Meest recente artikels:
Het fotowerk van Kurt Van der Elst
Interview Karel Vanhaesebrouck
Meer artikels van Lana Willems:
De Judaspassie van Muziek LOD
de performer en het witte doek
Over Sister van Vincent Dunoyer
SISTER: EEN LAUF DER DINGE
datum 07.04.2009
auteur Lana Willems
rubriek Podium
Sinds 1997 is Vincent Dunoyer niet langer aan een gezelschap verbonden maar gaat hij zelf aan de slag als danser-choreograaf. Uit de verschillende stukken die hij sindsdien gemaakt heeft, blijkt een terugkerende interesse voor de ‘subjectiviteit’ van het kijken en het persoonlijke karakter van herinneringen.
In Vanity (1999) liet hij bijvoorbeeld zijn voor het publiek opgevoerde solo filmen om nadien die film aan hetzelfde publiek te tonen. Plots kreeg je als toeschouwer een hele nieuwe solo te zien en werd je geconfronteerd met je eigen blik. En niet alleen met je eigen blik: er blijkt ook nog een andere blik mogelijk, een andere manier van kijken die andere herinneringen achterlaat: het is ineens het oog van de camera dat alles bepaalt.
Met dit persoonlijke, subjectieve karakter van herinneringen speelt Dunoyer ook in Sister. Het is een voorstelling die hij creëerde voor Rosas, het gezelschap waar hij zelf vier jaar lang lang deel van uitmaakte.

Rosas ontstond in 1983 met de voorstelling Rosas dans Rosas, een voorstelling die onmiddellijk een grote wenteling teweegbracht in het Vlaamse en internationale danslandschap. Ook de lijnen die het gezelschap in de jaren erna zou volgen, werden hierin al duidelijk uitgetekend. Niemand zal betwisten dat het dus een erg belangrijke en tekenende voorstelling was. Rosas dans Rosas werd in februari 2009 voor het eerst hernomen in het Brusselse Kaaitheater, de plek waar ze destijds in première ging. En het is die voorstelling die hier als uitgangspunt dient voor een bespreking van Sister.

Rosas dans Rosas werd oorspronkelijk gedanst door Anne Teresa De Keersmaeker zelf, Michelle-An De Mey, Fumiyo Ikeda en Adriana Boriello. De herneming van de voorstelling werd gedanst door ‘een tweede generatie’ Rosas-danseressen. Anne Teresa De Keersmaker was daarbij nog de enige ‘oorspronkelijke’ danseres op scène. Het leek erop dat ze nu naast de jongere versies van de andere drie stond. Deze drie nieuwe danseressen waren ongeveer zo oud als de eerste danseressen op het moment van hun première in 1983. Als publiek kreeg je zo een heel mooi beeld van de jeugdigheid, frisheid en scherpte die de voorstelling karakteriseren, naast een beeld van de geschiedenis die de voorstelling ondertussen in zich draagt, vertegenwoordigt door De Keersmaeker.
Het is echter niet zozeer het verschil in leeftijd dat fascineerde, alswel de ‘positie’ of de verhouding van de vier danseressen tegenover het stuk.

De Keersmaeker kon in deze herneming als enige dansen wat ze ooit zélf creëerde. De andere drie dansten wat iemand anders vóór hen had gemaakt. Worden deze ‘nieuwelingen’ hierdoor meer uitvoerders dan dansers? En gaat het hier dan nog wel om dezelfde voorstelling als 26 jaar geleden? Natuurlijk maakten de nieuwe danseressen zich de bewegingen eigen, maar door het ‘aanleren’ worden deze bewegingen ook ‘afgevlakt’, zoals de danscriticus Pieter ’T jonck schrijft over de verschillende hernemingen van andere Rosas-voorstellingen (etcetera 108). De danseressen namen louter de beweging over maar gaven er hun eigen interpretatie aan die logischerwijs verschilde van de interpretatie van de eerste danseres. Ze herpersoonlijkten de bewegingen op hun eigen manier. En via die weg van creatie, interpretatie, overdracht en herinterpretatie kreeg je als toeschouwer dus als het ware een nieuwe, een andere voorstelling te zien.

Het zijn die vragen naar de verhoudingen tussen een origineel en een herneming of kopie die aan de orde zijn bij Sister. Vragen naar de betekenis van eígen herinneringen en die van andere dansers, naar het belang van het verschil tussen het ene of het andere lichaam op scène, de herinneringen van dansers of die van choreografen.

