Meest recente artikels:
Summerschool Kunstkritiek
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Review Dit is mijn vader
Meer artikels van Gunther De Wit:
MARS speelt 'Sunday Smile'
Over 'De Versie Claus' van Het Toneelhuis
Over Zand erover!? van Victoria Deluxe
THEATERFESTIVAL 2008: EDITORIAAL
datum 30.08.2008
rubriek Curiosa
Zaterdag 30 april 2008, De flyeraar
De flyeraar strompelt naar buiten. Het gewicht in zijn rugzak weegt zwaar, zo’n vier gezelschappen en huizen rekenen op zijn promodiensten, op zijn wapperen, op zijn mensen in de handen duwen en in het gezicht slaan met hun stukken. En hij is moe. Acht dagen festival zijn niet in zijn niet meer zo versgestreken, koude kleren geslopen.
‘Ik ben de muilezel van het theater’, mompelt hij, ‘maar dan wel een sterke.’ Hij neemt een pakje, kijkt voor zich uit. Op het plaveisel staat nog niemand, de toeschouwers moeten nog toekomen. Hij doet een partijtje schijnboksen, tegen niemand in het bijzonder. Of toch. ‘Pak aan!’ De beweging stokt, de flyeraar opnieuw in rust. Daar komt iemand aan, of nee, het zijn er twee, maar hun silhouet is één. Zijn rug recht, neemt hij alvast zijn vertrouwde pose aan.
‘Kijk eens wie we daar hebben’, zegt hij tegen Jos en Jozefien. ‘De nieuwe lading TFL-ers!’ Hij kijkt in zijn eigen hersenpan, wikt en weegt even. Waarom zegt hij die dingen? Ze vallen hem zwaar, minder zwaar dan die kartonnen onnozele flyers – waarvoor hij betaald wordt, akkoord, maar dat is het dan ook. Een studierichting als TFL is werkelijk al te gek. Vroeger was het hooguit de afkorting van ‘taal en fucking literatuur’ geweest.
Jos en Jozefien bedanken hem met een milde glimlach, gaan dan ook postvatten. ‘Het flyeren is een oorlog, en de ingang van een schouwburg een oorlogsgebied’, denkt hij. ‘Dat er nog niet meer slachtoffers zijn gevallen, is mij een raadsel.’ In de plaats zegt hij, niet in het minst tegen de aanrijdende Anke met de lange benen, ‘Gaan jullie vanavond ook naar het feestje?’ Anke plooit haar fiets, schudt haar haren goed, brengt iets uit als ‘Ja, ik denk het wel’ en neemt dan haar plaats in: vlak voor de flyeraar. ‘Het grove maar fijne geschut’, denkt hij.
    Die zet had hij niet verwacht. Met al haar pracht hem in verwarring brengen, met haar stevige stelten eindigend in de laatste mode, dat was werkelijk teveel van het goede. Maar hij blijft staan. Alles voor de goede smaak. Zijn profileringsdrang kan de pot op.
    Jos heeft gedaan, Jozefien dus ook. Zij gaan naar de voorstelling. ‘Al goed genetwerkt?’, vragen ze hem in het passeren, maar ze wachten zijn antwoord niet af, gaan recht naar binnen, wisselen een blik van verstandhouding waarbij het meisje luider giechelt dan de jongen.
    ‘Wacht maar’, denkt hij. En ook: ‘Jozefien ziet er slechter uit dan vroeger.’ Terwijl hij weet dat dit een leugen is, dient zijn volgende gedachte zich al aan. Zonder het te weten of zonder hen te zien, heeft hij reeds twee volledige pakken opgedrongen aan nu ook weer niet zo drommende bezoekersaantallen. Hij had vast staan dromen. Dat, of iedereen is onzichtbaar geworden. De reflex tot een rondje schijnboksen bekruipt hem, maar hij houdt zich net op tijd in. Wat moet dat wonderlijke wezen voor hem anders wel denken? Een muilezel stoot zich geen twee keer aan dezelfde steen.
