Wat is dat toch met het theater en zijn publiek? Voorheen werd Het Theaterfestival verweten te voorspelbaar te zijn. Languit gestrekt in de pluche, geeuwden enkele kunstpausen dat het wel wat verrassender mocht. Niche programmering, zo luidt de gepaapte kritiek nu, sinds Don Verboven aan het roer staat. Conclusie: dit festival behoeft een prikkelende programmatie dat de platgetreden paden mijdt maar toch een lichtje doet branden bij het grote publiek. U zucht? De oplossing is eenvoudig: op naar het kijkkasttheater! Deze massa radeloze zieltjes dient het licht aangereikt te worden, alvorens ze het kan zien. Toon daarom in de aanloop van het festival alle voorstellingen op de buis, ingeleid, becommentarieerd en van nawoord voorzien door een kenner à la André Vermeulen. De toeschouwer schijnt immers onbekend werk niet te kunnen verteren. Televoting levert dan de geselecteerde voorstellingen. Op die manier wordt de festivalselectie een democratische staalkaart van wat het publiek wil (tenzij ze te lui zijn om te bellen), reikt de draagkracht van theater dankzij de openbare omroep tot aan de landsgrenzen en kunnen de specialisten niet te zeer hun stempel doordrukken (zij kunnen toch nooit opwegen tegen de telefonische stem van het grote publiek).
Lopen hier in deSingel nu slechts schimmige 'niche-adepten' rond? De fysionomie van de huidige toeschouwer wekt in elk geval geen achterdocht. Tevergeefs heb ik verwoed gezocht naar de theaterwufte kunstnichten die de lucht lek prikken met stellingen die boven de gewone hoofden uitsteken. Geen overaanbod van grijswarrige, bedaagde mannen die hun kijk filteren door hun intellectueel brilletje met hoornen montuur. Geen jongmensen met de pil Antonin Artaud, Verzameld Werk onder de arm (al zou ik dergelijke verschijning wel heel verdacht vinden). Nee, nergens vind ik wereldvreemd gekokketeer. Men spreekt hier begrijpelijke taal, soms met enige gereserveerdheid, af en toe geëxalteerd maar nooit ontoegankelijk. Tenzij dit dan een slinkse zet is van de 'niche-adepten' om hun eigen hermetisch festijn een alledaagse schijn te geven. Ik betwijfel het. In elk geval heb ik er nog niemand op betrapt zich in de toiletten te vermommen, zijn intellectuele dedain voor de grote massa maskerend met de milde blik van een gewone, theaterminnende burger.
Ik zag ooit ergens ten velde, na een volksverheffende theatervoorstelling in een of andere parochiezaal, Hamlet tegen een boom pissen. Hoewel het doek al lang was gevallen, begreep ik de man volledig. Het zou ook op mijn blaas spelen, mocht ik meemaken wat hij heeft doorstaan. Dit was theater voor mij; getergd door de grootse tragiek van een bijna bovenmenselijk verhaal, kan Hamlet ook niet meer dan zijn blaas legen en even op adem komen, zoals iedere mens.
Zo is ook die grootse erudiete schijn, die enkelen in het theater hoog willen houden, wezenlijk niets meer dan het schouwspel van kleinmenselijkheid. Daarom, beste publiek, sta op en laat u niet aanwrijven dat u het theater niet aankan.







