Verschrikkelijk luid en ontzettend dichtbij: zo klonk het schot dat David Nolens onlangs afvuurde, in antwoord op de vraag aan ‘sterke, stille schrijvers’ om ‘wat meer lawaai te maken’ die recensent Dirk Leyman kort daarvoor had gesteld. Die vraag was wellicht retorisch bedoeld, maar de reactie van Nolens was dat gelukkig niet. Een alarmkreet was het, een vuurpijl in de mist, ter attentie van de stuurlui aan wal. Want het blijkt alsmaar moeilijker om er nog mee te leven, met het lawaai dat het schrijven van een boek in je hoofd veroorzaakt, en de nietszeggende stilte die er vaak op volgt. Versta: met het gebrek aan een doordachte, leesbare receptie in andere media dan de strikt literaire. Ja, zult u denken, dat is de eeuwige schrijversklacht. Maar heeft u Stilte en melk voor iedereen gelezen, Nolens derde, en een van de sterkere romans van het voorbije jaar? Weet u ook waarom dat zo is? Een hele generatie die enkele jaren geleden met luide trom als literair nieuws werd ingehaald, komt stilaan op het toppunt van haar kunnen, maar een meerderheid van de bevolking lijkt dat absoluut te ontgaan omdat het de kritiek aan een taal ontbreekt om de relevantie van hun werk te benoemen én omdat het voor massamedia niet rendabel genoeg is om hun critici die taal te laten ontwikkelen.