    Een gevoel van gelatenheid, van diepe mistroostigheid overvalt hem. ‘Zo voelt een clown zich dus’, denkt hij, en hij besluit het circus vroegtijdig te verlaten. Uitslapen in zijn eigen bed, en morgen weer de wereld omarmen, dat zou hij doen.
    ‘Ik ga naar huis’, zegt hij, en voor Anke iets kan terugzeggen – of misschien zegt ze iets maar hoort hij het niet – rent hij naar de tramhalte.
Aan het rode licht twijfelt hij. Hij had gerust die en die nog kunnen zien op het feest, met deze of gene kunnen spreken over al die wilde plannen. Hij zou het gaan maken, dat stond vast – maar wat precies? Het lawaai van de aanrijdende tram slaat hem uit zijn dagdroom. Zonder nadenken snelt hij de baan over, het is nog rood en hij kan op het nippertje een auto ontwijken, springt op het platform en duwt op de knop naast de al sluitende deuren van de tram, die zich voor zijn neus in gang trekt, de flyeraar verweesd achterlatend, maar niet vooraleer die nog een stamp heeft uitgedeeld aan de belachelijk roze carrosserie.
‘Verdomme’, vloekt hij, ‘dat is nu al de tweede keer in twee dagen.’ Hij denkt aan de vertraging die hij nu heeft opgelopen. Zou hij terugkeren? De vraag was amper gesteld, of daar stak reeds een meisje over, het meisje dat hem het voorbije uur nog tot decor had herleid. Zij kwam zowaar zijn richting uitgefietst, elegant, een ballastloze amazone.
‘Ik ben van gedacht veranderd’, zegt ze terwijl ze afstapt. Ze kijkt hem aan. ‘Ik ga niet naar het feestje’.
‘Spijtig, ik dacht er net aan terug te…’, maar ze valt hem in de rede, het brutale ding. ‘Wil je een lift misschien? Waar moet je naartoe?’
Daar had hij niet van terug. Een ogenblik denkt hij na, waarbij zijn tong omwentelingen maakt in zijn gehemelte, als was het de motor van zijn denken. Dan grijnst hij, gaat achterop zitten. ‘Het is de laatste avond, weet je?’
‘Ik ben me ervan bewust’, en ze lacht. ‘Ga je nu mee? Er zijn vast andere geïnteresseerden’.
‘Wie dan wel? Benjamin Verdonck?’, maar zijn antwoord is slechts schijn, in realiteit denkt hij: ‘Deze plaagstoot is wraakroepend’, en: ‘Ik laat me niet kennen.’ Maar hij zegt: ‘Goed, op één voorwaarde: geen theater, het echte leven.’
‘Ik kan niets beloven,’ zegt ze geheimzinnig tegen de adem in haar nek. ‘OK, we zijn weg, we nemen de benen’, zoiets hoort hij toch, de tramsporen volgend, twee flyers in de wind voor een voorstelling zonder publiciteit, ook niet van mij – en zonder publiek.


Vrijdag 29 april 2008, De mosseleters - Dialoog in één akt
(Twee willekeurige hoofdredacteuren zitten aan bankjes in het festivalcentrum van deSingel. Het is etenstijd. Zij zitten gebogen over een dampend bord, en nemen een eerste schelp ter hand).
(GDW): Aaah, wat is er beter dan naar theater gaan! Ik weet het! Vooraleer naar het theater te gaan, mosselen te eten op een zonnig terras, met gelijken van geest!
(KVW): Had je je vraag maar retorisch gehouden, mijn beste. Het is helemaal niet zonnig, en ik kan wel beter gezelschap verzinnen om die ondingen te verteren.
(GDW): Echt waar?
