Meest recente artikels:
Summerschool Kunstkritiek
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Review Dit is mijn vader
Meer artikels van Floris Willems:
Slumming, Michael Glawogger
John Cameron Mitchell
Alan Berliner
Stina Werenfels
The Queen, Stephen Frears
Op naar de pennenstrijd.
PLEIDOOIEN TEGEN DE ZELFGENOEGZAAMHEID
datum 25.05.2001
rubriek Literatuur
Tot voor enkele jaren werd commotie in het Vlaams en het Nederlands letterland quasi exclusief veroorzaakt door het niet-winnen van de Nobelprijs door hetzij Claus, hetzij Mulisch. Toeristische brochures over letterland zouden het land omschreven hebben als gemoedelijk, herderlijk, lees: oersaai. De toeristische dienst mag haar boekjes nu echter grondig redigeren. Enkele literaire woelwaters toonden ons immers dat ipv. gemoedelijkheid, zelfgenoegzaamheid het letterland typeert. Het stellen van deze diagnose werd begeleid door enkele frontale aanvallen op boegbeelden van deze zelfgenoegzaamheid. Er worden brokken gemaakt en voorlopig geeft niemand de indruk ze te willen lijmen. Mooi, eindelijk een beetje leven in de keet.
Het eerste woelwater is de Gentse schrijver Herman Brusselmans. Iedereen herinnert zich levendig de columns en boeken waarin Brusselmans de mindere literaire goden vol overgave aan zijn degen reeg. De populariteit die Brusselmans hiermee in bepaalde literaire kringen verloor recupereerde hij bij zijn steeds groeiende lezerspubliek. Naast de Monica van Paemels van deze wereld belaagde Brusselmans vooral plastic VTM-presentatrices, in welke context vooral L. Wesenbeek en M. de Wouters een speciale vermelding verdienen. Zowaar geen vuiltje aan de lucht. Tot op de dag dat de Antwerpse modefee A. Demeulemeester Herman Brusselmans een proces wegens laster lapte. Brusselmans had in zijn boek Uitgeverij Guggenheim Demeulemeester een “dwergpoliep met puitenogen” genoemd, en beweerde vervolgens dat de poliep in kwestie aan zijn toeter had gehangen. Nu weet iedereen dat Brusselmans zich literair reeds sinds mensenheugenis de diensten van dwergpoliepen laat welgevallen. Gescherm met termen als scheldproza had de uitgave van zijn boeken altijd vruchtvol gevrijwaard. Nu liep het echter anders. Aanklacht, rechtzaak, veroordeling. Met Herman Brusselmans stond het principe van de artistieke vrijheid in de vuurlinie. Nationaal geweten Tom Lanoye verontwaardigde zich een bult toen in het kielzog van Demeulemeester, kopstukken van de nederlandse letteren als Hugo Claus en Gerard Reve de scalp van Brusselmans eisten, met een air van politieke correctheid als waren ze een redactrice van Libelle of een andere Tessa Vermeire. Demeulemeester, als modeontwerpster bovendien zelfverklaard kunstenares, vermocht wat een krans grienende VTM-missen nooit voor elkaar kreeg: het ostraceren van Brusselmans door de literaire elite. Brusselmans was er niet goed van, naar het schijnt is hij zelfs gestopt met roken.

Tom Lanoye heeft had in zijn verontwaardiging overschot van gelijk. Betwistbare criteria worden door de zelfgenoegzame gearriveerde literaire klasse gehanteerd als het erop aan komt haar beschermelingen te kiezen. Brusselmans moest blijkbaar niet op de zegen rekenen. Hij is geen producent van schone letteren maar een ordinaire commercant die stijl noch woord schuwt om zijn boeken te verkopen. De vingerwijzingen aan Brusselmans’ adres zijn trouwens hypocriet. Claus en vrienden mogen op hun oude dag literaire miskramen baren, pronkend met titels en prijzen krijgen ze elke waanzinnige oplage binnen de kortste keren toch verkocht. De manier waarop ze omgaan met hun lezerspubliek is eigenlijk buitengewoon cynisch. Het minachten van Brusselmans’ lezers terwijl die waarschijnlijk ook hun eigen boeken kopen, kan je omschrijven als: “bijten in de hand die je voedt”.

Laat dat nu toch net hetgeen zijn dat Vlaamse kranten gevestigde waarde Jeroen Brouwers aanwreven na zijn met wil en dank berucht geworden rede op het telegenieke Gouden Uilgala. Wij begrijpen dat kranten zoiets schrijven. Het is niet mooi geld aan te nemen van iemand om die vervolgens te kakken te zetten. Je aanvaardt je geld en je zwijgt, of je toont gewoon je kop niet en laat het geld waar het ligt. Wij begrijpen ook mensen die Brouwers gelijk geven. Het is misschien stout om ergens binnen te breken en vervolgens de frigo leeg te eten, maar als hierdoor het establishment in zijn hemd wordt gezet, dan zijn dergelijke kapoenenstreken legitiem, zelfs aanbevelenswaardig. Waarom deed Brouwers wat hij deed ? Is hij een boze geldwolf ? Is hij een guitige kapoen ? Neen, hij is geen van beiden. Hij is een zelfvoldane oude man die er prat op gaat een tractatie op cafe even erg te waarderen als een miljoentje en een eretitel. Door het ontkennen van zijn Uil-trots tracht hij de literaire merites van zijn patrimonium, stralend gebundeld in “Geheime Kamers”, als ultieme legitimering van zijn succes naar voor te schuiven. Ook dat begrijpen wij, maar we vinden het zielig. Brouwers heeft even de show gestolen, getoond wat een oude rakker nog vermag. Ondertussen weet hij maar al te goed hoeveel boeken deze prijs voor hem zal verkopen.

