Het verhaal van het toen nog ‘Nederlands-Vlaamse’ Theaterfestival start in 1987. Het bloeiende Amsterdam mag zich dat jaar ‘Culturele Hoofdstad van Europa’ noemen, een initiatief dat slechts twee jaar eerder werd gelanceerd. Een tweede aanleiding is de dalende spiraal waarin het bezoekersaantal van Nederlandse voorstellingen was terechtgekomen (een probleem dat volgens Sonnen in Vlaanderen nooit echt aan de orde was). De ex-directeur vertelt: “De toneelprestaties zelf leden hieronder, artiesten kregen het gevoel dat er geen behoefte aan hen was. Het festival schroefde hun zelfvertrouwen omhoog en bracht mensen samen. De samenwerking tussen Vlaanderen en Nederland lag voor de hand. In hetzelfde taalgebied deel je een stuk cultuur en daarbij waren er in de jaren 80 veel wederzijdse invloeden, vooral van Vlaanderen op Nederland. Men sprak zelfs van ‘de Vlaamse golf’.”
De samenwerking binnen de Lage Landen neemt doorheen de jaren verschillende gedaantes aan. Na drie edities in de traditie van het eerste jaar, ditmaal wel in Rotterdam, wordt het festival ‘verdubbeld’. Dit onder impuls van Patrick Dewael, toenmalig Belgisch minister van cultuur, die met de verkiezingen in zicht dit prestigieuze project maar al te graag naar België haalt. Concreet hield dit in dat dezelfde geselecteerde voorstellingen werden hernomen in Vlaanderen - afwisselend speelde Antwerpen, Brussel of Gent gastheer – maar met een eigen parallelprogramma. “De samenwerking was er nog steeds”, benadrukt Sonnen, “het festival had één bestuur en thema’s werden op elkaar afgestemd.” Dit verandert in 2004, wanneer het theaterfestival in Nederland van de subsidielijst wordt geschrapt. “Voor mij was het toen tijd voor iets nieuws, achttien jaar heb ik dit gedaan en dat is eigenlijk te lang.” Het festival splitste zich in twee levensvatbare delen. “De Vlaamse opvolger bleef meer trouw aan de zuiver artistieke uitgangspunten, in Nederland was men naar mijn mening te commercieel. Tegenwoordig is het tij opnieuw aan het keren, Nederland doet meer moeite voor kleinschalige alternatieven, de uitwisseling groeit weer. Al is het natuurlijk uitkijken naar wat onze nieuwe regering in petto heeft wanneer ze theater bestempelt als ‘een linkse hobby’.”
Als oude rot in het vak heeft Sonnen het theaterlandschap zien evolueren: “De kwaliteit van het theater is enorm toegenomen, onze acteurs kunnen Hollywood aan, dat is wel eens anders geweest. Het Theaterfestival was een pionier. Tegenwoordig springen de festivals als paddenstoelen uit de grond, vroeger waren we bijna een unicum.” Op gebied van randactiviteiten bij voorstellingen zette het festival een trend: “het modern theaterbezoek is meer dan een avondje bioscoop, het publiek wil toelichting, nabespreking, debat,... We stonden eveneens mee aan de wieg van het repertoire-idee, vroeger was het erg ongewoon een voorstelling te hernemen, nu heeft elk gevestigd gezelschap een aantal vaste stukken, wat door publiek en acteurs erg geapprecieerd wordt. Als laatste is er onze invloed op internationaal vlak: wij lieten het publiek en de makers kennismaken met de nieuwe namen, er was buitenlandse aandacht voor wat we allemaal deden.”
Het internationale aspect ligt Sonnen nauw aan het hart. “In de toekomst zullen de twee festivals weer versmelten”, voorspelt hij, “dit is ook altijd mijn standpunt geweest: internationale coöperatie is een must. Taal is geen belemmering meer, omdat het beeldende boomt en bij teksttheater simultaanvertaling een verantwoorde optie geworden is. Klagen dat je als Nederlandssprekende niet kunt doorbreken, is verleden tijd.” Sonnen kende triomf en kritiek, discussie en compromis, zou hij het opnieuw doen? “Absoluut, zonder twijfel. Het is mijn kindje hé.”







