Woestijnvis volgt de beeldhouwer tot in de slaapkamer voor een documentaire over zijn leven en werk, die binnenkort op het kleine scherm te zien is. Wij houden het op de trappen van het Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen. Terwijl de fontein van kunstenares Cristina Iglesias aan een nieuwe cyclus van eb en vloed begint, nemen we plaats onder een imposant spandoek met ‘De man van smarten’ van James Ensor. Die omschrijving lijkt voor Johan Tahon (1965) steeds minder op te gaan.
Ik heb de indruk dat je werk de laatste jaren vrijer geworden is.
In mijn atelier ben ik er altijd al voorstander van geweest zo weinig mogelijk ratio toe te laten in mijn werk en de droom, het onderbewustzijn, vrij spel te geven. Terwijl ik aan het werken ben, heb ik het gevoel dat iets anders het van me overneemt en ik enkel een instrument ben die het uitvoert. Als ik zoiets mag voelen… dat is voor mij het meest interessante. Dan heb ik de realiteit kunnen verlaten en is er iets dat mij zelf kan verrassen uit mijn handen gegroeid. Dat is een magisch moment.
Ik denk dat ik in die manier van werken niet veranderd ben. Maar misschien heb ik nu geleerd wat meer van mezelf te houden, waardoor ik dingen toelaat waar ik vroeger problemen mee had. Het was ook alsof ik mezelf de opdracht gegeven had om volledige sculptuur te maken, die in zijn eenvoud als object in een ruimte fungeert als gesloten sculptuur. Heel klassiek opgevat. Daar ben ik wel los van aan het komen.
Je noemt je beelden vaak ‘engelen’. In welke zin?
Eigenlijk zijn mijn beelden vooral een positieve aanwezigheid tegenover de leegte die ons allemaal dagelijks omringt. Ze geven ook een innerlijke conversatie weer, soms zelfs letterlijk. Zo combineer ik vaak twee hoofden met elkaar. Dan is het alsof een figuur in een gesprek verwikkeld is met een wezen dat in hem leeft of dat een spiegelbeeld van hem is. Iedereen heeft zulke momenten, maar in de grote eenzaamheid van het werken in een atelier kom je er sneller toe.
Toen Jan Hoet je atelier voor de eerste keer bezocht, riep hij uit: "Mystiek!" Komt het daar op neer?
Ik ben van een generatie die is opgegroeid met kritisch denken. Daarom is het voor mij ondenkbaar om me aan te sluiten bij een kerk of een religieuze groepering omdat je er telkens weer het negatieve van ziet. Maar iets in mijn geest en in mijn lichaam blijft hunkeren naar een grotere mogelijkheid, en dat probeer ik in te vullen via mijn sculpturen. Daarom vind ik het ook zo spannend om te zien hoe mensen 10.000 jaar voor Christus objecten maakten die van een ritueel belang waren en die eigenlijk over diezelfde honger gaan. Het is heel mooi om te beseffen dat je, niettegenstaande het digitale tijdperk, eigenlijk nog altijd bezig bent met essentiële verlangens zoals die zovele duizenden jaren geleden al bestonden. Ik vind het aangenaam om als kunstenaar binnen die traditie te werken. Of beter: als tussenpersoon. Kunstenaar is dan geen gepast woord meer. Eigenlijk moeten er nieuwe woorden voor gecreëerd worden. ‘God’ bijvoorbeeld moet een andere naam krijgen. Sjamaan ook. Daar hangt te veel verleden en geladenheid aan vast.
Je hebt nogal wat werk in openbare ruimtes, zoals New Seismo. Vind je het belangrijk zo ook mensen te bereiken die anders misschien niet met jouw sculpturen in contact zouden komen?
Ik heb het gevoel dat ik zelf een nieuwe periode laat aanbreken in mijn eigen psychologie. Vroeger had ik het idee dat de buitenwereld slecht was en dat ik me moest opsluiten in mijn atelier. Mijn beelden waren in de eerste plaats vooral bedoeld om mijn eigen leven te redden, een manier om om te gaan met de complexiteit van de realiteit. Nu heb ik het gevoel dat ik mijn problemen, die ik vorm heb gegeven via sculptuur, moet tonen aan de maatschappij en dat ze dan van nut kunnen zijn voor andere mensen. En dan werkt een kunstenaar ook werkelijk. Ik hoop vanaf mijn 45ste, volgend jaar, besluiten te kunnen trekken uit het onderzoek dat ik met mijn kunst doe, daar verslag van te geven en af te stemmen op het publiek. Daar droom ik wel van.
Speelt de reactie van het publiek een grote rol?
