Achteraf bekeken waren we hoofdzakelijk getuige van een avondje herinneringen ophalen. De gasten hoefden nauwelijks vervelende interventies te vrezen. Bij hun, toegegeven, vaak geanimeerd vertelde verhalen werden zelden kritische vraagtekens geplaatst. De sprekers traden niet met elkaar in dialoog. Er was duidelijk de keuze gemaakt een beeld te schetsen van ‘hoe het vroeger was’. Dat stelde teleur. Waar was de ruimte voor reflectie? In hoeverre is het beeld van de periode geromantiseerd? Wat is er van in huis gekomen, idealen als gelijkheid en emancipatie? Hoe onbeperkt zijn de mogelijkheden om de wereld te veranderen? Geloven zij vandaag nog wat zij toen geloofden?
Goed, tussen de regels door was de afstand die een kritische nuance mogelijk maakt toch te lezen. “Het is geweest wat het geweest is,” zei ook Van Kerkhoven. In de eerste plaats is het duidelijk dat de optimistische geest, die door de periode en door het theater waarde, de tand des tijds niet doorstaan heeft. De jaren zeventig waren economisch een bijzonder gunstige periode, waarin massaal en euforisch aan het consumeren geslagen werd, zonder dat daar al vragen bij hoefden te worden gesteld. Het spreekt voor zich dat deze periode op vlak van geloof in een maakbare wereld en de zelfredzaamheid van het individu geenszins de vergelijking doorstaat met onze tijd. Berichten over de slabakkende economie zijn schering en inslag, en de consumptiemaatschappij blijkt catastrofale gevolgen te hebben gehad voor het milieu. Met het wegebben van de euforie was ook dit strijdbare theater ten dode opgeschreven. Het relativeringsvermogen van de gasten zelf bewees overigens voldoende hoe hard de tijden veranderd zijn. Ach ja, wij gingen de wereld veranderen, ja. Wat zullen we zeggen, dat is moeilijker gebleken dan het leek? Spreekt dat niet voor zich?
.jpg)
Foto: Mistero Buffo, Internationale Nieuwe Scène, 1972 (archief INS)
In de tweede plaats bleek dat ook de ideeën van de periode - over hoe het theater behoorde te functioneren - aan slagkracht ingeboet hebben. Het was overigens die onvrede die nog vóór het politieke engagement de beweging voortstuwde. Tekenend daarvoor was dat ‘hoe het theater functioneerde’ sterk bleek overeen te komen met hoe het theater dinsdagavond in HET PALEIS functioneerde. “Alles waar wij ons tegen verzet hebben!”, riep Charles Cornette uit, toen hij de aardedonker verduisterde zaal zag, het podium dat boven de hoofden van de eerste rij uittorende. Herhaaldelijk werd gevraagd om het zaallicht aan te steken, wat overigens niet eens de verhoopte interactie of participatie tot resultaat had. Een dialoog tussen de gasten onderling werd, geheel in de sfeer van de goede oude tijd, lachend verschoven naar het nagesprek, waarvoor slechts een minimale minderheid uit het publiek zich achteraf op het podium begaf. Ook de reactie op de uitnodiging om mee aan te schuiven aan de feestdis was bijzonder mager. Toen enkele mensen tegen het einde de trappen afdaalden, rees kort de hoop op een impuls vanuit het publiek – die mensen hebben honger!, riep Speybrouck uit. Triomfantelijk bijna. Tot zij zich richting zijdeur bleken te begeven – nee, die mensen willen naar huis. Pijnlijk. Ook de opmerking van de gastheer dat, als hij vandaag naar het theater gaat, hij hoopt dat het “toch maar niet met participatie zal zijn”, werd op luid gelach onthaald, omdat wij onszelf zo in die angst herkennen.
Wat ons schijnbaar restte, was met andere woorden niets dan een gapende kloof. Maar welke sporen heeft dit theater nagelaten, welke impact heeft het gehad? De organisatoren hadden vooraf te kennen gegeven dat het dit soort vragen was dat zij wel degelijk wilden aanraken. Onderaan het programma stond overigens een ‘slotdiscussie’ gepland, met als centrale vraag ‘Wat betekenden de jaren zeventig voor het theater van vandaag?’. Bij mijn weten is die vraag niet eenmaal gesteld.
De uitzondering op de regel vormde Van Kerkhoven. Zij doorprikte kort het luchtige sfeertje door erop te wijzen dat “we hier toch met een stukje theatergeschiedschrijving bezig zijn”, waarop zij inging op de hardnekkige reputatie van ‘slecht theater’ die dit toneelwerk met zich meezeult. Het struikelblok was de overvloed aan inhoud, stelde zij, waarvoor nog geen theatraal en esthetisch interessante vorm gevonden was. Tegelijkertijd benoemde zij een aantal cruciale ontwikkelingen in het theater van de periode die ook vandaag nog hun sporen nalaten. De toneelschrijfkunst kwam tot ontwikkeling, doordat makers zich genoodzaakt zagen enkel literair interessante teksten in een theatrale vorm te gieten. Bovendien werd het kindertheater opengebroken, onder meer onder impuls van Eva Bal, en voltrok zich de emancipatie van de acteur. Deze was nooit eerder zo mondig geweest, en nam tevens verantwoordelijkheid op voor de rol die hij vertolkte, en de inhoud van het stuk waarin hij speelde. Haar heldere toelichting was één van de weinige momenten waarop onze indruk bijgesteld werd dat de relevantie van dit theater vandaag nihil is. Toegegeven, de aanstekelijkheid van het engagement van deze makers inspireert. De gepassioneerde zoektocht naar een manier en een vorm om te vertellen wat zij te vertellen hadden, kan ook vandaag nog jonge makers aanspreken. Maar het kan niet de bedoeling geweest zijn het beeld te scheppen dat het om een hopeloos naïeve beweging ging die geen van haar idealen tot uitvoering heeft kunnen brengen. Toch is dat de indruk die voornamelijk is blijven hangen.
CREDITS
Het Theaterfestival 2008 - Parallelprogramma
Thersites
Toneelstof II
Van/met: Dimitri Duquennoy (regie), Wim De Wulf, Jokke Schreurs, Nils De Caster, Yves Meersschaert (muziek), Sven Speybrouck (presentatie), Warre Borgmans (interventies), Thersites vzw (organisatie)
www.toneelstof.be