(KVW): Nee, grapje. Ik word er helemaal week van. Ik onderhoud een persoonlijke relatie met mijn mosselen, in de zin dat ik ze namen geef: Thierry, Jan, Fred, Jos, Anne-Teresa,…
(GDW): Volgens mij is dat laatste zonder koppelteken. Hoedanook, dat stemt me vrolijk. Ken je de geschiedenis van de mossel een beetje? Hij is in talrijke kunstvormen vereeuwigd, en reeds in de…
(KVW): Neenee, dat moet ik allemaal niet weten. Wat mij interesseert is de mossel vandaag, en zijn actuele relatie tot het contemporaine kunstenlandschap. Wat kan mij het expressionisme schelen. Volgens mij konden de vrouwen van Permeke helemaal geen mosselen eten, daar hadden ze te grote handen voor.
(GDW): Ik had het niet zozeer over Permeke, maar over die andere. Is het Van de Woestijne? Ik ben het helaas vergeten. (slurpt genoegzaam).
(KVW): Hou je bakkes en eet.
(GDW): Wat vaststaat is dat er in het Museum voor Schone Kunsten een exquis exemplaar hangt.
(KVW): Een mossel?
(GDW): Non, ceci n’est pas une moule, c’est…
(KVW): Waarom spreek jij ineens Frans? Is het te hoog naar je bol geschoten, meneer de hoofdredacteur? Het is dan nog niet genoeg dat jouw editorialen, als we die zo kunnen noemen, meestal mijn ideeën zijn, nee, je krijgt er dan nog eens kapsones bij ook. Luister eens goed…
(GDW): Ik wou je maar helpen. Lees dan maar de toeristische gids. Ze hebben er ook een Van Gogh hangen.
(KVW): Hou maar op of ik snij je oor af.
(GDW): Wist jij dat een mossel volstrekt geen oren heeft? Of andere zintuiglijke organen? Hersenen, dat wel, en een hart, darmen. Als je ze gaart in Ricard, verwekken ze naar het schijnt hallucinogene effecten bij de gebruiker.
(KVW): Je bedoelt een voedselvergiftiging?
(GDW): (kijkt gepikeerd op uit zijn bord, zet zich dan recht en zegt na een korte stilte:) Wat is voor jou de definitie van een goede mossel?
(KVW): Een mossel die zwijgt. Of één uit Brussel. Leeghoofdig dus, en gespierd.
(GDW): Voor mij de vrouwtjesmossel. Heeft beslist geen Ricard nodig, al kan het geen kwaad. In het Frans bestaat een uitdrukking, ‘faire la moule’, dat zoveel betekent als…
(KVW): (proest het uit) Ik verslikte mij daar haast in die vrouwonvriendelijke opmerking. Heb jij dan werkelijk geen tafel- of, desnoods, andere manieren?
(GDW): En heb jij dan werkelijk geen enkele zinnige uitspraak over de mossel in relatie tot het hedendaagse theater?
(KVW): Het wordt de hoogste tijd dat Jan Fabre iets doet met mosselvocht.
(Doek).
http://farm3.static.flickr.com/2087/1621535047_0f1ee03334.jpg?v=0


Donderdag 28 april 2008, Het mooiste spel ter wereld

Na zes dagen vol theater en schrijven over theater, en toegegeven, de bijhorende randfenomenen, sta je niet geheel weigerachtig tegenover een avondje iets anders doen. Daarom besloot ik naar ‘Bad van Marie’ te gaan.
Net niet vervuld van machistische gevoelens huppel ik de ring in. Bleek het algauw opnieuw om theater te gaan. Theater! Gelukkig kwam daar al snel een wulpse dame, euh, aangehuppeld, want we bevinden ons naast de befaamde ‘konijnenpijp’ (voor de niet-Antwerpenaren: de Waaslandtunnel). Zij kronkelt en zij doet maar wat, zij zingt met een hese stem. Er bestaan slechtere afbijtingen van de spits, zeker in de buurt van de konijnenpijp.
De hyperkinetische showmaster heet ons welkom in de showroom en presenteert ons bij een glaasje sjampieter het programma. Gelukkig blijkt het niet om theater te gaan. Dat zou de zogezegde CEO van Renault, die vast al eens de CEO van Volkswagen maar ook van Volvo (overigens betere auto’s) heeft gespeeld, achteraf ook nog opmerken.
