Ik zit hier in ons redactielokaal van kippengaas en staar door een raam dat baskets en naaldhakken op ooghoogte serveert. Achteraan beschermt een boeketje parasols het flowerpower barbecue-eiland, lampenkapjes wiegen in de wind, honden laten zich aaien. En in Pakistan blijft de zondvloed maar duren.
Even ons geheugen opfrissen. Eind juli 2010 gaan de watersluizen boven het buurland van India open. De eerste dagen gaat de media-aandacht nog vooral naar het gecrashte vliegtuig eerder die week met 152 doden, want het regent elk jaar in Pakistan en zelfs de president vindt het niet de moeite zijn Europees luxehotel te verlaten. Maar de dodenteller van de ‘trage tsunami’ begint aan een exponentiële klim en zeker het aantal vluchtelingen neemt monstrueuze proporties aan; momenteel zouden 20 miljoen inwoners getroffen zijn. Epidemieën dreigen uit te breken, watertekorten zijn steeds nijpender, de lokale vee- en landbouweconomie is weggespoeld.
Er wordt om hulp gevraagd, uiteraard. Er komt ook hulp maar dat blijkt niet zó vanzelfsprekend. Mensen stellen zich vragen, hier én daar. Wie heeft een geheime agenda? Wie mag (niet) helpen of geholpen worden? “Als ze geld hebben voor kernwapens moet die corrupte elite hun eigen bevolking maar kunnen helpen!”, “Slachtoffers van een misdaad mogen zelf niet als misdadigers worden behandeld.” Op de moderne rostrae laten de retorici van deze tijd de inkt lustig vloeien.
Hoewel hulporganisaties eerst voorspelden dat bij een grootscheepse mediacampagne de kosten-batenanalyse negatief zou uitdraaien, is het tij langzaam gekeerd. Een maand na datum brengt Pakistan 1212 al bijna 2 miljoen in het laatje en de stortingen zitten in de lift. En ook in entertainmentland gaat de wekker af: 'De Laatste Show’ verkoopt zichzelf, sms-acties en een lokale wafelenbak komen eraan.
“Ok, maar waarom mijn avondje uit verstoren met deze tekst?” vraagt u zich af, “Wat heeft theater hier überhaupt mee te maken? Niets. Als u dat wil helemaal niets. Het is volkomen mogelijk dat u naar Irakese geesten gaat, een authentieke oorlogsgetuigenis, om vervolgens een pintje te drinken in de foyer en voldaan huiswaarts te keren. Ik twijfel, ik twijfel. Theater is voor mij geslaagd als je het meeneemt naar huis, uiting geeft aan het kloppend hart van een maatschappij (al moet ik bekennen dat mijn gedachten hierover nog wel wat rijping kunnen gebruiken). Een festival brengt per definitie mensen, veel mensen samen. Een theaterfestival, over mensen, met mensen, je zou denken dat je toch niet méér in de wereld kan staan? Of houden we ons in onze zone beter aan onze voorstellingen, zoals het tevoren werd beslist en bepaald? Stel jezelf de vraag: missen we hier niets? Moeten we de onvoorspelbare, grote wereld niet meer de kans geven binnen te dringen in ons gedirigeerde, kleine universum? De bezoeker op interactieve wijze linken laten leggen met de actualiteit? Hang naast de bar een lijst verse krantenkoppen, de namen van de voorstellingen en een stift om beide naar keuze te verbinden, hang tussen de tentoonstelling van Kurt Van der Elst één foto uit het rampgebied. Ik stel hier geen eis tot knikkende Pakistaanse beeldjes naast elke zaaluitgang, geen stapels flyers aan de bar, zelfs geen hippe sms-actie. Ik eis niets. Maar ik vraag wel.







