Het Rubenshuis aan de Wapper in Antwerpen is de plaats waar de grote kunstenaar samen met zijn gezin gewerkt, gefeest, getreurd en geleefd heeft. Je kunt er rondlopen in het groot atelier waar Rubens de kunstgeschiedenis een nieuwe wending gaf, en leiding gaf aan de talrijke assistenten die hem bijstonden in de productie van zijn werk. Naast focussen op de kunstenaar zelf, zet het Rubenshuis soms ook kleine thematische tentoonstellingen op. 'Kamers vol kunst' is er zo één en alhoewel de titel anders laat vermoeden, is er geen overdaad. Er zijn slechts een paar ruimtes op de bovenste verdieping van het huis gewijd aan dit typische Antwerpse schildergenre. Op een sobere maar efficiënte manier maak je kennis met een stukje vergeten erfgoed.
Het zit ons mensen in het bloed om alles te catalogiseren en in lijstjes te gieten. Ook in de 17e eeuw was men daar blijkbaar al mee begaan. Dat is alvast de eerste vaststelling in het Rubenshuis. Kunstverzamelaars in het 17e eeuwse Antwerpen hadden, dankzij hun fortuin, soms een bijzondere collectie schilderijen bij elkaar gebracht. Bezoekers wilden maar al te graag vol bewondering rondlopen in die privé musea avant-la-lettre, en de verzamelaars lieten vanaf 1610 schilderijen maken waarop hun collectie in zijn geheel afgebeeld werd. Het was een manier voor de verzamelaar om zich te profileren, en een manier voor de welvarende burger om in de hoogste maatschappelijke kringen aanzien te verwerven. Een mooi voorbeeld op de tentoonstelling is het paneel 'De Kunstkamer' van Cornelis van der Geest door Willem van Haecht. Van der Geest was een Antwerpse verzamelaar en mecenas met een aanzienlijke collectie. Hij vroeg van Haecht om zijn collectie op doek vast te leggen. Het Rubenshuis heeft in een handige aparte folder alle schilderijen uit de kunstkamer genummerd en geïdentificeerd. Zo herkend je centraal de imposante 'Amazonenslag' van Rubens, maar ontdek je bijvoorbeeld ook een verloren gegaan schilderij van Jan van Eyck: 'Badende vrouw'. De zorgvuldigheid waarmee van Haecht de verzameling heeft weergegeven is verbluffend. Je moet je ogen de tijd geven om al het moois aan de muren te ontdekken. Ook de twee andere kunstkamers van Van Haecht overweldigen door de rijkdom aan details. Het is trouwens voor het eerst in de geschiedenis dat het Rubenshuis de drie kunstkamers van Van Haecht samenbrengt en dat alleen al is de trip naar Antwerpen waard.
Van Haecht heeft in zijn werk niet alleen een belangrijke kunstcollectie gecatalogiseerd, maar ook een deel van de beau monde uit die 17e eeuw op levendige wijze weergegeven: in de ruimte bemerk je de aanwezigheid van de aartshertogen Albrecht en Isabella, Rubens en Van Dyck en natuurlijk ook Cornelis van der Geest zelf. Een ander mooi detail op een werk van Willem van Haecht (Kunstkamer met Anthonie van Dycks 'het mystieke huwelijk van de heilige Catharina') toont hoe in een achterkamer mannen met ezelskoppen kunstvoorwerpen kort en klein slaan. Zij staan voor domheid en onwetendheid en vormen zo de tegenpool van de beschaafde kunstliefhebber. De beeldenstormen lagen toen nog vers in het geheugen. Kunstverzamelingen zijn echte prestige-objecten en zijn een indicatie voor de macht en uitstraling van een heerser.
Aartshertog Leopold Wilhelm, regent van de Zuidelijke Nederlanden, liet David Teniers geschilderde catalogi van zijn collecties maken. De aartshertog zond twee van die kunstkamers naar zijn broer keizer Ferdinand III in Praag en naar zijn neef Filips IV, de koning van Spanje. Leopold Wilhelm werd geroemd als beschermer van de kunsten, maar was ongetwijfeld ook begaan met zijn reputatie als machtig bestuurder. De ene rol versterkte toen blijkbaar de andere. De periode dat onze vorsten nog voor een belangrijke stimulans in het culturele veld konden zorgen, ligt jammer genoeg ver achter ons. Tegenwoordig halen onze Coburgers alleen nog het nieuws met het verkopen van cultureel erfgoed. Er was een tijd in de tweede helft van de 20e eeuw dat de schilderkunst op sterven na dood leek. Het is onder andere door privé-verzamelaars als Saatchi dat het genre een nieuwe boost gekregen heeft en zijn oude populariteit en uitstraling herwonnen lijkt te hebben.
In de 17e eeuw werd er blijkbaar niet aan de suprematie van de schilderkunst getwijfeld. Een mythe uitgebeeld op één van de kunstkamers van Frans Francken de Jonge geeft dit mooi weer. Tegen een stoel onderaan rechts staat een schilderij met een voorstelling van Apelles, de legendarische schilder uit de Oudheid. Alexander de Grote had hem gevraagd een portret van zijn geliefde, Campaspe, te maken. Alexander bewonderde het resultaat van Apelles arbeid zodanig, dat hij verliefd werd op het schilderij en zijn geliefde wegschonk aan de schilder. Kunst boven de natuur dus! Het Rubenshuis heeft de kunstkamers aangevuld met een paar objecten die op die kunstkamers verschijnen, of portretten van mensen die in de tentoonstelling ter sprake komen. Het mooiste voorbeeld is hier het portret van Cornelis van der Geest door Van Dyck, dat nu behoort tot de collectie van de National Gallery in Londen. Het behoort tot één van de meest indrukwekkende portretten uit de portretkunst en dat ook dankzij het schildergenieke voorkomen van Van der Geest zelf. De man had een kop die goed pakte op doek: een hoog voorhoofd, scherpzinnige ogen en een rechte neus. Het meesterschap van Van Dyck deed de rest. Als je kijkt naar hoe hij bijvoorbeeld met spaarzame middelen de kraag van Van der Geest geschilderd heeft, dan merk je dat hij zijn plaats bij de groten zeker en vast verdiend heeft.
Het beeld dat we van de 17e eeuwse Antwerpse schilderkunst hebben, wordt vooral bepaald door de grote drie: Rubens, Van Dyck en Jordaens. Het is de verdienste van deze expo om een aantal andere getalenteerde kunstenaars uit diezelfde Gouden Eeuw een beetje bekendheid terug te geven; bekendheid die ze toen zeker en vast hadden, maar die langzaamaan verloren geraakt is onder het stof der eeuwen.
De tentoonstelling loopt tot en met 28 februari in het Rubenshuis te Antwerpen.
www.rubenshuis.be






