Meest recente artikels:
Summerschool Kunstkritiek
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Review Dit is mijn vader
Meer artikels van Thom Vander Beken:
twee theatervernieuwers brengen opera tot leven.
Een retrospectieve in het Wiels te Brussel
kunstkamers in het Rubenshuis te Antwerpen.
Een interview met Aviel Cahn, de intendant van de Vlaamse Opera.
LE NOUVEAU OPÉRA DE FLANDRE EST ARRIVÉ
datum 23.03.2010
rubriek Podium
De Vlaamse Opera is terug van weggeweest! Begin maart werd de komst van een nieuwe chef-dirigent aangekondigd, Dmitri Jurowski, en ook de nieuwe producties uit de Tsjaikovski-cyclus laten weer van zich horen. Ondanks krappe budgetten en de weinig ambitieuze Vlaamse visie op cultuurbeleid wordt bij de Vlaamse Opera gewerkt aan een open huis dat probeert om de operaklassiekers te laten aansluiten bij de wereld van vandaag. Allemaal dankzij de Zwitser Aviel Cahn. Sinds vorig seizoen staat de jongste opera-intendant van Europa aan het roer van één van onze Vlaamse culturele vlaggenschepen en het moge ondertussen duidelijk wezen dat de kapitein zijn schip niet rustig in de haven wil laten liggen.
De eerste storm kwam vorig jaar met de productie Samson en Delilah. Cahn had een Israelisch-Palestijns regisseursduo, de jonge Amir Nizar Zuabi en de ervaren Omri Nitzan, gevraagd om het verhaal van de onmogelijke liefde tussen de Jood Samson en de Filistijnse Dalila naar vandaag te vertalen. De artistieke visie van het tweetal op het conflict in het Midden-Oosten schoot de Antwerpse Joodse gemeenschap fameus in het verkeerde keelgat.
Dit seizoen staat een andere controversiële productie op de affiche: de Franse versie van Verdi’s Don Carlos. De Duitse regisseur Peter Konwitschny laat tijdens de pauze het spektakel alweer starten. Het publiek staat in de foyer nog met de champagne in hun hand als bewakers een bende ketters door de verraste menigte jagen. Op de scène staat het koor, ondertussen ook met champagneglazen, klaar om koning Filips II en zijn gevolg te ontvangen. De mechanismen van de macht worden in deze productie subtiel blootgelegd, en ook de medeplichtigheid van het operapubliek zelf wordt door de regisseur aangekaart.

Thom Vander Beken: Als zesjarige zou u uw vader verteld hebben dat u operadirecteur wou worden. Waarom trok dat beroep u zo aan?
Aviel Cahn: Misschien heeft mijn vader dat wel gezegd (lacht). Hij was cultuurjournalist en bij ons thuis waren theater en opera altijd heel aanwezig. Als kind zat ik in een kinderkoor en boeide opera mij al heel sterk. Maar of ik dat al als zesjarige gezegd heb, dat weet ik niet meer.

TVB: U bent nu één van de jongste opera-intendanten van Europa. Is dat een voor- of een nadeel?
AC: Ik denk geen van beide, maar zeker geen nadeel. De belangrijkste opdracht voor al mijn collega’s is om het operapubliek te verjongen, en om een nieuwe mix van publiek te bereiken. Het is een hele uitdaging om op zoek te gaan naar manieren om het traditionele publiek te veranderen, en het is dan waarschijnlijk een voordeel als je zelf tot de generatie behoort die je naar de opera probeert te lokken. Misschien is het voor mij dus makkelijker omdat ik nog die open geest heb en niet al 20 jaar die taak uitoefen.

TVB: Zijn er andere opera intendanten die u bewondert?
AC: De Zwitser Rudolf Lieberman bijvoorbeeld die eerst actief was in Hamburg en daarna ook in de Opéra National de Paris. Iemand als Claus Helmut Drese heeft in de Wiener Staatsoper dramaturgisch bijzonder interessante dingen gedaan en heeft geprobeerd om tegen het conservatieve Weense operapubliek in te gaan. Hij leidde tussen 1975 en 1986 de opera in Zürich en dat was ook de periode dat ik daar in het kinderkoor zat. Ik heb die hele renaissance van de oude muziek met Nikolaus Harnoncourt en Jean-Pierre Ponnelle dus van dichtbij meegemaakt. Maar ook voor iemand als Gerard Mortier heb ik veel bewondering.