Sister is eigenlijk een solo voor De Keersmaeker met Fumiyo Ikeda, - welke Rosas-liefhebber kent haar niet - als muze. Zij is er sinds 1983 bij en belichaamt bij wijze van spreken het volledige Rosas-oeuvre. Van dit idee is Dunoyer in ieder geval vertrokken.
De voorstelling is in verschillende lagen gecreëerd, op basis van het ‘cadavre exquis’-principe van de surrealisten. Misschien herinner je je zelf nog de spelletjes als kind? Je maakt een tekening op het bovenste deel van het blad, het blad wordt omgeplooid en iemand anders tekent verder aan de uiteinden van de eerste tekening die nog net zichtbaar zijn. Je plooit het blad weer om, geeft het door etc. Hetzelfde gebeurt met taal: om de beurt schrijf je een woord op zonder dat je ziet wat de persoon voor je heeft geschreven en zo creëer je samen een volledige zin. Het is met dit ‘cadavre exquis’-principe waar Dunoyer mee aan de slag ging.

De voorstelling begint met verschillende foto’s van muze Fumiyo Ikeda. In een dertigtal poses toont ze hoe zij zich de verschillende Rosasvoorstellingen waarin ze danste, herinnert. Natuurlijk geven deze beelden geen volledige herinnering weer, laat staan een volledig voorstellingsbeeld. De beelden zijn slechts ‘samenvattingen’ van herinneringen van één persoon. Een volledig voorstellingsbeeld ontstaat dan ook niet door te denken, alleen door te doen. Pieter T’jonck (etcetera 108) verwijst naar de manier waarop je een verloren voorwerp zoekt: door alle handelingen te herhalen op het moment dat je het voorwerp nog in handen had tot het moment (het moment dat je het niet verwacht) waarop je het hebt weggelegd. Op deze manier, dus door te dóen, ging Dunoyer terug op zoek naar de voorstellingen uit het verleden. Maar hij danste noch zocht zelf. Hij vroeg aan verschillende (ex-) Rosas medewerkers (zowel zangers die slechts één productie hadden gezongen tot danseressen die er 15 jaar hebben gedanst) om twee posefoto’s van Fumiyo met elkaar te verbinden door een nieuwe dansfrase: een dansfrase, een cadavre exquis, van pose één naar pose twee op een nieuwe, eigen manier.

Uiteindelijk danst Dunoyer op scène alle 31 frases van verschillende Rosas-medewerkers aan elkaar tot één lange solo. Zo wordt in één solo, als het ware in één zin, de geschiedenis van een gezelschap, de herinneringen van verschillende dansers én die van Dunoyer zelf samengevat. Ook de problematiek of de complexe relatie tussen een choreografie, getekend door een choreografe en de inkleuring, of het meetekenen van de dansers wordt hier blootgelegd. Sister blijkt dus een werk op drie niveau’s: 1) de dansstijl van Dunoyer die verweven wordt met 2) de 31 verschillende dansstijlen en danstalen van de dansers die aan bod kwamen én 3) de echo’s van de Rosas-voorstellingen uit het verleden.

Wéér een nieuwe interpretatie erbovenop. Of was het toch de originele waar het allemaal begon? Anne Teresa De Keersmaeker komt zelf de scène op. Nu is het haar beurt om de hele cadavre exquis van Dunoyer, de hele verbindingslijn van de verschillende frases, aan elkaar te dansen. Wat haar ooit eigen was, wat ooit bij haar vertrok werd gevormd door dansers, vervormd door herinneringen, opnieuw gedanst en nu terug door haar geïnterpreteerd. Het zijn dezelfde bewegingen als die van Dunoyer en toch lijken ze nog amper op elkaar. Het is niet langer háár dans: zij heeft het nu ook (opnieuw) moeten leren en ze worstelt. De kleuren van wat de choreografieën ooit waren, zijn weer aangepast: het materiaal is haar aan de ene kant zo vertrouwd en nu zo vreemd.

De allerlaatste interpretatie, de rol van het publiek. Have fun with it! De voorstelling is gedaan en Dunoyer lijkt je iets op te dragen. Have fun in het herinneren van wat je eerder zag, Fun in het kijken naar Sister en fun met wat je je er later nog van herinnert.

Gezien op 12 februari in CC Strombeek en op 1 april in deSingel.

www.rosas.be
Reageer
Voornaam
Naam
Email
Reactie