Aanvankelijk is dat ook zeker niet zijn bedoeling. Zijn doel is bereikt, zijn rol uitgespeeld, en wat hem rest is zaligmakend leedvermaak. Of toch niet? Op onverklaarbare wijze wordt hij weggesleurd uit de Marsch Tower, het zenuwcentrum van zijn megaonderneming, en terug naar België, terug naar Wallem, waar zijn voorouders vandaan kwamen. Niemand dwingt hem tot die vlucht in het voor hem onbekende, onvertrouwde, en in vergelijking met New York zeer onbeduidende dorp; hij wordt ertoe aangespoord door een kracht die hemzelf overstijgt en die hij niet begrijpt. Hij volgt gedwee. Daarmee transporteert Walter van den Broeck het verhaal naar voor de auteur bekend terrein. De man van Groenten uit Balen en Brief aan Boudewijn staat alom bekend als een uitgesproken Vlààms schrijver, en voelt zich ook duidelijk het meest op zijn gemak in passages waar het dagelijkse leven in het Kempense Wallem centraal staat. De haute finance maakt hij tot een groteske klucht; voor het leven onder de kerktoren is dergelijke kunstgreep niet nodig – dat is als vanzelf komisch. Zeer herkenbaar, en door de auteur ook ironisch aangepakt; Van den Broeck heeft zich duidelijk geamuseerd. Toch ervaart men tussen de regels door ook de liefde en toewijding die hij voelt voor de Vlaamse klei, voor de kleinburgerlijkheid en vaak ook bekrompenheid van de modale Vlaming, en in dit boek in het bijzonder de Vlaamse middenstand. Daar wordt Marsch naartoe gedreven, al is dat niet naar de zin van iedereen.
In de Marsch Tower breekt paniek uit na zijn verdwijning, en er wordt meteen alles in het werk gesteld om hun heer en meester op te sporen en hopelijk zover te krijgen terug te keren. Het boek krijgt dan ook soms iets van een spionagefilm, zij het een allengs mislukte. De hoofdactanten in dit kat- en muisspel kregen de bijnamen Laurel en Hardy mee, en dat is lang niet het enige aan hen dat nogal slapstick aandoet. Het maakt van Terug naar Walden een bijzonder geestige roman, die bovendien leest als een trein.
Maar alle gekheid op een stokje; er valt ook iets te leren. Zoveel valt uit de titel alleen al op te maken; Walden is daarin een verwijzing naar de tuinbouwcommune die Nederlands schrijver en psychiater Frederik van Eeden in 1898 opzette in Noord-Holland, daardoor geïnspireerd door socialistische idealen zoals het gelijkheidsbeginsel of gemeenschappelijk grondbezit. Het moest een tegenwicht bieden aan de kapitalistische maatschappij die enkel uit was op persoonlijk, egoïstisch gewin, zonder daarbij de lokale gemeenschap te betrekken of zelfs maar in acht te nemen. De droom mocht helaas niet duren: na amper tien jaar ging de onderneming failliet ten gevolge van financieel wanbeheer – Van Eeden was geen zakenman. Op verschillende plaatsen in de roman duikt deze Van Eeden op, en wordt een balans opgemaakt van diens leven en sociaal engagement, dat uiteindelijk – net als Marsch’ ouders ooit – ten onder ging aan de meedogenloosheid van het kapitalistische systeem. Van den Broeck weet echter wel beter dan van Van Eeden een held en martelaar te maken. Hoewel de auteur zich wel aan diens zijde lijkt te scharen, er toch zeker sympathie voor toont, schrikt hij ervoor terug de kapitalistische samenleving als enige schuldige voor diens falen aan te duiden. Daarbij somt hij Van Eedens eigen tekortkomingen op, zonder hem daarbij te verontschuldigen. En toch. Van de twee antwoorden op het onrecht – Marsch’ vendetta en Van Eedens alternatieve samenleving – wordt het tweede duidelijk in een positiever daglicht getoond. Het lijkt de betere van de twee opties, hoewel het geenszins garantie biedt op een succesvolle uitkomst.
Rest nog de vraag of dat wel Van den Broecks bedoeling was, een antwoord te formuleren op de economische crisis. Daar leent de literatuur zich niet toe; wel kan ze een richtingaanwijzer zijn. En met Terug naar Walden, dat is wel duidelijk, wil Van den Broeck ook echt terug naar Walden, in figuurlijke zin dan. Terug naar de mogelijkheid van een utopie, naar de idee van menselijkheid, vóór hebzucht, winst, of wraak. Tot dit besef komt ook Marsch, wanneer hij oog in oog komt te staan met de gevolgen van zijn wraakactie. Nooit heeft hij er bij stilgestaan dat hij in feite hetzelfde teweegbracht wat zijn ouders ook werd aangedaan – de financiële ruïnering van ‘gewone’ en onschuldige mensen. Te laat doorziet hij hoe fout hij was. Dit zoeken opnieuw naar een alternatief, een andere orde, een andere manier van samenleven, is een van de belangrijkste thema’s van Terug naar Walden en dat in heel brede zin: een alternatief voor het leven zoals we dat nu kennen, dat echter ongrijpbaar blijkt, onbeschrijfelijk, onvoorstelbaar, en toch misschien het uitproberen waard. Daar staat Van Eeden voor, en het is ook wat Van den Broeck beoogt. Zo wordt Terug naar Walden meer dan alleen plezant. Het is een waarlijk grootse roman, een bonte mengeling van filosofie en verhaal, van literatuur met de grote L en de verteltrucs uit het thrillergenre en de klucht, en vooral van het heel grote van de bankwereld en het heel kleine van het Kempendorp, met daartussenin de vraag: waartoe eigenlijk dit alles? En wat is nu echt belangrijk?
Walter van den Broeck, Terug naar Walden. Meulenhoff | Manteau, 285 p.
Met dank aan:
.jpg)






