“Gagarin – de kunstenaars in hun eigen woorden – is volledig gewijd aan de publicatie van oorspronkelijke teksten van beeldende kunstenaars die vandaag, waar ook ter wereld, werken. Gagarin wil hun woorden, in de vorm van autobiografische teksten, kunstenaarsteksten of interviews, ongefilterd publiceren. Gagarin beperkt zich niet tot een bepaalde periode of strekking en doorkruist de codes die in de kunstwereld gehanteerd worden. Gagarin richt zich tot diegenen die niet willen wachten tot alles geijkt en samengevat is en tot diegenen die bereid zijn de weg te verlaten om stimulerende kunst en ideeën te zoeken wanneer ze nog fris zijn.”
Deze visietekst wordt niet alleen in elk nummer van het tijdschrift herhaald, op de cover van de eerste elf nummers stond de Engelstalige versie ervan ook op elke cover, telkens in een ander handschrift, wat de radicale tekstgerichtheid van deze kunstenaarsboekjes illustreerde. Vanaf nummer 12 verschijnt er op de cover echter wel een (foto)beeld, een kleine toegeving vanwege Gagarin-initiatiefnemer en -bezieler Wilfried Huet tegenover het ‘visuele geweld’ van andere (glossy) kunsttijdschriften waartussen Gagarin in de rekken van de (kunst)bookshops ligt.

Aanvankelijk was het net één van de uitgangspunten dat er geen beelden in de boekjes zouden worden opgenomen. Maar zoals Jimmie Durham in zijn tekst voor nummer 7 zou schrijven, “When I write I know that I am drawing”: 'beeld' was in die zin dus eigenlijk per definitie aanwezig. En nog los daarvan: meteen al bij het allereerste nummer dook de eigenzinnigheid van de kunstenaar op, die zich doorgaans weinig aan regeltjes en basisprincipes gelegen laat: Guy Rombouts ontwikkelde voor zijn bijdrage namelijk een geheel eigen tekenalfabet, zodat de teksten verschijnen als tekeningen, die aan de hand van de meegeleverde ‘legende’ ontcijferd kunnen worden. Meteen stuurde Huet, die Gagarin trouwens als artistiek project vanuit zijn eigen beeldend werk had opgestart, de basisregel bij: beelden konden uiteindelijk wel in het boekje opgenomen worden, op voorwaarde dat ze tekstueel van aard en/of drager van tekst zijn.
Zelf ontworpen, ‘beeldende’ tekentalen duiken in de latere nummers ook nog geregeld op. Frédéric Bruly Bouabré, afkomstig uit Ivoorkust, bedacht naar aanleiding van zijn bijdrage aan nummer 7 eveneens een eigen alfabet, gebaseerd op de uitsluitend orale, dus schriftloze taal van de Bété-stam waartoe hij behoort. Het resultaat is een in wezen universeel alfabet, dat hij weliswaar “National Ivorian Alphabet” heeft gedoopt en waarin hij een tekst geschreven heeft die hij ook in Franse versie weergeeft in het boekje, een bijzonder lyrische lofzang op ‘de Kunst’.
Uit het voorgaande mag al blijken dat de Gagarin-nummers teksten in een grote diversiteit aan talen bevatten. Het basisprincipe is immers dat de teksten in de moedertaal van de kunstenaar in kwestie worden opgesteld en dat ze gepubliceerd worden met een Engelse (en meestal ook Nederlandse) vertaling erbij. Al wordt ook van deze vuistregel wel eens vaker afgeweken, door niet-Engelstalige kunstenaars die – wellicht uit gewoonte – hun tekst toch rechtstreeks in het Engels uitgewerkt hebben.
In de tentoonstelling in het S.M.A.K. zijn alle teksten uit alle nummers van Gagarin te zien. Ze zijn aangebracht op twee rijen panelen op ooghoogte: de bovenste rij toont telkens het eerste nummer van de jaargangen, de onderste rij het tweede. De rijen lopen zo door, over de muren van zeven zalen waarin de teksten het gezelschap krijgen van werken uit de S.M.A.K.-collectie, aangevuld met enkele bruiklenen. De selectie van de getoonde werken werd gemaakt op basis van de lijst van kunstenaars die tot nu toe aan Gagarin hebben meegewerkt: met per nummer 8 auteurs die aan bod komen, op de allereerste editie na die maar 6 bijdragen telde, omvat de complete lijst dus al 158 kunstenaars. Die lijst werd naast de collectielijst van het S.M.A.K. gelegd, waarna de keuze van werken vervolgens gebeurde in functie van de beschikbare ruimtes en de presentatiemogelijkheden: om de aandacht niet al te veel af te leiden van de borden met de Gagarin-teksten, werden vooral kunstwerken met een zekere terughoudendheid gekozen.