TVB: Er is steeds minder plaats voor cultuuronderwijs. U liet in een interview met De Standaard verstaan dat het daarom steeds belangrijker wordt dat de cultuurhuizen zelf een educatieve taak op zich nemen.
AC: Het is niet alleen een probleem in de scholen, maar vooral ook thuis. We kunnen er niet meer automatisch op rekenen dat iemand thuis van Mozart, Goethe of zelfs Hugo Claus hoort. Daarom is het belangrijk dat de cultuurinstituten zelf de nodige inspanningen leveren om de jongeren te bereiken en te informeren. De boodschap moet zijn: de opera is er ook voor jou!
De samenstelling van onze samenleving is grondig gewijzigd en we hebben er veel mensen bij gekregen met een andere culturele achtergrond. We moeten de moeite opbrengen om onze cultuur te communiceren. Als men over integratie praat, dan begint dat met cultuur. Het is niet gemakkelijk en het heeft veel tijd nodig, maar het is noodzakelijk. De politici die dus zeggen dat cultuur geen belang heeft vergissen zich.

TVB: Als ik u zou vragen om een definitie van opera te geven, wat zou die dan zijn?
AC: Opera op zijn best is voor mij een sociaal-emotionele ervaring. Door de combinatie van muziek en theater ontstaat iets dat je zowel in je intellect als in je hart stimuleert en inspireert. Opera hoort voor mij scenisch gebracht te worden. De muziek is abstract en het is precies de enscenering die de mogelijkheid biedt om met een kritische blik naar onze samenleving te kijken; om over een aantal fundamentele zaken na te denken. Dat was volgens mij ook de bedoeling en de motivatie van alle grote kunstenaars zoals Mozart of Verdi. Dat maakt opera tot een unieke kunstvorm en dat onderscheidt ons ook van het commerciële circuit.

TVB: U zet sterk in op engagement, nochtans wordt de generatie van vandaag net een gebrek aan maatschappelijke betrokkenheid verweten.
AC: Ik kan me moeilijk voorstellen dat iemand die hier opgroeit, onverschillig kan blijven als hij ziet wat er bijvoorbeeld gebeurt bij Opel in Antwerpen. Ik denk niet dat hij ervan uit gaat dat zijn bed gemaakt is. Jongeren van vandaag zien de uitdagingen voor zich. Ze beseffen dat ze ideeën moeten hebben en creatief uit de hoek moeten komen om het gevecht met de toekomst aan te gaan. Tegenwoordig gebeurt alles op het scherm: internet, games, facebook. Wel, opera biedt de jongeren de mogelijkheid om een menselijke ervaring te delen die zich live afspeelt in een theater. Het is belangrijk dat we onze jongeren die mogelijkheid blijven bieden.
We werken veel samen met scholen en de reacties zijn altijd heel positief. Alles hangt ook af van je communicatie. Als ons magazine bijvoorbeeld vol zou staan met goud en diamanten, dan geef je de verkeerde indruk. Jammer genoeg kunnen we maar 90.000 mensen per seizoen een plaats bieden. Op 6 miljoen Vlamingen is dat maar een kleine groep, maar we willen vooral de verschillende generaties met elkaar mixen. In onze nieuwe productie Jevgeni Onegin bijvoorbeeld brengt regisseur Tatjana Gürbaca ook de verschillende generaties samen op de scène. Ik vind het fantastisch dat die dialoog tussen mensen van verschillende leeftijden er is.

