In een aftandse Toyota Kamikaze zetten de vrienden P.F. Thomése en J. Kessels samen met vergaderexpert Bertje koers naar Hamburg. Op zoek naar een Nederlander die niemand mist. Het voetbalstadion van St. Pauli is gelegen vlakbij de Reeperbahn, synoniem voor prostitutie, nachtclubs en groezelige hotelletjes. Dit alles is echter bijzaak – mooi meegenomen, dat wel – maar bijzaak. Voor de ik-figuur (P.F. Thomése) en het hoofdpersonage J. Kessels is het een aanleiding om zich te wentelen in nostalgie, met een ruime collectie countrycd’s, liters bier en vele pakjes sigaretten bij de hand. Twee ontspoorde romantici voor wie het onderweg-zijn belangrijker is dan het bereiken van eender welk doel.
Bertjes opdracht zet de ik-figuur na een 25-tal jaar opnieuw op het spoor van zijn hoogstpersoonlijke B.B., Birgit de Braaij. Herinnering en fantasie winnen het ruimschoots van de naakte feiten. Het onbereikbare doel van Thomése’s wensdromen is het ‘Cafetaria Van Vroeger’, met een jukebox en een flipperkast, vettige snacks met namen als ‘negerlul speciaal’ en een vroegrijpe B.B. Zijn droombeelden en overpeinzingen worden begeleid en gevoed door countrymuziek, cinema (vooral misdaadfilms en westerns) en (gonzo-)literatuur.
Deze intertekstuele referenties plaveien een weg van Nederland en Duitsland naar een Amerika dat alleen bestaat in het brein van ‘ontspoorde romantici’ als P.F. Thomése en J. Kessels, en in de songs van Willie Nelson of andere country- of blueslegenden. Daarnaast dragen die verwijzingen bij tot het spel dat Thomése speelt met het opschrijven van een zogezegd waargebeurd verhaal. Behalve het opvoeren van echte mensen als personages, beukt J. Kessels: the novel voortdurend tegen de grenzen van de autobiografische fictie, met opmerkingen als: “[…] zei J. Kessels of dacht ik, of dachten we allebei. Het verschil was niet altijd even duidelijk” (p.75) of “[‘Hamburg’ werd] het decor van een film waar wij in wezen niks mee te maken hadden, de bioscoopversie van een stel verzonnen levens waar je niet te zwaar aan hoefde te tillen” (p. 101).
Beide hoofdfiguren lijken dan ook niet zo happig om ten volle deel te nemen aan de ontwikkeling van het verhaal (op B-film formaat). Ze trekken zich liever terug in nostalgische apathie. De omstandigheden werken hen echter danig tegen. Uiteindelijk komt het zo ver dat de ik-verteller (en schrijver) het afronden van de grote verhaallijn overlaat aan een personage, de immer op structuur beluste Bertje. De ik-verteller is ondertussen druk doende zijn wensdromen te vrijwaren van het hoofdpersonage en leverancier van de boektitel. J. Kessels mag dan wel belangrijk zijn voor het boek, dat geeft hem nog niet het recht zomaar rond te banjeren in de fantasiewereld van de schrijver. Waar verlangen en een feitelijke vervulling ervan elkaar treffen, moet tot slot een offer gebracht worden. Elvis het schoothondje has left the building. Vervolgens rijden de ‘ontspoorde romantici’ stilzwijgend de einder tegemoet, richting Tilburg.
J. Kessels: the novel boort vervaarlijk met de tong in de wang. Allusies gaan de strijd aan met expliciete humor, zinnen en metaforen haken zich aan elkaar vast. P.F. Thomése schakelt in een verwoed tempo over van de hogere regionen van romantiek en nostalgie naar de basale Feuchtgebiete. De verschillende taalregisters benadrukken dat. Een passage die start bij de beschrijving van Duitse voetbalsupporters die dansen op de muziek van Kraftwerk spreekt boekdelen:
“[…] Heel wat anders dan die eentonige robots die hier massaal alternatief stonden te wezen uit naam van een unaniem aanvaard massa-individualisme. Was B.B. maar hier. Was ik maar bij B.B., mijn persoonlijke onpersoonlijke billenborstenkoninginnetje uit de goeie ouwe tijd van de klassieke hete negerlul speciaal, waarbij vergeleken – ach, ach, ach, alles werd minder, inclusief ik zelf.” (p. 82)
In al zijn tongue in cheek-ness laat P.F. Thomése al eens een schakel vallen en niet elke witz is even geslaagd. De grens tussen puberale ongein en een amusant nostalgisch literatuurspel is dun. Maar, hey, I walk the line…
P.F. Thomése, J. Kessels: the novel, Uitgeverij Contact, 2009, 220 p.
Met dank aan:
.jpg)






