Meest recente artikels:
Architectuur in het werk van Herman van Ingelgem
twee theatervernieuwers brengen opera tot leven.
Fiona Mackay at Lokaal 01
jong talent en wezenlijk experiment
Meer artikels van Katrien Stragier:
Interview met beeldhouwer Johan Tahon
Interview met schilder Hans Vandekerckhove
DE REALITEIT IS EEN TE NAUWE TRUI
datum 25.08.2009
Terwijl het internationaal storm loopt voor Tuymans en Borremans, werkt collega-schilder Hans Vandekerckhove eerder in de luwte aan een eigenzinnig oeuvre. Zijn kenmerkende landschappen kunnen intussen op een trouw schare bewonderaars rekenen, al benadrukt hij zelf dat hij niet louter een landschapsschilder is. “Ik zat als schilder op een dood spoor, tot ik in 1997 op het Zuid-Engelse schiereiland Dungeness terecht kwam.”
Vandekerckhove woont minder desolaat dan zijn schilderijen doen vermoeden. Achter een grijze poort in hartje Gent zit een gezellige binnentuin verscholen, met daarachter de leefruimte van de kunstenaar. Een oase van rust vergeleken met de drukte van de stad buiten deze muren. In de woonkamer hangen er recente en minder recente schilderijen.

Dat werk is trouwens nooit veraf. In de linkerhoek leidt een trap naar het atelier van de kunstenaar. Er staan een aantal doeken in wording. De vage kleurvlakken doen in niets denken aan de sterk lineaire stijl die de schilderijen zullen hebben wanneer ze af zijn. “Ik bouw een werk op door de ene laag verf op de andere aan te brengen. Hoe verder ik vorder, hoe meer ik vormen uitkristalliseer. Daar gaat tijd over en dat proces kan ik niet versnellen. Vandaar dat ik geen stock van schilderijen kan aanleggen, ik maak er gemiddeld zo’n 20 per jaar. Nochtans doe ik alles snel, van praten tot eten. Enkel schilderen doe ik traag (lacht).”


Cypress Avenue, 2006, 200x160, Oil/Canvas

U hebt onlangs een grote tentoonstelling gehad: Picture Palace in het Zebrastraat Kunstenplatform. Werkt u daar dan specifiek naartoe?
“Dat moet ik wel, aangezien ik geen stock heb. Zo ben ik momenteel druk bezig voor de tentoonstelling die dit najaar plaatsvindt bij Galerie Van De Weghe in Antwerpen. Daarvoor vertrek ik vanuit het idee om architectonische werken af te wisselen met schilderijen die meer de natuur tonen, organisch zijn. Het gaat om de tegenstelling tussen het uitgepuurde, het kristallijne tegenover het ongeordende, het archaïsche. De architectuur van Mies Van der Rohe in The Architect’s House ga ik bijvoorbeeld plaatsen tegenover drie schilderijtjes die de ruïnes van San Galvano (oude abdij uit 1218 tegen Siena, red.) verbeelden.”

Een tijdje terug was ik in die galerij. De galerist keek ervan op dat ik uw werk erg Japans vond aandoen.
“Die vergelijking is nog al gemaakt, hoor. Nochtans weet ik niet veel over Japanse kunst, behalve de grote namen zoals Hokusai. Ik ken ze vooral via de strips van Kuifje. Maar de zuivere lijn uit die prenten zit inderdaad ook in mijn werk. Het emotionele landschap eveneens. Ik kan me wel vinden in de Oosterse filosofie van oog, hand en hart. Het zien en het vakmanschap zijn belangrijk, maar de emotie evenzeer. Zelf schilder ik dan ook altijd plekken waar ik geleefd heb, of gewandeld. Dat vervorm ik wel, maar als ik een helemaal fictieve plek verzin, is het gevoel in het schilderij anders, meestal minder sterk. Ik moet er een emotionele band mee hebben, de dingen ook echt zien. Als ik een berglandschap schilder, wil ik daar een paar weken in rondtrekken.”

