Sigrid Merx (universiteit Utrecht) leidde het debat waarin vier heren de degens kruisten: Bregt Van Wijnendaele (Cuttingedge), Matthijs De Ridder (deReactor), Pieter T’Jonck (De Morgen) en Jan Hautekiet (VRT). Merx kondigde aan dat ze kritisch en instructief zouden debatteren over vormen die kritiek kan, zal of moet aannemen. Wat echter volgde, was de weinig verwonderlijke vaststelling dat het beter moet met de dagbladkritiek en heel weinig toekomstvisie.
Matthijs De Ridder wenste de dagbladkritiek een stille dood toe. Doorwrochte kunstkritiek is toch niet meer mogelijk in de gedrukte media. De media die de wetmatigheden van de markt volgt, heeft immers een broertje dood aan breedvoerige kunstkritiek. Commercieel gezien zijn zo’n lange teksten weinig rendabel. Bovendien wordt de nieuwswaarde bepaald door de actualiteit, waarbinnen kunst een zeer geringe rol speelt. In hun schamele cultuurbijdrage maakt de dagbladkritiek zich dienstbaar aan de consensus om de verkoop te bestendigen; enkel de werken die het grote publiek interesseren worden gerecenseerd. En dit binnen een zo beperkt mogelijke ruimte. Binnen het journalistieke format primeert het te verkopen product op de maatschappelijke bijdrage en het intellect. Daarom, zo concludeert De Ridder, moeten we afscheid nemen van de printmedia en ons heil zoeken in het internet. Pieter T’Jonk pareerde dat de krant een ideale plaats is waar het publiek vaak een eerste keer kennis neemt van een nieuw werk maar gaf ook toe dat de ruimtebeperking in de traditionele media diepgravende kritiek onmogelijk maakt. Een andere zelfkritische noot was dat veel mensen de krant kopen in de overtuiging dat er een uitgever aan het hoofd staat die kwaliteit verzekert. Dit vergeten de kranten en dit is een deel van De Ridders verwijt: de huidige dagbladcriticus mist homogeniteit. Ze spuien meningen die elke gegronde argumentatie missen en van de ene dag op de andere kunnen veranderen.
Alleen Bregt Van Wijnendaele durfde het aan zich te richten op de werkelijke opzet van dit debat: wat met de toekomst? Hij deed uit de doeken hoe de individuele creativiteit uit de oude media baan moet ruimen voor de collectieve creativiteit in teamverband. In de nieuwe media brengt de massa iets over aan de massa. Als nieuwe stek wees hij de kunstkritiek het forum toe. Een totale democratisering van de kunst dus, waarbij de kwaliteit gegarandeerd wordt door het aanklinken van een I like button. Hoe meer een persoon aangeklikt wordt des te groter zijn geloofwaardigheid wordt. Daar miste zijn betoog draagkracht. Daar fulmineerde T’Jonck tegen dergelijk participatiesites; ze kennen enkel de regels van de marktplaats, wie het hardst schreeuwt, wint het pleit. Dat een vrij ongenuanceerde muisklik dan kan bijdragen tot iemands autoriteit is ongeloofwaardig. Een conclusie was dat kwaliteit enkel kan gewaarborgd worden mits verloning. Geld trekt professionalisme aan en levert kwaliteit op. Hautekiet maakte de slotsom: het reeds ontgonnen terrein moet worden behouden in evenwicht met de markt en het intellect. Daarnaast moeten we met alle vormen experimenteren om de kwaliteit ervan te vinden. Tot slot dient Wim Van Ganseke een voorbeeld te zijn; op een briljante wijze passie en kennis in woord en media omzetten.
Wim Van Gansbeke leidde zelf de boekvoorstelling in. De opname van zijn programma Happening, waarmee Van Gansbeke zijn naam vestigde, sprak voor zich: een radde tong, vlijmscherpe analyses, een vleugje humor en een literaire pen. Theaterrecensent Wouter Hillaert bundelde kritieken, interviews en lezingen van deze criticus in het boek Stomp niet af, stomp terug. Wat onderscheidt Van Gansbeke van de andere recensenten dat het bestaan van zo’n boek noodzakelijk maakt? Hillaert prees in de eerste plaats de literaire kwaliteit van Van Gansbekes pen. Daarnaast werkte de criticus in een bijzonder interessante periode van de Vlaamse theatergeschiedenis; jonge snaken zoals Perceval en Decorte doen het Vlaamse theaterwezen op zijn grondvesten daveren. Wim Van Gansbeke had oog voor dit opkomend talent. Hij steunde hen en rekende af met de vermolmde theaterhuizen die er maar niet in slaagden aansluiting te vinden met deze nieuwe theaterbeweging. Van Gansbeke was een provocateur. Hij zocht naar echt theater dat spannend, intelligent, vernieuwend en bovenal een feest was. Wie dit niet kon opbrengen, werd geslachtofferd aan zijn onverbiddelijke pen.
Kan zijn werk nog iets bijdragen aan de huidige theaterkritiek? Hillaert moest vaststellen dat een recensent als Van Gansbeke heden ten dage geen forum meer zou krijgen. Hij was een pedagoog die zijn publiek wilde leren kijken naar theater. Vanuit een gegronde tekstanalyse ontlede hij de machinerie en radertjes van een voorstelling. De huidige recensenten moeten eerder het publiek iets aanbieden. Maar het is de rigoureuze kracht van Van Gansbeke als bewaker en vrijbuiter van het theater dat inspireert.