TVB: Hoe wilt u dat concreet aanpakken om bijvoorbeeld Marokkaanse jongeren naar de zaal te lokken?
AC: Vorig seizoen bijvoorbeeld hebben we met onze productie Samson en Delilah een discussie op gang gebracht, ook bij mensen die normaal nooit over opera zouden praten. Ze beseften toen dat die Vlaamse Opera er ook voor hen kan zijn en dat we ons niet alleen willen richten op de rijken van St-Martens-Latem of Brasschaat. We proberen de dialoog aan te gaan met iedereen in de maatschappij. Ik ben er geen voorstander van om terwille van de participatie onze voorstellingen te verkleuteren. Als je dat doet kunnen we alles wat onze cultuur in de afgelopen 500 bereikt heeft, weggooien.
Ik ben voorstander van een andere mening. We moeten ons afvragen hoe we Goethe toegankelijk kunnen maken voor mensen die daar geen toegang tot hebben; of die door gebrek aan achtergrond niet weten waarover het gaat. De uitdaging is dus opnieuw sterke communicatie. Wij moeten naar de mensen gaan en niet wachten tot de mensen naar ons komen! De beleidsmakers verwijten ons dat we te elitair zijn en dat te weinig mensen naar de opera kunnen komen. Mijn antwoord is altijd dat opera een intieme kunstvorm is die leeft in de intimiteit van een theater met 1200 plaatsen.
Het is ook een sociale belevenis. Volgens mij hoort opera dan ook niet thuis in arena’s van 30.000 mensen. Daar draait het om het goedkoop spektakel. Als we meer mensen willen bereiken, moeten we meer spelen. Als we dat willen bereiken zonder onze ticketprijzen te verhogen, dan heb ik meer subsidies nodig voor mijn huis. Opera is nog altijd een relatief dure kunstvorm omdat er zoveel mensen bij betrokken zijn, maar ik vind niet dat we nu ook onze operaproducties uit China en India moeten gaan importeren (lacht).

TVB: Opera is een sterk gesubsidieerde kunsttak, beïnvloedt dat uw kijk op de functie en de rol van opera?
AC: De verantwoordelijkheid is wel anders. Als je met openbare middelen dingen doet, dan moet die kunst een brede waardering hebben. Dat hoeft niet noodzakelijk te betekenen dat ook iedereen komt, maar er moet een positief beeld rond de opera bestaan, ongeacht of men zelf komt of niet. Ik heb geen verantwoording naar de politiek toe qua inhoud. Zeg mij nu niet dat ik als de CD&V aan de macht is opeens veel christelijke opera’s zou moeten gaan programmeren. (lacht) Als je publiek hele dure prijzen betaalt voor een zitje, dan neemt de opera toch een andere plaats in, namelijk opera als kunst voor het establishment. Bij ons kan iemand al op de beste plaats gaan zitten voor 85 euro. Niet iedereen kan zich dat misschien veroorloven, maar als ze opera belangrijk en mooi vinden dan doen ze die inspanning wel. In Parijs bijvoorbeeld kosten de beste kaartjes 200 euro. Een avondje uit met twee kost daar al makkelijk 400 euro en dan spreken we natuurlijk over een heel andere benadering van het publiek. Hier kan ik me veel meer permiteren.

TVB: Met Samson en Delilah vorig seizoen, en Don Carlos van Verdi dit seizoen, laat u uw regisseurs kritisch kijken naar de eigen tijd. Vooral op de voorstelling vorig jaar werd nogal heftig gereageerd. Was dat een bewuste keuze om zo de aandacht op de opera te vestigen?
AC: Bij Samson was ik toch een beetje verrast door de heftige reacties uit joodse hoek, vooral vanuit de joodse gemeenschap in Antwerpen dan. Ik had wel gerekend op een goed en serieus debat, maar op den duur werd het toch iets te polemisch. Ik had het allemaal wat zakelijker verwacht.
De voorstelling heeft volgens mij wel duidelijk gemaakt wat opera teweeg kan brengen. Ik krijg zelfs uit Japan aanvragen om de dvd van de voorstelling op te sturen. Oorspronkelijk zou de productie ook in de opera van Tel Aviv geprogrammeerd worden, maar
uiteindelijk hebben ze dat toch niet gedaan. Ze durfden blijkbaar niet. Vooral nu met de nieuwe regering zijn ze wat voorzichtiger geworden, denk ik.