Die is niet onbelangrijk, hoor. Niet dat ze mij stuurt of zegt hoe ik de dingen moet maken. Maar ik zou liegen als ik niet toegaf dat terwijl ik in het atelier aan het werk ben, dat ook een element is dat meespeelt in het hele groeiproces. Kijk, je bent een bemiddelaar tussen een existentieel probleem en de realiteit. Als kunstenaar heb je de plicht om een onderzoek te doen waar anderen geen tijd voor hebben omdat ze met de dagdagelijkse dingen bezig zijn. Het zou verkeerd zijn dingen te creëren waar andere mensen niet bij kunnen. Je moet daarvoor niet populistisch worden, maar als je je publiek niet kan meenemen in je verhaal, dan wordt het zinloos. Vandaar ook dat ik figuratie nooit helemaal heb losgelaten. Vanaf het moment dat een object een gezicht heeft, is er een mogelijkheid om ermee te communiceren. Je reikt er de toeschouwer de hand mee om in het verhaal te stappen. Bij een abstract werk wordt dat veel moeilijker.
Loop je niet het risico dat veel mensen door die figuratie net aan de boodschap voorbij gaan? Dat ze zeggen ‘mooi’ of ‘niet mooi’ en het daarbij houden?
Ik merk dat er eigenaardige evoluties bezig zijn binnen de kunst en dat het rationele echt primeert. Kunst wordt verbonden met wetenschap en krijgt daar prijzen voor. Het wordt een elitaire bezigheid voor een besloten kringetje. En het wordt steeds erger. Ik hou daar niet van. Maar je moet je erbij neerleggen dat je met kunst misschien 1 procent van de bevolking bereikt. Daar mag je al zeer tevreden mee zijn, maar het is ook onvermijdelijk.
De alchemisten wisten ook dat het in de grond geen zin had om naar goud te zoeken. Maar ze deden het onderzoek toch. Puur om een onderscheid te maken tussen de stroom van de realiteit en de persoon die daar even tussenuit stapt in de beslotenheid van zijn atelier. En dat is slechts voor een beperkte groep weggelegd, maar het is ook van een ongelofelijke schoonheid. Het schoonste wat er is, volgens mij.
De Vlaamse Gemeenschap heeft onlangs enkele ateliermuren aangekocht. Is dat niet vreemd, want die zijn eigenlijk toch niet bedoeld als sculptuur?
De werkruimte speelt een grote rol. Ik durf zelfs te zeggen dat het atelier in feite het enige echte kunstwerk is. De dingen die uit het atelier komen, zijn fragmenten die op reis gaan en mijn gedachtegoed in de buitenwereld brengen. Zowel Bart De Baere als toenmalig minister van Cultuur Bert Anciaux zijn in die redenering meegegaan. De Baere is trouwens één van de eersten die aandacht schonk aan het uitzonderlijke van mijn atelier. Bij zijn eerste bezoek in Oudenaarde zei hij: ‘We zouden bijna moeten vragen aan de politie om hier alles op te meten en te registreren als bij een crime scene" (lacht).
Je hebt de komende maanden nog heel wat projecten op stapel staan.
Ik werk momenteel ontzettend veel, maar ik doe het zo graag. Het is echt geestig. Zo worden mijn witte leeuwen deze zomer opgesteld in Pilane, het Stonehenge van Zweden. In het najaar volgt er een soloshow in New York en een overzichtstentoonstelling in Bremen. Daarnaast heb ik nog allerlei opdrachten, onder andere voor enkele monumenten. Het loopt goed. Ik heb ook geleerd me niet blind te staren op wat andere kunstenaars doen en welke getallen daar worden opgeplakt. Dan krijgt je weer eens de opmerking: “Allez Tahon, wanneer ga je eens op de biënnale van Venetië staan?”, en dan stort je wereld weer even in. Natuurlijk zit de verzamelaar er op te wachten dat door een deelname aan de biënnale de waarde van mijn werk de hoogte in schiet. Maar als ik daar niet te veel aan denk, gaat het gewoon veel beter.
Speelt de tijdsgeest ook mee dat de traditionele kunsttechnieken weer mogen na alle videokunst en aanverwanten?
Daar ben ik nog niet zo zeker van. Natuurlijk is er Tuymans, die als een voorloper een soort van figuratie weer mogelijk maakt. Internationaal gezien heb je beeldhouwers en tekenaars die opkomen, zoals Jonathan Meese in Duitsland, die met een eigenzinnig soort figuratie bezig is. Maar in Vlaanderen zijn de curatoren nog altijd gericht op hermetische experimenten. Liefst één woord op een witte wand en dan heel veel theorieën er rond. Kunst met weinig emotie, terwijl dat gevoel voor mij net doorslaggevend is.
Misschien ben ik te zacht voor deze wereld, maar in mijn werk gaat het altijd over graag zien. Ik probeer met mijn beelden tot de essentie te komen. Jonge kunstenaars stappen een witte ruimte binnen, hangen er ‘Essence’ in een neonbuis aan de muur en denken het zo gevat te hebben. Dat is zoals de liefde bedrijven in theorie. Het gaat ook om het fysieke, net zoals in mijn beelden. Toen ik aan de academie studeerde, verklaarden ze me zot. Het waren de jaren ’80, het tijdperk van de conceptuelen. Maar eigenlijk ben ik van mijn zestiende voortdurend met dezelfde dingen bezig, intussen al bijna 30 jaar. Misschien veranderen de beelden wat, maar de stroom blijft hetzelfde. Daar ben ik best wel fier op.






