De begraving van haar moeders juwelen en portret aan een gletsjer op de Noordpool in Pôle Nord (2008), een roadtrip doorheen Noord-Amerika als ultieme poging om haar relatie te redden in No Sex Last Night (1992), de Transsiberische Express van Moskou naar Vladivostok met Anatoli (1984) als medepassagier, de plastische chirurgie waar ze op haar veertiende net aan ontsnapt door zelfmoord van de bewuste specialist in Le Nez (1967), etc.: Sophie Calle (1953) verheft haar leven tot kunst. In vernuftige associaties van foto’s en zelfgeschreven tekst, vaak doorspekt met pseudo-wetenschappelijke enquêtes en doordrongen van een hoog Amélie Poulain gehalte, geeft ze haar persoonlijke leven bloot. Deze tentoonstelling is opgevat als een chronologische biografie, maar verloopt in tegenovergestelde richting. Samen vormen de twintigtal projecten een fictief verhaal, een tot legendarische proporties omgeturnde levensloop. Als leidraad in de tentoonstelling doet een geluidsband dienst: de stem van Frederic Mitterand vertelt Calles levensloop en gaat op enkele gebeurtenissen dieper in.
Wat begint als de nood om zich haar eigen stad Parijs terug toe te eigenen na lange omzwervingen over de hele wereld, wordt als snel een vorm van emotionele obsessie: vreemden achtervolgen. De hele dag door, zeer minutieus. Op zoek naar de creatie van emoties, zonder daarbij zelf enig gevoelsmatig risico te lopen. Door de observatie van hun gedrag en acties – zo ontdekt ze – beschikt ze over informatie om hun identiteit te reconstrueren. Op een bepaald moment wordt Calle zo verzwolgen door dit emotionele eenrichtingsverkeer dat ze in La Filature (1981) haar moeder de opdracht geeft een detective op haar af te sturen die haar de hele dag moet schaduwen. Ze eist een geschreven verslag van haar tijdsbesteding, samen met een reeks foto’s die als bewijsmateriaal moeten dienen. Allemaal in een poging “fotografisch bewijsmateriaal te leveren van haar eigen bestaan”. De hele dag is ze zich bewust van haar achtervolger en schrijft ze over hem met een soort liefdesgevoel alsof ze hem haar lievelingsplekjes in Parijs toont. Met Vingt Ans Après (2001) rakelt ze dit gevoel op dezelfde manier op, ditmaal op verzoek van Emmanuel Perrotin.
Meer dan alleen het gegeven ‘identiteit’, maakt Calle ook een uiterst fragiele kwetsbaarheid voelbaar. Bovendien bevragen dergelijke intieme projecten ook de rol van de toeschouwer die zich vaak gevangen voelt als de onwetende handlanger in Calles schendingen van privacy. Zo gaat ze in Le Carnet d’Adresses (1983) wel heel ver in het openbaar maken van persoonlijk goed. Te ver, geeft ze jaren later toe. Ze belde naar enkele telefoonnummers uit een gevonden adressenboekje om die personen te vragen de eigenaar van het boekje te beschrijven. Zo wou ze door middel van zijn kennissen een blauwdruk creëren van een man die ze nog nooit ontmoet had. Hun beschrijvingen publiceerde ze in de krant Libération, een ondeugende actie die heel wat controverse uitlokte. De man was er niet mee opgezet, dreigde met een proces door inbreuk op zijn privacy, maar nam uiteindelijk wraak door in dezelfde krant een naaktfoto van de kunstenares geplaatst te krijgen. Calle waardeerde zijn antwoord. Ze kreeg met gelijke munt terugbetaald.
