De tandeloze tijd op gewone mensenmaat?
De roman is zonder twijfel spannend, maar er gaat veel verloren door hem tot dat ene kenmerk te reduceren. Een slimme marketingtruc, dat wel, maar het doet ook vermoedens rijzen dat A. F. Th. ‘zich hiermee nadrukkelijk op het monetaire pad van de literaire thriller begeeft’, zoals Jeroen Vullings het in Vrij Nederland in een voor het overige zeer lovende recensie nogal streng verwoordde. Wat A. F. Th. ook met Doodverf beoogde, een doorsnee literaire thriller is het niet geworden. Zoveel maakt een tweede verhaallijn wel duidelijk, die vaag met die van de Gipsmoord verbonden is, maar niettemin te veel vrij spel krijgt om hem er helemaal toe te rekenen. Gesù Porporà is een Italiaanse kinderhandelaar, die het smokkelen van kansarme kinderen uit de arme krottenwijken van Napels tot in de armen van welvarende maar hopeloos kinderloze koppels uit de Nederlandse buitenwijken beschouwt als zijn bijdrage aan een betere wereld. Door zijn toedoen maakt ook de illegale adoptiehandel deel uit van deze roman, bepaald verrassend wanneer men het boek voor de eerste keer openslaat. Want wat heeft dit nu echt met Flix’ project te maken? Flix en Gesù ontmoeten elkaar wel, maar slechts kort en zonder dat dat de kunstenaar of diens kunst erg beïnvloedt. En toch. Gesù heeft de eer en het genoegen de roman zowel te openen als af te sluiten; men kan dus bezwaarlijk beweren dat zijn rol in de roman verwaarloosbaar is. Zijn beslommeringen over zijn zakelijke activiteiten, het enige waar hij met enige trots en expertise het woord over kan voeren, intellectuele aspiraties niettegenstaande, hameren erop dat Nederland zowat de ideale afzetmarkt vormt voor zijn producten, of het nu baby’s zijn, of de heroïne die hij later vanuit Thailand naar de Lage Landen tracht te versluizen. Dit zou toch al mogen duidelijk maken dat Van der Heijden er niet op uit is de Gipsmoord naar eenvoudig, spannend vertier te vertalen; hij wil ons, net zoals in De tandeloze tijd, op kritische wijze het een en het ander vertellen over de Nederlandse samenleving. Het is voor hem bijvoorbeeld hoegenaamd geen toeval dat de Gipsmoord door een Nederlander werd begaan. Kienholz over Flix, wanneer hij verneemt hoe deze tot zijn hyperrealisme is gekomen: “Dutch fucking bastards…!”
Hoe verhouden de twee verhaallijnen zich nu precies tot elkaar? Doodverf is een soort van mozaïek, met een veelvoud aan personages en gebeurtenissen, twee hoofdverhaallijnen met vele vertakkingen, die op intrinsieke wijze met elkaar vervlochten zijn. De lijm die het allemaal samenhoudt is Albert Egberts, als hoofdpersonage toch wat opmerkelijk. Alles overkomt hem immers zo’n beetje, hij observeert het allemaal zonder bewust deel te nemen. Hij is noch de dader, noch het slachtoffer, noch de detective die de zaak moet onderzoeken; als men op zijn rol dan al een naam kan kleven, dan het vage indirect betrokkene. Vreemd voor een thriller, literair of anders. Voeg daaraan nog toe dat Van der Heijden verschillende van die vertakkingen nauwelijks afhandelt en veeleer wat op hun beloop laat. Doodverf is een uitgestrekt wandtapijt waarvan de lezer bij wijze van spreken slechts het knooppunt te zien krijgt, daar waar alles heel kortstondig samenbalt vooraleer het zich opnieuw verspreidt in velerlei ongekende richtingen.
Laat ik even bloedeerlijk zijn: men heeft na het lezen van Doodverf niet het gevoel dat men alle informatie aangereikt kreeg. Over de Gipsmoord zelf, dat wel, daarvan heeft men de nodige feiten bekomen, maar zelfs tussen de regels door wordt het niet duidelijk dat er meer, veel meer te vertellen valt. Dat is ook logisch; het hoofdpersonage blijft, wisselende vertelperspectieven niettegenstaande, net als in De tandeloze tijd zelf, Albert Egberts, met Felix Boezaardt en Theodor Schwantje als zijn voornaamste metgezellen. Ook Ernst Quispel, Zwanet Vrauwdeunt en Gesù Porpora maken hun opwachting, en dit in verhaallijnen die zeker allemaal met de Gipsmoord verwant zijn, maar waarvan men zich toch soms afvraagt of ze echt broodnodig waren. Wij hebben het dan bijvoorbeeld over de relatie tussen Albert en Zwanet, of zelfs over zijn heroïneverslaving. Voor wat A.F.Th. met Doodverf in gedachten had – het uitwerken van de Gipsmoord – blijken ze behoorlijk bijkomstig; had hij ze dan niet kunnen weglaten, zodoende een nog beknopter, duidelijker werk neer te kunnen zetten?
Nee dus, want zonder had Doodverf wellicht feiten uit de cyclus waaruit het gedistilleerd is, tegengesproken of ontkend. De roman is zoals gezegd het resultaat van heel wat knip- en plakwerk en draagt daar duidelijk de sporen van. Van der Heijden mag dan al een en ander vormelijk hebben willen herzien, maar een volledige inhoudelijke reboot was nu ook niet de bedoeling.
De vraag rest nog of dit nu als argument tegen de roman moet gebruikt worden. Wat mij betreft absoluut niet. Met Doodverf neemt men in een oogopslag waar wat De tandeloze tijd veel uitvoeriger behandelt. Niet enkel een verhaal over een zekere Albert Egberts, maar een zeer uitgebreid portret van Amsterdam en Nederland in de jaren zeventig, met het hoofdpersonage als vertegenwoordiger van de lusteloosheid en bewegingsloosheid die op de vele mislukte revoluties van de jaren zestig volgde. De stilte na de storm. Wat de lezer in Doodverf onder ogen krijgt is duidelijk nog maar het begin, het topje van de ijsberg. Lijkt het een en het ander niet afgehandeld of zelfs onnodig, dan wekt dat alleen maar interesse naar meer, naar hoe-zit-dat-nu-precies en waar-leidt-dit-dan-naartoe. Doodverf is helemaal niet De tandeloze tijd voor dummies, de complexe cyclus in thrillerformat; het behoudt net die complexiteit, bezuinigt evenmin op maatschappijkritiek, en maakt het voor de lezer zo allerminst makkelijk om lezen. Geen hapklare brok dus, maar wel een heel lekkere, ongemeen boeiende.
A. F. Th. van der Heijden, Doodverf. Querido. 364 p.






