Onder de vulkaan, de schitterende titel van het even waanzinnige boek, trekt alleszins de aandacht. De verwachtingen staan dan ook onder hoogspanning. Tot kortsluiting en vonken komt het helaas zelden tijdens het meer dan twee uur durende spel. Maar pas op, de lamp blijft wel branden. De kwalitatieve continuïteit in de productie van Cassiers valt niet te ontkennen. Opnieuw creëert hij een doordachte setting waarin de rijke en beladen literaire bronnen tot hun recht komen; geen evidentie in de hedendaagse podiumkunsten. Welk publiek kan nog boekdikke monologen en uitgekiende dialogen aan, zonder dat er slapstick, vuurshows of naakt bij betrokken zijn? Inderdaad, zij die nog eer doen aan de literaire- en theatertraditie en er zich niet om schamen om rechttoe-rechtaan intellectuele voorstellingen te maken verdienen meer dan ooit applaus, ook al is het misschien dit applaus dat het publiek pas echt wakker schudt.
Er bestaan vele soorten kijkers, vele rassen en elk daarvan heeft zijn wetmatigheden, zijn voorkeuren en tegenkantingen. Mijn ras is de soort die in elke voorstelling op zoek gaat naar een sprankeltje hoop. Hoop op vernieuwing, hoop op meer publiek, hoop op politieke aspiratie, hoop op het breken en doorbreken van grenzen en conventies. Voor mijn ras is Guy Cassiers altijd een vreemd boegbeeld geweest. De boekenwurm met überserieus en vormelijk innovatief werk, voorzien van een sporadische, vreemde glimlach. De humor lijkt vaak het enige dat zich niet op een niveau boven onze bruine petten bevindt. Een boegbeeld blijft hangen aan het schip en moet altijd de golven en de wind trotseren. Meestal is het in goed hout gesneden dus gaat het lang genoeg mee en verandert niet van vorm. Schip en boegbeeld zijn sterk, onscheidbaar, ongenaakbaar en gekend op zee. De scenografische vormen en technische ingrepen die Cassiers populair maakten blijven zijn handelsmerk en lijken een manier om een door de televisie gezoogd publiek alsnog mee te trekken in een wereld van oude scripturen en verhalen van mythisch belang. Daar stopt het ook. De wind valt weg en het schip dobbert verder.
Mijn ras wil meer dan alleen een schitterende Josse De Pauw die in de zattigheid van de consul eindelijk genoeg kan elaboreren. Schrijven is immers spreken zonder onderbroken te worden. Zet dit op de scène en je krijgt mensen van mijn ras die zich moeten inhouden om niet te onderbreken. Niet iedereen komt er echter mee weg, met de uitgesponnen volzinnen en de met boeken beladen beeldtaal. Bert Luppes en Marc Van Eeghem doen het heel wat minder naturel als Josse, en Katelijne Damen verliest zichzelf in empathie voor de taal. Als men elk woord uitspreekt alsof men er schrik van, of zelfs ontzag voor heeft, dan verliest de taal haar natuurlijke autoriteit. Doch de woorden van Malcolm Lowry zijn krachtig genoeg om recht te blijven staan in dronkemansgewankel. Op sommige momenten is de taal zo machtig dat de scène verdwijnt. Niet omdat de zinnen het podium wegblazen, maar omdat ze ervoor zorgen dat de scène de plaats wordt tussen verhaal en interpretatie, zoiets als de plaats tussen je ogen en het blad dat je afleest.
Om niet echt te verdwijnen heeft het podium zijn aandacht opgeëist: een vijf meter hoge wand van verschillende schermen die zowel langs voor als langs achter kunnen beprojecteerd worden, bijna opzichtig zelfs. Het is jammer dat deze wonderwand zich niet mee laat glijden in dat vage universum van tekst en spel, dat hij zo recht op recht in vakjes staat dat het lijkt alsof mijn ras nu pas de appreciatie voor nieuwe media zou moeten ontdekken. Dat we nu nog zouden moeten denken aan een geprojecteerde foto als decor en een soundscape van voetstappen of straatlawaai als dynamiek. Alsof ons ras nog niet eerder een werk van Cassiers gezien mag hebben en we de vergelijking niet mogen maken. Ons ras doet dat wel en stelt zich vragen bij het gebruik van ongeïnspireerd één-op-éénmateriaal, vooral omdat het soms zo verbleekt ten opzichte van andere scènes waarin die media ingenieus en verbluffend gebruikt worden. Zoals de zaal die zat wordt en in een dansend beeld baadt wanneer Geoffrey Firmin weer te veel achterovergeslagen heeft en zich door de straten wobblet. Of de scheerbeurt die we krijgen in de spiegel. Een spiegel die ook ons toont als zatlap, dronkaard en te kort geschoten minnaar. Een passioneel man die de brieven herleest die onbeantwoord naar beneden fladderen. Net als zijn demonische woorden die kolkend vergaan in een vulkaan van verlies. Deze ooit zo inspiratievolle mens die nu zelfs zijn boek niet kan afwerken, verliest zich in een megalomane visie van intoxicatie, de ogen op de lava gefocust, de beklimming redundant.
‘De vlam moet blijven branden’ zei de grootvader van het personage Cervantes, en dat geldt voor veel dingen: de liefde, het leven, het theater. En de vlam blijft branden, soms feller dan anders, soms met oude brandstof, soms met nieuwe. De vlam moet blijven branden, zodat de fakkel kan worden doorgegeven en de boegbeelden onder vuur kunnen gehouden worden. Mijn ras hoopt op nieuwe handen in die estafette en reikt ze aan, maar zonder te vertragen.
Gezien in Het Toneelhuis op 25 september 2009.