Vanwaar eigenlijk die keuze voor het landschap? Dat was in de schilderkunst toch lange tijd not done.
“Toen ik begon als schilder dacht ik er niet aan om met landschappen te werken. Ik wilde wel altijd al figuratief werken, wat in de jaren ’70 toen ik school liep, al evenzeer not done was. Dat beschouwde men als ouderwets. Om te zien hoe een hedendaags schilder toch op een figuratieve manier tewerk kan gaan, maakte ik mijn eindwerk over David Hockney. Als jonge kunstenaar werd ik door die figuratie al snel ingedeeld bij de Nieuwe Wilden, een kunststroming midden jaren ’80 die kleurrijk, neo-expressionistisch werk maakte. Maar op de duur raakte ik uitgekeken op wat ik maakte. Ik had het gevoel dat er te veel een filter bleef tussen mezelf en de buitenwereld.
Dat veranderde in 1997 toen mijn peter overleed. Die had een landgoed met serres waarin hij bloemen en groenten kweekte. In mijn ogen als kind was dat een zeer idyllische plek. Door zijn overlijden keerde ik naar die herinneringen terug. Enkele maanden later belandde ik toevallig in Dungeness. Daar heb je een verwilderde, zoute vlakte met daarachter een kerncentrale en hoogspanningsmasten, bijna surrealistisch. Daar ben ik voor het eerst het landschap, de horizon beginnen te tekenen. Gewoon schilderen wat je ziet. Die conceptuele barrière raakte daardoor verbroken, ik had mezelf gevonden. Voor 1997 had ik dat nog nooit gedaan, hoewel ik al 15 jaar bezig was als schilder. Maar goed, het is niet dat ik alléén landschappen schilder. Ik word soms al te gemakkelijk omschreven als een landschapschilder, terwijl dat maar een deeltje van mijn werk is.”


Viewmaster, 2006, 40x50, Oil/Canvas

U schildert ook vaak gezichten en menselijke figuren. Opvallend is dat ze zelden de toeschouwer aankijken.
“Ze kijken vaak weg en als ze recht voor zich kijken, is het niet met een vertellende blik. Eigenlijk vertel ik in mijn werk mijn persoonlijke ervaring van de wereld, aan de hand van een aantal motieven die steeds terugkeren. Het landschap en de serres zijn daar voorbeelden van, maar ook mijn dochter, die ik in mijn werk gebruik als de meisjesfiguur, en videostills. In mijn werk zitten dan ook twee soorten figuren. De eerste is de typefiguur, zoals de tuinman of het meisje. Aan de andere kant zijn er portretten, maar het zijn geen psychologische portretten. Ze zijn altijd nogal in zichzelf gekeerd.”

Naast u ligt er een boek over Matisse. Is dat een grote inspiratiebron? U hebt toch ook een heel apart kleurgebruik.
“Vooral de verfaanbreng is eigen aan mijn werk, denk ik. Je ziet vandaag niet vaak meer dat er veel transparante lagen op elkaar worden aangebracht. Ik begin altijd vrij rommelig te schilderen, waarna ik dan een heldere witte tekening erop zet en daarboven begin ik dan transparant te schilderen. Een beetje zoals de Vlaamse Primitieven vroeger. Op die manier benut je de capaciteiten van de olieverf maximaal en kom je tot aparte kleuren.
Maar sowieso is Matisse een van mijn favoriete schilders. Hij gebruikt net als ik de zuivere beeldende middelen: kleur, lijn, compositie om dan toch op twee manieren een religieus gevoel op te roepen, ofwel door zijn eigen atelier te schilderen ofwel door een mythisch tafereel. Eigenlijk doe ik dat ook. Neem nu Stalking Hieronymus, daar gebruik ik een mythische figuur. De basiskleur van dat werk is bewust oranje omdat dat een kleur is die je in de natuur niet veel tegenkomt. Oranje is een echt droomkleur. De laatste jaren gebruik ik meer natuurkleuren omdat ik meer naar de natuur kijk. De natuur is de grootste colorist.”