Zo is er een blij weerzien met de Nocturnal Garden Scene van Marc Manders, de “nachtelijke, driedimensionale foto” die in 2008-2009 Manders’ overzichtstentoonstelling in het S.M.A.K. opende. Of ook met Crème-Glace, een werk uit 1966 van Panamarenko. Behoorlijk indrukwekkend zijn twee beelden van de reeds vermelde Jimmie Durham, Amerikaanse kunstenaar met Cherokee-roots, die Malinka (1988), zijn Indiaanse vriendin, rug-aan-rug stelt (weliswaar met een museummuur tussenin) met de Spaanse veroveraar Cortez (1991). Verder is er nog werk van onder meer Juan Muñoz, Bern Lohaus, Philippe Van Snick, Maria Serebriakova, Lois Weinberger en Richard Serra.
Het meest werd ik echter toch telkens weer aangetrokken door de schat aan heel divers tekstmateriaal geboden op de Gagarin-panelen als dusdanig. In de zaaltekstbrochure, die bij de ingang ter beschikking ligt, staat een handig overzicht van bijdragende kunstenaars per nummer, zodat de bezoeker makkelijk kan kijken in welke nummers enkele van zijn of haar favoriete kunstenaars een tekst hebben gepubliceerd, om die dan in de tentoonstelling te gaan opzoeken.
Of anders is dit misschien nog wel de beste manier om deze ongewone tentoonstelling ten volle zijn inspirerende kracht te laten uitoefenen: gewoon langs de vele lopende meters teksten dwalen en de ontdekkingen laten plaatsvinden zoals ze zich in verwondering aandienen: van de beknopte bijdrage van Annette Messager's foto met één woord erop (“Rumeur”, Nr. 4) tot een typische 'vertelling' van Sophie Calle over het invullen van een medische vragenlijst, waarbij ze op alles “Non” antwoordt, behalve op de opvallende, in die context wat ongewone vraag “Etes-vous triste?” (Nr. 5).
Van de ene, schitterende zin van Philippe Parreno in nummer 18 - “What do you believe, your eyes or my words?” - tot de foto's van Nedko Solakov, beelden van de vleugels van de zes vliegtuigen van Luxair Luxembourg Airlines waarop hij teksten heeft laten aanbrengen. Naast dat werk On the Wing 1999-2000 is er trouwens ook een grappige, kleine live-ingreep uitgevoerd door Solakov bij een bezoek aan het S.M.A.K. tijdens de opbouw van deze tentoonstelling.
Van het interview met Stephan Balkenhol in het eerste nummer (het enige interview dat tot nog toe in de reeks boekjes is verschenen) tot een korte tekst in een wel heel ornamentrijk lettertype van de Nederlandse Jennifer Tee.
Door voor een groot deel het toeval te laten werken, ontdekt de bezoeker op die manier luchtige, intrigerende en/of inspirerende teksten en is er plaats voor plotselinge herkenning. Zo was ik zelf bijvoorbeeld aangenaam verrast toen ik op de bijdrage van de Finse kunstenares Elina Saloranta stootte: samen met drie (ondertitelde) stills en alle uitgeschreven dialogen, is in nummer 14 een beschrijving opgenomen van de beelden uit haar tweekanaalsvideo Kitchen Conversations, die deel uitmaakte van een kleine maar memorabele overzichtstentoonstelling van haar werk in Kunsthalle Lophem eind 2006.
Hoewel op het eerste gezicht de zes zalen van deze expo zich vrij snel laten bekijken, mag duidelijk zijn dat het ten sterkste aan te raden is om voldoende tijd voor een bezoek aan deze tentoonstelling te voorzien, zodat een rustige verkenning langsheen de uitgestalde Gagarin-nummers mogelijk is. Het leidt tot een opmonterende en rijke kennismaking met een ongewoon kunsttijdschrift dat voortaan overigens door het S.M.A.K. ondersteund zal worden.
Voor meer info over het tijdschrift, abonnementen of het nabestellen van oude nummers: www.gagarin.be
De Gagarin-tentoonstelling loopt nog tot 14 maart 2010 in het S.M.A.K. Op 13 maart is er een speciaal evenement met debat, readings en performance gepland onder de titel S.M.A.K. Going GAGA: www.smak.be