Deze CEO doet zijn intrede met een bedankwoord, waarin hij de hoofdzakelijk commerciële beweegredenen van zijn firma om zich tot dit evenement te lenen opsomt. Hoofdzakelijk commerciële redenen, want ook hij is ‘een cultuurminnend mens’.
Donder op. Vandaag even niet.
Onder het mom van cultuurparticipatie, lees: het klootjesvolk naar het theater krijgen, verloot men een auto. Een nieuwe auto spreekt tot de verbeelding in onze materialistische maatschappij, wars van marxistische prietpraat, zelfs een lelijke. Zelfs als men er al twee heeft – ook lelijke.
Maar naar een auto kijken we niet voor de schoonheid, daar bestaan vrouwen voor. Vanavond toch. En gelukkig vervolmaakt de CEO, veruit het grappigste personage want een regelrechte etter, snel de heilige drievuldigheid: ‘Vol-gens studies van de VUB zijn er wekelijks meer mensen die naar culturele activiteiten gaan, dan dat er mensen in voetbalstadions verzamelen’.
Deze man weet waarover hij spreekt, en ik deel zijn enthousiasme, maar hij brengt me vooral op ideeën. Ik zet mijn laptop aan, surf naar een ‘webstek’ met live sportverslaggeving.
21u34. Tussenstand Liverpool – Standard, voorronde van de Champions League: 0-0.
Zo hè. Daar gebeurt voorlopig even weinig als hier.
Door een ander totaalspektakel dan voetbal open te stellen voor het hele gezin, moet men zich haast wel overleve-ren aan de volledige willekeur. Dat is goed gezien, het past in de sfeer van bedrijfs-Sinterklaasfeesten, en ook wel een beetje in dat van cabaret. Mannen die zich zonder aanwijsbare reden verkleden in Edith Piaf en haar bekendste num-mer vertolken horen misschien eerder in Blankenberge thuis, in een verzopen café, maar, en dat is het ergste van de zaak, zijn niet compleet ondenkbaar in een Renault-garage. De belangrijkste verdienste is dat deze voorstelling daar-op wijst. Toch vergeet ik even al mijn goede intenties en blijf ik bij de les. Nog steeds 0-0, het is spannend, mijn gedachten zijn bij de Rouches en de Reds, in feite twee keer hetzelfde zult u zeggen, en ja, inderdaad, maar dan wel in een andere taal.
21u50. Slecht nieuws: pauze. Nu moet ik wel opletten hier. Zou er nog champagne zijn?
De auto wordt verloot. Aan dezelfde mevrouw als in mei 2007. Hoeveel geluk kan je hebben.
22u15. Aftrap van de tweede helft. Zijn ze nog verbeten?
Nee. Of ja. Het winnende koppel wordt moreel verplicht de auto te doneren aan het gezelschap, zodat die er een vliegticket mee naar Argentinië kunnen kopen, om er straattheater te gaan maken met weeskinderen. Niet om er voetbal met hen te spelen.
22u32. Nog steeds 0-0 op Anfield Road. Hoe kan dat? Wat gebeurt er? Even verder lezen. Nu gaat het om de knik-kers.
De man en de vrouw worden bijgestaan door de CEO van Renault die het geen manieren vindt van de makers, van wie je geacht wordt te vergeten dat het ‘makers’ zijn, en die zich in naam van zijn roestige bolides verontschuldigt bij het koppel. Een Senegalees komt binnen op het verkeerde moment, zingt, brengt geen zoden aan de dijk. Liverpool scoort twee minuten voor tijd de beslissende goal. Een Hollander, nota bene.
Het spel zit op de wagen, iedereen raakt slaags, het koppel gaat er met de Twingo vandoor. De CEO trapt het af, niet de marxistische prietpraters. You’ll never walk alone. Daar heeft hij een dikke lease-auto voor.