U hebt niet aan de academie gestudeerd. Was dat een voordeel om uw eigen weg te kunnen zoeken?
“Ik heb altijd wel al geschilderd. Mijn vader schilderde trouwens ook, zij het op amateursniveau. Maar hij maakte zijn verf zelf en spande ook zijn doeken op. Toen het moment kwam om een studie te kiezen, hadden mijn ouders toch liever dat ik voor de universiteit koos en dus heb ik kunstgeschiedenis gedaan. Nadien heb ik nog spijt gehad dat ik geen academie gevolgd had, want daardoor ben je een beetje een outsider. Ik had wel vrienden aan de academie, maar je staat toch aan de andere kant van de lijn.
Anderzijds is het voordeel dat ik mijn eigen ding doe. Aan de academie wordt er veel geleerd, maar ook veel afgeleerd. Ik heb altijd kunnen doen in mijn kunst wat me interesseerde. Toch heb ik niet graag dat mensen me een autodidact noemen. Dat klinkt bijna als een verwijt (lacht). Hoewel veel individuele kunstenaars zoals Picasso en Matisse ook autodidacten waren. Een academie is ergens een systeem dat mensen een beetje stroomlijnt zodat ze een bepaald soort kunst maken. Dat heb ik nooit gehad. Keerzijde was wel dat ik als outsider nog geen curatoren kende. Gelukkig werd ik snel opgenomen bij een stroming. Ik kon als piepjonge schilder begin jaren ’80 zelfs in New York exposeren. Later werd dat een nadeel omdat je als onderdeel van die stroming een schilder uit de jaren ’80 genoemd werd. Maar dan moet je op eigen houtje verder gaan.”


Mind Games, 2008, 190x190, Oil/Canvas

Hecht u belang aan wat andere mensen van uw werk vinden?
“In de grond schilder ik louter en alleen voor mezelf. Wat andere mensen daarvan vinden, daar trek ik me weinig van aan. Van de meesten weet je het ook niet, tenzij van de grote fans en de hevige tegenstanders (lacht). Ik heb dat ook niet nodig, op zich ben ik een eerder asociale mens. Maar appreciatie doet natuurlijk wel deugd. Ik kan me niet inbeelden hoe het moet zijn om als kunstenaar jarenlang door te gaan zonder dat er een tentoonstelling of een andere vorm van erkenning komt. Gelukkig legt mijn vrouw wel gemakkelijk contacten want het volstaat niet om als kunstenaar enkel je werk te maken. Je moet het ook tonen. De markt vraagt dat trouwens meer en meer, dat je op het internet aanwezig bent bijvoorbeeld. Ik vorm daarin met mijn vrouw een duo. Zelf zou ik nooit de courage hebben om te doen wat zij doet. Dat is voor mij een andere wereld.”

Geven uw schilderijen voor een stuk uw eigen leven weer?
“Mijn werken zijn een deel van mijn leven. Het is allemaal geënt op wat ik beleef, een herbetovering van de realiteit in lijnen en kleur. Als kind zag ik mijn moeder truien breien en als die te klein waren, werden de draden losgetrokken om er weer een bolletje van te maken. Dan maakte ze er iets anders mee. De realiteit is in feite een te nauwe trui, dus trek je de draden ervan los die je nodig hebt en brei je er een nieuwe van: je werk. De realiteit is te beklemmend. Als je schildert, ben je vrij om te kiezen wat je wil. Schilderen is voor mij de enige manier die ik ken om met de realiteit om te gaan. Mijn allereerste tekening van toen ik twee jaar was, waren schansspringers, figuren die door de lucht zweven. Ze gaven toen het skiën vanuit Garnisch-Partenkichen op tv. Figuren die een lichtheid geven in de zwaarte van de realiteit. Daar gaat het in mijn werk nog altijd om.”
Reageer
Voornaam
Naam
Email
Reactie