Calle focust niet zelden op intieme en extreme gevoelens zoals – voornamelijk – pijn. Die artistieke uitingen werken direct in op de kijker. Daarom lokken ze soms erg tegenstrijdige reacties uit. De één is tot tranen geroerd, de ander vraagt zich geïrriteerd af waarom hij/zij wordt geconfronteerd met ‘andermans drama'. Maar er schuilt ook een merkwaardige genoegdoening in de uitwisseling van leed. In Douleur Exquise (1984-2003) met liefdesleed van de bovenste plank, plaatst ze op de ene pagina andermans drama (als antwoord op de vraag “wanneer heeft u het meest geleden?”), op de andere pagina haar eigen drama. Dat vertelt ze steeds opnieuw, steeds bondiger en langzaam vervagend om uit te drukken dat het verhaal elke keer aan kracht verliest en abstracter wordt. En de pijn verzacht. Het aanstekelijke hierbij zit ‘m niet in een voyeuristisch gegluur in de gordijnen van Calles liefdesleven, maar in het feit dat het project zich weet los te zingen van haar liefdesleven en de slag naar het geconstrueerde en onpersoonlijke maakt. Met andere woorden: openlijk beleden leed als rituele zuivering. Hoe omvangrijker en abstracter het publiek dat haar pijn voelt, hoe krachtiger de zuivering voor Calle is.
Eenzelfde bevrijdende werking is te vinden in Voyage en Californie (1999), dat een duidelijke blijk van appreciatie laat voelen over één van Calle’s allereerste werken Les Dormeurs (1979). Daarin nodigt ze 24 mensen uit om haar enkele uren van hun slaap te gunnen en haar bed voor acht opeenvolgende dagen te bezetten. Sommigen zijn vrienden, andere vrienden van vrienden, anderen zijn dan weer volkomen vreemd. Ze geeft hen eten en fotografeert hen elk uur. Twintig jaar later ontvangt ze een brief waarin een onbekende uit Californië haar zijn recente liefdesbreuk meedeelt. Hij vraagt om die rouwperiode in haar bed door te brengen. Calle geeft er de voorkeur aan haar beddengoed, per luchtpost, naar San Francisco op te sturen. De slaaptherapie werkt: na enkele maanden is hij er weer bovenop en komt het bed terug naar Parijs.
Onder de noemer “C’est le jeu, je dois me soumettre”, laat Calle haar levenspad soms ook door anderen inkleuren. Zoals in Où et Quand? (2005-2006) waar de kaarten van een waarzegster haar leiden tot Berck en Lourdes. Maar zover om Calle tot personage te maken en haar leven voor een jaar lang uit te schrijven, gaat de Amerikaanse schrijver Paul Auster niet. Wel stuurt hij haar ‘Personal Instructions for S.C. on How to Improve Life in New York City’ op. Daarin daagt Auster haar onder andere uit om een publieke faciliteit te onderhouden. Gotham Handbook (1994) toont hoe de kunstenaar hierop antwoordt, met name door een tijd lang een Newyorkse telefooncel te betrekken en die cel helemaal op te fleuren met bloemen, geld, een pakje sigaretten, notitiepapier, en zelfs een ‘alle suggesties welkom’-papier op te hangen. Elke dag kuist ze het kabientje en vult ze de voorraden aan tot de telefoonmaatschappij ze uiteindelijk laat verwijderen. Die wisselwerking tussen Calle en Auster is kenmerkend voor de verschillende lagen van realiteit die in Calles duizelingwekkende universum samenkomen.
Conclusie: Sophie Calle is een vrouw die het als privilege ziet een vrouw te zijn. Ze houdt ook van de vrouw. Met een exquise menselijkheid speelt ze met ideeën als identiteit, kwetsbaarheid, intimiteit en extreme gevoelens, voornamelijk pijn. Gefascineerd door het raakvlak tussen het publieke- en privé-leven, gaat ze op onderzoek uit. Onderzoek waarbij zijzelf technieken hanteert van de privé-detective, de psycholoog of antropoloog. Het label van kunstenaar kent haar de vrijheid toe de wetenschap achter zich te laten en zich enkel met de emotionele waarheid in te laten. Inderdaad, kunst als het perfecte excuus om naar eigen believen te experimenteren. Ook haar eigen leven (zowel beleefd als verbeeld) neemt ze grondig onder de loep. Zo gehoorzaam en gedisciplineerd bij het “devenir la femme-objet de mon destin à travers ses visions”, zo nieuwsgierig en assertief stelt ze zich op bij het boetseren (én etaleren) van haar verhaal. En kinderlijk speels. En creatief. En toch heel intiem...
CALLE SOPHIE, tot 13 september, Bozar, Brussel, ingang van Ravensteinstraat,
02 507 82 00, www.bozar.be
Bezocht op 30 juli 2009 in Bozar in Brussel