TVB: Het ideale operapubliek is een kritisch publiek dat mee nadenkt over de bedoelingen van de regisseur en de mogelijke interpretaties van een stuk. Heeft u de indruk dat het publiek van de Vlaamse Opera u volgt in de richting die u met het huis wilt inslaan?
AC: Tot nu toe gaan ze goed mee. Volgens mij zijn de Vlamingen toch iets flexibeler dan Zwitsers en Duitsers bijvoorbeeld. Je kunt ze meer boeien met verrassingen. Ik zie dat ze met open ogen en oren de uitdaging aangaan, en dat is niet in iedere stad zo. Operafans zijn wat dat betreft niet altijd de makkelijkste mensen. Van sommigen denk ik dat als ze geen operafan waren, ze waarschijnlijk een lidkaart van het Vlaams Belang zouden hebben. Dat is misschien extreem gezegd, maar sommige fans zijn echt fundamentalistisch in hun conservatieve houding tegenover het opera-genre. Vaak komt die houding voort uit een onwetendheid tegenover het genre dat ze zo bewonderen. Lees bijvoorbeeld maar eens wat Verdi, Wagner, Berg of Strauss geschreven hebben. Vele mensen die zich nu operakenners noemen, weten daar helemaal niks van af.

TVB: Uw voorganger Marc Clémeur heeft dit huis 18 jaar lang geleid. Vooral naar het einde toe van zijn mandaat werd hem een gebrek aan leiderschap verweten en bleef hij onzichtbaar. Wilt u wel een publieke rol spelen?
AC: In de mate dat de operadirecteur een publieke figuur kan of moet zijn natuurlijk! Binnen het culturele veld wil ik wel present zijn. Ook voor mijn medewerkers hier binnenshuis wil ik bereikbaar en aanspreekbaar blijven. Met onze PR en de website proberen we ook voortdurend om iedere productie zo toegankelijk mogelijk te maken naar de buitenwereld toe. Zo kun je op de website de making off zien die je toelaat om een blik achter de schermen te werpen.

TVB: De Vlaamse Opera speelt in Gent en Antwerpen. Is het de bedoeling om de programmatie in die twee steden los te koppelen?
AC: Het spelen op die beide plaatsen brengt een logistieke kostprijs met zich mee, maar op dit moment is de Vlaamse Opera zo geconcipieerd en ik zal dat ook niet veranderen. Soms kan er wel eens een voorstelling alleen in Antwerpen te zien zijn, zoals Don Carlos nu, maar dat staat daar volledig los van. Ik kon Don Carlos niet spelen in Gent omwille van technische redenen, maar ik vond de enscenering van Peter Konwitschny zo belangrijk dat ik ze toch naar Antwerpen heb gehaald. Het publiek van Gent kan met bussen naar de voorstellingen komen, en tot nu toe heb ik nog geen klachten gehoord (lacht). Ik heb trouwens niet de middelen om parallel in beide steden te spelen, zoals bijvoorbeeld in Parijs gebeurt met de Opera Garnier en de Bastille die beide deel uitmaken van de Opéra National de Paris. Het is nog altijd goedkoper om de logistieke uitdaging aan te gaan om iedere productie in beide steden te brengen.

TVB: Hebben de drie grote operahuizen in België eigenlijk afspraken gemaakt wat betreft hun profilering?

AC: Aan het roer staan drie heel verschillende directeurs die heel verschillende dingen willen doen. Over de profilering hebben we geen afspraken gemaakt, wel over de titels die we tijdens een seizoen op het programma zetten. Ik zou het geen probleem vinden mochten we elkaar daarin overlappen. Ik kom uit Zwitserland, een land dat kleiner is dan België en ook minder inwoners heeft, en toch zijn er daar acht operahuizen. Er is hier dus nog wel plaats (lacht). Ieder operahuis in Zwitserland heeft zijn eigen publiek en niemand vindt het een probleem als La Traviata zowel in Genève als in Luzerne op de affiche staat. Hier zou dat een drama zijn. Het zou natuurlijk wel raar zijn als iedereen hier net zoals wij Mazeppa van Tsjaikovski zou spelen, maar La Traviata (lach)

TVB: Heeft u al tijd gehad om u in de typisch Vlaamse problematiek te verdiepen?

