De roman opent met een telefoontje van de Schoonspringer met de vraag of zijn zoon nog steeds geen tijd kan vrijmaken om zijn zieke moeder te bezoeken. De zoon, een geslaagde fotograaf vanuit wiens perspectief het verhaal verteld wordt, doorziet de beweegredenen van zijn vader als geen ander. Zoals zovele eerste generatie migranten vreest de man de vergetelheid die elke migrant in het hart doodt. ‘Wordt hij door zijn kinderen vergeten, dan eet het monster van de migratie hem met huid en haar op.’
Dit is een eerste uiting van een sluimerend generatieconflict tussen vader en zoon, want vergetelheid is precies datgene waar de fotograaf zelf naar verlangt. Vergeten worden door zijn Zwarte Prinses en geheel opgaan in het decor van zijn fotoreportages. Wanneer de Schoonspringer echter enkele dagen later opnieuw belt met het excuus dat hij op zoek is naar het oude familiefotoalbum, zwicht de fotograaf en trekt naar het ouderlijke huis. Hier wordt hij onmiddellijk geconfronteerd met de stilte die na de dood van zijn tweelingbroer over het huis is neergedaald. Zijn gedachten gaan terug naar de reis naar Marokko waar zijn broer letterlijk zijn eigen Griekse tragedie tegemoet sprong. Dit is een taboegebeurtenis (door de fotograaf ‘het Ding’ genoemd) die de familiebanden duidelijk ernstig verstoord heeft en die de moeder van een zelfopgelegde zwijgplicht naar een onverklaarbare ziekte dreef.
Alsof één tragedie niet genoeg is, wordt het ik-personage intussen bestookt met poëtische mails van de liefde van zijn leven: Eva Soares, alias de Zwarte Prinses. Ze is de moeder van zijn twee zonen, een tweeling, met wie hij bewust geen contact wil. Het is duidelijk dat de ene familietragedie voortvloeit uit de andere, maar onverwachts is ze ook de directe aanleiding tot de oplossing ervan. De confrontatie met het verleden, het delen van een goed bewaard familiegeheim, zorgt er immers voor dat de moeder haar stem terugkrijgt. Maar het is voornamelijk de confrontatie met de toekomst, de ontmoeting met haar kleinzoons, die haar haar levenslust teruggeeft. De vader neemt intussen onverhoeds de plaats van zijn echtgenote in op het sterfbed, nog steeds belast met het geheim en zonder enig resterend respect van zijn zoon.
De korte, getitelde hoofdstukken worden in De stem van mijn moeder afgewisseld met fragmenten uit 'Onze vakantie in Marokko', het reisdagboek van de overleden broer. De naïeve kinderstem in deze korte fragmenten staat in schril contrast met de zwaarwichtige toon van het verhaal van de volwassen fotograaf. Bovendien stelt het de lezer in staat een duidelijk beeld te vormen van de relatie tussen de tweelingbroers, die voorgesteld worden als elkaars tegenpolen. Zo probeerde de fotograaf de wereld al vroeg van op een afstand in beelden te begrijpen, terwijl zijn broer beter was met woorden. Het wordt ook duidelijk dat die laatste naar Marokko gereisd was om er zich thuis te voelen, terwijl hijzelf geen al te hoge verwachtingen had van zijn geboorteland. Die verpersoonlijking van de tegenstelling tussen land van herkomst en land van aankomst is niet nieuw. In Zadie Smiths debuutroman White Teeth wordt dezelfde tegenstelling, zij het iets karikaturaler, voorgesteld in de tweeling Magid en Millat. Ironisch genoeg is het bij Benali precies de broer die zich het sterkst verbonden voelt met zijn geboorteland, die er zijn dood vindt. Dit is een staaltje van natuurlijke selectie beschreven door Charles Darwin, de wetenschapper die samen met Bernhard Grzimek het hoofdpersonage inwijdde in de wondere wereld der evolutie.
We kunnen hier inderdaad stellen dat 'the fittest survived', want, al wordt de overlevende broer uitdrukkelijk beschreven als de sterkere helft van de twee, toch is het niet zijn sterkte, maar eerder het gemak waarmee hij zich aan zijn omgeving aanpast dat hem doet overleven in Nederland. Zoals Darwin al aangeeft in On the Origin of Species, ‘in the struggle for survival, the fittest win out at the expense of their rivals because they succeed in adapting themselves best to their environment.’ Tot groot verdriet van zijn vader laat de fotograaf in het Noorden zijn traditie, zijn verleden en ook zijn geloof varen. Zelf vergelijkt hij zijn situatie met die van de dodo’s, de uitgestorven vogels zonder vleugels die op Mauritius leefden en voor de komst van de Nederlandse kolonisten geen natuurlijke vijanden kenden.
Al voelt het hoofdpersonage zich als vleugelloze dodo volstrekt tevreden in Nederland, toch benijdt hij zijn conservatieve vader soms. Deze heeft immers zijn vleugels (lees: zijn band met het geboorteland) nog én zijn geloof om op terug te vallen, terwijl hij zelf de verzen van Mohammed enkel nog gebruikt om vrouwen te verleiden. Zijn ongeloof was voor de fotograaf ook het belangrijkste argument om geen kinderen te willen en kordaat in te grijpen in de evolutie wanneer dat onverwachts wel gebeurde. Althans, dat is de reden die hij zijn Zwarte Prinses geeft, maar misschien was de angst om genen zonder geloof door te geven niet meteen de eerste reden om zich te laten steriliseren en elk contact met zijn tweelingzoons te vermijden. Net zoals zijn ouders heeft de fotograaf immers een diepgewortelde angst dat het verleden kan terugkeren.
Een cyclische kijk op de evolutie dus, die Nietschze eerder verwoordde en die Benali gemakkelijkheidhalve kopieert uit Kundera’s De ondraaglijke lichtheid van het bestaan. Wat de auteur weglaat uit zijn citaat is precies de essentie van De stem van mijn moeder, dat de zich herhalende gebeurtenissen zich ‘vertonen zonder de verzachtende omstandigheden van hun voorbijgaande aard’. Met andere woorden, de tragedie zal altijd ondraaglijk blijven. Het is de kracht van die tragedie die ervoor zorgt dat Benali’s roman, ondanks de soms haperende beeldspraak en het onregelmatige ritme, de nieuwe literaire lente waardig inluidt.
Met dank aan:
.jpg)






