Haar spel, en dat van Angelo Tijssens die even later binnenkomt met een plastic zak, blijkt echter hoogst breekbaar. De openingsscène is er een van angst: er wordt iemand verlaten, of iemand heeft schrik om iemand anders te benaderen – wat vaak op hetzelfde neerkomt. Op dat moment botsen hun iele stemmen nog onheilspellend tegen de muren van het achterzaaltje, later worden zij lieflijker, en meer kinds want overtuigd van het eigen gelijk, meerbepaald in discussies op de achterbank van een middelgrote gezinsauto, op weg naar het jaarlijks groot verlof aan de Côte d’Azur. Hij leest strips, zij speelt spelletjes, hij is veertien, zij twaalf, hij broer, zij zus. Maar niet voor lang.
Voor een beslissende wending wordt genomen in het verhaal en voor Zuid-Frankrijk wordt bereikt, volgen er idyllische plaspauzes, die passen in een soort wegrestaurantromantiek waarbij de jongen opkijkt naar de vader, naast elkaar in het pissijn, de grootste wil hebben en zijn, en dus de vader maar vermoordt en zich daarna in een moeite door in de eigen ogen pist, met verregaande blindheid tot gevolg. Oedipus on the road, quoi. Het zal over bildung gaan, maar de enige oedipale groeipijnen die dat met zich meebrengt, zullen incestueuze zijn.
Dit gegeven, dat het stuk zijn theatrale bestaansreden en spankracht geeft, wordt zorgvuldig uit de doeken gedaan. Broer verzamelt schelpen, zus helpt hem daarmee. Zus krijgt een niet nader genoemd ongeluk, of het zou ook een voedselvergiftiging kunnen zijn, want een kindermaag verteert bouillabaisse nu eenmaal moeizamer. Zus belandt in het ziekenhuis, broer brengt schelpjes mee en etaleert die zorgvuldig op het bed van zijn zus. Het is echter een klein bed en de broer moet zijn schelpen al op de benen van zijn zus leggen, wat een aangename prikkeling teweegbrengt, vooral bij de zus. De broer blijft echter ook niet ongevoelig voor die mooie gebruinde huid van zijn zus, en doorgaat op dat moment iets wat de meesten onder ons op een bepaald moment meemaken, of het nu in Luxemburg, Blankenberge of Taipei is: de erotische ontwaking. Plots begrijpen we Dohnkes functionele, ultrakorte vestimentaire keuze.
Broerlief beschrijft die omwenteling in zijn hormonale en gevoelsleven in een schitterende sequentie, waarin hij zijn kleine revolutie afdraait met behulp van een zaklamp en een manisch voorgelezen dagboekfragment, voortgestuwd door een soundscape die nog het meest doet denken aan het dreigende ‘The end’ van The Doors. Misschien betekent dit inderdaad wel het einde van een zorgeloze tijd, waarin hij ‘te groot is voor spelletjes maar te klein voor een vespa’. De zus, die in haar ziekenbed vrouw wordt, houdt het bij een versie van Arcade Fire’s ‘My body is a cage’, intimistisch gespeeld door live-muzikant Tijs Delbeke. Incest mag niet, en dat weten de kinderen ook wel. Na deze en andere bespiegelingen, die uitblinken door de aan het publiek doorgegeven prikkeling en poëzie, gebeurt er tussen en broer uiteindelijk iets onbestemds, iets even vaags als in Nabokovs ‘Lolita’. Even zinnelijk als Claus zegt de zus: ‘Ik ben een strand’, waarop zij wegzakt op de ruis van haar broers adem in haar oor, die tijdelijk schelp wordt. Ook het weekdier tussen haar benen komt tot leven. ‘Life is a beach’, wordt er op het einde geprojecteerd, waarbij ‘beach’ zowel met lange als met korte klinker mag worden uitgesproken, want onze maatschappij verdraagt geen kleine Toetanchamons die met hun zussen trouwen en kinderen krijgen, nog minder in het grijze België dan op vakantie. De onmogelijkheid van een strand, iemand?
Dit stuk gaat over het verlies van onschuld, over het opwekken van verboden lust, over de mooiste schelpjes uitkiezen voor de oneindige oceaan. Thomas Edison meets alle bovenvermelde referenties. De voorstelling dankt haar kracht aan de consequent aangehouden metaforen, waartussen ook duiven opvliegen en roekoeën als in ‘The Karate Kid’ (dan toch), en aan de meticuleus opgebouwde tekst, die vol zorgvuldige voor- en achteruitverwijzingen zit, en ook in de structuur de setting benadert: net zoals de zee gaat het verhaal op en af, en het is die eb en vloed die zorgt voor de afwisseling van heftige scènes en rustpunten. Dat neemt het ritme soms een beetje uit de voorstelling weg, wat spijtig is, omdat het potentieel ‘gevaarlijke’ thema gerust wat meer panache en stoom verdiende: nu kabbelt het iets teveel naar het einde. Meer vloed en iets minder eb ware wenselijk geweest.
Op het toneel bestaat een mooie, speelse spanning tussen beide spelers, die soms wat onhandig tot uiting komt, wat niet erg is, integendeel, omdat de personages kinderen zijn. Toch hadden we ook hier graag iets meer kwaadheid gezien, wat meer urgentie; vaak blijft het spel te vlak. Met name Angelo Tijssens zet iets te dikwijls zijn droevehondenblik op, in plaats van te grommen, te blaffen, of te kwispelstaarten. En ook Dohnke verrast ons in feite nooit meer zoals ze helemaal in het begin had gedaan.
Tot een bestorming van het zandkasteel komt het dus niet, maar toch bevat ‘Sunday Smile’ genoeg elementen om u te ontroeren of te verontrusten. Er zit veel schoonheid in, en u wordt uitgedaagd het begrip ‘liefde’ te herdefiniëren. Op het gehoor en het gezicht lukt dat dus aardig, alleen had ik graag buikkrampen gehad achteraf – om dan in een ziekenhuis in Zuid-Frankrijk te belanden, waar kennelijk veel gebeurt, of toch een van de belangrijkste zaken in een mensenleven.

(c) Gregory Zalcman - 2009
Gezien op locatie, op 30-04-09. Speeldata en informatie: www.marsspeelt.be