AC: Ja, ik versta het nog altijd niet echt. In Zwitserland heb je ook verschillende taalgemeenschappen en daar is dat niet echt een probleem. Niemand zou in Genève bijvoorbeeld ooit vragen naar Duitse boventitels, en niemand zou in Zürich ooit vragen waar de Franse boventiteling is. In Zürich is het Duits, en in Genève is het Frans. Hier vragen ze mij waar de Franse boventitels zijn. Als ik de technische mogelijkheid had, zou ik dat een goed idee vinden, maar het is niet mogelijk.

TVB: In Luik doen ze het wel in het Nederlands.

AC: Ik heb er niets tegen, maar dat zou in Zwitserland bijvoorbeeld geen discussie zijn. Hier is dat een staatszaak, en dat vind ik raar. Het wordt allemaal veel groter gemaakt dan het is. Het was voor mij daarom een mooie spielerei om Don Carlos hier in het Frans te brengen. Zonder dat ik daar een groot verhaal moest van maken. Oproepen tot Vlaamse vrijheid in het Frans is misschien een kleine provocatie, maar er moet toch nog altijd plaats zijn voor ironie. Er is toch ook vaak een gebrek aan zelfironie bij de mensen.

TVB: U speelt natuurlijk wel met vuur. De Belgische Revolutie is in 1830 immers ook in de opera begonnen.
AC: Een journalist van de VRT vroeg me of de mensen nu met Vlaamse vlaggen naar buiten zouden gaan? Ik denk het toch niet. Er zijn uitdagingen in België die politiek opgelost moeten worden, het is nog altijd niet aan mij om dat te doen (lacht).

TVB: U bent nu begonnen aan uw tweede seizoen en heeft een contract voor zes jaar. Wanneer zal uw periode bij de Vlaamse Opera geslaagd zijn?
AC: Mijn periode hier zal vooral geslaagd zijn als ik een meer gevarieerde mix van publiek kan bereiken. Ik wil natuurlijk ook dat onze bezoekers tevreden naar buiten gaan omdat ze onze producties mooi vinden, maar ik wil ook dat ze actief participeren, bijvoorbeeld bij de activiteiten die we rond elke voorstelling creëren.
Ik wil van de Vlaamse Opera een open huis maken met een grote populariteit, zonder goedkoop te zijn. Mensen die opera alleen als een circus bekijken, zul je altijd wel hebben. Sommige bezoekers komen hier al twintig jaar en vallen soms een beetje in slaap tijdens de voorstellingen. Dan heb je iemand als Peter Konwitschny die probeert om ons met zijn kijk op Don Carlos wakker te schudden. Sommige mensen hebben niet de flexibiliteit om zoiets aan te kunnen. Ze bekijken opera als iets heiligs en plaatsen het op een piëdestal. Het feit dat Konwitschny dat niet doet, schrikt hen in eerste instantie af, en dat vind ik boeiend. Misschien vinden sommige bezoekers het slecht en blijven ze de volgende keer weg, maar in hun plaats komen dan weer twee andere bezoekers die nog nooit geweest zijn. Die ontdekken dan dat opera ook iets boeiends kan zijn, en niet alleen pluche en champagne te bieden heeft. Tijdens de hele discussie over Samson en Delilah bijvoorbeeld kreeg ik van mensen te horen dat ze nooit meer gingen komen. Wel, die mensen zie ik nu toch opnieuw in het publiek zitten. Het publiek wordt uitgedaagd, begint na te denken en keert anders terug. Dat kan de kracht van opera zijn!




De nieuwe productie Jevgeni Onegin in een regie van Tatjana Gürbaca gaat op 23 maart in première in de Opera te Gent en speelt daarna nog tot 25 april (ook in Antwerpen).
www.vlaamseopera.be
Reageer
Voornaam
Naam
Email
Reactie