenheid. Zo legt hij de essentie ervan bloot; de eisen van beschaving zijn aan deze personages niet besteed. Mensen en goden worden ongenadig over één lijn getrokken en beiden ontmaskerd als gevallen wezens; gemakkelijke prooien voor lust, hoogmoed en machtsdrang.
 
Aldus loopt alles gesmeerd maar dat is nu het probleem. Het spelplezier van de acteurs is zo groot dat ik mij soms afvraag of ze zich ten behoeve van mij of vooral ten behoeve van zichzelf staan uit te leven. De doorgedreven onnozelheid waarmee alles aangepakt wordt, is een dubbeltje op zijn kant. Soms werkt het perfect om de aandacht te vestigen op de eigen kwestbaarheid en plompverlorenheid maar even vaak slaat het om in zelfingenomenheid. De enige relevantie van het repertoire in deze voorstelling lijkt mij dat je jezelf ermee tentoon kan stellen door het materiaal over de hele lijn naar jezelf toe te trekken.
Omdat het procédé in dit geval duidelijk beproefd is, mist het zijn effect niet. Maar het is een gimmick geworden. De term ‘vakmanschap’ die ik eerder gebruikte, verliest in dit licht elke betekenis. Termen als ‘goed’ en ‘slecht’ dienen in mijn ogen nergens toe als je ze moet toepassen op een theater dat zichzelf herhaalt met telkens dezelfde uitkomst. Dit is theater van de voorspelbaarheid, het overdoen van kunstjes waarvan je zeker bent dat ze werken, en dan ook zeker zijn dat je er bijval voor zal oogsten.
 
Theater moet niet veilig zijn maar van de tijd. De tijd is allesbehalve veilig maar gevaarlijk en meedogenloos en daar moet theater stilaan aansluiting bij zoeken. Daarvoor is een eigen vormentaal nodig, uniek per maker, uniek per voorstelling, uniek per seconde. Een vormentaal die risico’s inhoudt doordat ze zichzelf zonder ophouden heruitvindt en zo moment na moment de naaktheid en hulpeloosheid van de maker aan het licht brengt. Ik wil geen kunstgrepen meer zien maar grepen náást de kunst, mislukte pogingen om zichzelf te verstoppen achter truukjes.
Keer op keer voel ik mij bedrogen als ik makers hun eigen zekerheden zie opdreunen. Hoe uniek een theatrale taal ook is, als ze telkens herhaald wordt en daardoor geperfectioneerd, gepolijst, onaantastbaar, kan ze onmogelijk nog essenties raken in deze wankele tijden.
"Ge moet nie klappen over revolutie, da is er nie”, aldus Dionysus. Dat klopt. Maar er is wel stilaan nood aan.
Reageer
Voornaam
Naam
Email
Reactie