Geen Lanoye of Brusselmans die zich geroepen voelen om Brouwers op zijn plaats te zetten. Het was Arnon Grunberg die zich voornam dit varkentje te wassen. Op een morgen, tijdens het uitduwen van een puist, besefte Grunberg dat het zijn missie was molenwiekend door de literaire nederlanden te lopen en alles wat enigszins ferm scheef staat, omver te schoppen. Schade herstellen met de slopershamer; Gevels werderopbouwen is iets voor maatschappelijk werkers. Brouwers’ vertoning werd door Grunberg in zijn wekelijkse Humo-column met branie afgemaakt. “U kwispelde en likte als een geslagen hond en tegelijkertijd veinsde U zeer matig dat u niets te maken wilde hebben met het circus van ijdelheid. U, die het grootste en onoprechtste circus van ijdelheid bent uit de Nederlandse literatuur.” Een keiharde column eindigen met een zalvend woord ligt niet in Grunbergs aard. Brouwers afbreken was het doel, missie geslaagd, zelfs al moesten daarvoor de persoon Brouwers en zijn hele oeuvre er aan geloven. “Zelden heb ik onkunde en domheid zo geëtaleerd gezien als in uw dankwoord, om over de rest van uw oeuvre maar te zwijgen.” Slik.

Grunberg vindt dat literaire kritiek een soort modejournalistiek is geworden. Hij gaf dus maar zelf een nieuw elan aan de strijd tegen de literaire zelfgenoegzaamheid. Hij levert kritiek op de inhoud van boeken die hij slecht vindt. Hij vertelt zijn waarheid, hij vindt dat hij die de schrijver in kwestie niet moet onthouden. De manier waarop Grunberg zich van zijn taak kwijt, ligt echter onder vuur. In zijn kritieken staat Grunberg dichter bij Atilla de Hun dan bij Robin Hood. Gezwind werpt hij het kind met het badwater weg, niet zonder het eerst gemolesteerd, verkracht en onthoofd te hebben, vraag maar aan Mulisch (Die nochtans een serieuze oplawaai mag verdragen). Nu ja, wie een omelet wil bakken moet eieren breken, zeker ? Bravo, Grunberg ? Onder voorbehoud. Iemand die een ander afbreekt en vindt dat die ander dat een verademing moet vinden omdat de kritiek gebaseerd is op inhoudelijke argumenten, moet echter zelf ook openstaan voor dergelijke kritiek. Een literatuurrecensent die in de ‘De mensheid zij geprezen’, Grunbergs actualisering van Erasmus’ ‘Lof Der Zotheid’, peilt naar Grunbergs drijfveer, “eerder dan domheid vermoed ik een puberale choqueringsdrang, al is een combinatie van beiden niet uit te sluiten”, krijgt echter meteen de volle laag. De recensent in kwestie, Jeroen de Preter, schrijvend voor De Morgen, zal het zich nog lang heugen. Indien het van Grunberg afhing, zou de man, bij wie hij een ironische kanker diagnostiseert, zich beter terstond opknopen, dat verdienen zijn ouders: “mensen die een zoon met ironische kanker op de wereld hebben gezet, verdienen Wiedergutmachung”. Gewoon omdat de Preter ‘De Mensheid zij geprezen’ een kloteboek vindt.

Ondanks het feit dat Grunberg een goed schrijver is en vol overgave deksels van stinkende potjes licht, en ondanks het feit dat hij zijn vinger intuitief op elke zere plek legt, is het jammer dat hij heel de controverse naar zich toe trekt. Daar is hij te antipathiek voor. Er lopen nog genoeg schrijvers rond die van zich af kunnen bijten in wat op een strijd tussen de gearriveerden en de arrivisten lijkt. Want de kloof tussen deze groepen is de kern van de zaak. Gelijk aan welke zijde van de kloof de schrijver zich bevindt, hij of zij heeft een positie te winnen of te verliezen. Van de belouwerde oudstrijders van de schrijverij wordt niet verwacht dat ze een schaduw over de rest laten vallen, en evenmin dat ze hun licht doen schijnen op plekken waar het niet verdragen wordt, van hen wordt verwacht dat ze goede boeken schrijven of op pensioen gaan. Van de naar erkenning snakkende schrijvers verwachten wij niet meer en niet minder dan het zelfde. En diegenen die niet willen leren, diegenen die de zelfgenoegzaamheid blijven koesteren, dat over hen de toorn mag worden ontketend. Een nieuwe pennenstrijd. Volgens Herman Brusselmans is het genre van de polemiek dood. Dat hoeft echter niet onomkeerbaar te zijn. Schrijvers en schrijfsters, haal de polemiek van onder het stof. Schrijf de zelfgenoegzaamheid in de verdomhoek.

En nu enkel nog de nobelprijs.
Reageer
Voornaam
Naam
Email
Reactie