Commentaar na de match: het beste team heeft niet gewonnen.



Woensdag 27 april 2008, Kruisstof in Speykerbrouck

Ik heb heel wat geluistervinkt gisteravond. Om te beginnen op de voorstelling ‘Toneelstof II’.
De gevierde presentator Sven Speybrouck betrad daarin samen met Warre Borgmans het toneel, en verklaarde de nostalgische avond voor geopend. Het thema was namelijk ‘Sympathy for the seventies’, een titel die de lading meer dan dekt.
Sympathie zou het codewoord worden. Dat begon al met de kledij. ‘Voor de gelegenheid zal iedereen hier in seventies-kledij gehuld zijn’, grapte Borgmans, waarop hij zijn olifantenpijpen etaleerde. Wat hij, arme stakker, nog niet wist, was dat hij voor de rest van de voorstelling nog maar voor weinig meer dan gelegenheidsnar annex portier annex ober gebruikt zou worden, én dat niemand zich aan de dresscode zou houden. Nog in het minst Sven Speykerbrouck.
Kijk, we weten allemaal dat deze Speykerbrouck in de befaamde Woestijnvis-stal meeloopt, maar daar is hij lang geen paradepaardje, dus van hem vergeef ik minder dan van pakweg het genie Bart De Pauw. Monkellachjes en halve plezanterieën kunnen bijvoorbeeld niet. De reden waarom de organisatie wellicht voor hem koos, is dat hij al eens een boeken-programma heeft gepresenteerd, en dus credibel voor het Canvas-publiek dat ook al eens naar het theater trekt. Maar dat voordeel van de twijfel geniet hij niet lang.
Aanschouw: Speykerbrouck die zich neervlijt. Er staat een salonfähige zetel in jaren ‘70-motief, dus hij kan dat, hij moet dat, denkt hij. Fout gedacht. Een Pantalon de jeans allongé is het laatste wat de toeschouwer nodig heeft (een beetje duiding over het theater in de jaren zeventig, echter…). Of liever: het zou niet zo storen als het niet gepaard ging met dat vreselijke airtje dat eigen is aan sommige televisiepresentatoren, en waarvan ik hoopte dat het ondertussen alweer gedemodeerd was. Hoe meer Speykerbrouck zich uitrekte, hoe meer deze voorstelling op een uitgerekte versie van ‘De Laatste Show’ begon te lijken.
Begrijp me niet verkeerd. Sven is een toffe jongen met een toffejongenskapsel. En sportschoenen. Maar hij articuleert niet, en doordat hij gaat neerliggen creëert hij de suggestie dat het OK is voor andere mensen om óók niet te articuleren. Hij heeft met andere woorden een kwalijke invloed, en moet dus van publieke plaatsen verbannen worden. Of om het publiek te citeren: ‘Luider spreken, er zitten zestigplussers in de zaal!’, of, helemaal aan het begin, ‘genânte boel hier’.
Dat had te maken met de musicalmicrofoons die klaarblijkelijk niet aanstonden, zoals dat gebruikelijk is bij musicalmicrofoons. En op het einde werd het reeds eerder gealarmeerde verschil (in hoogte, in belichting, in verhouding dus) tussen publiek en zogenaamd panel pijnlijk duidelijk. Wat deden die vreemde mensen daar in de hoek aan een tafeltje waarop eten stond dat we niet konden zien, laat staan ruiken? Keuvelen, en dan niet eens met volle goesting. In het midden van de voorstelling pruttelde de denkbeeldige stoof dan weer iets meer, kregen we hartverwarmende gesprekken, waardoor ik me dingen herinnerde van een tijd dat ik er nog niet was. Ik dommelde bijna in, zoals wanneer ik bij mijn bomma op bezoek ben, en droomde over een open haard, en een cameraploeg voor een reclamespot voor Werther’s echte, of voor Kasteelbier.
Of voor Filliers jenever. Op het terras van café De Duifkens, in het échte theatercentrum van Antwerpen, kwamen na afloop enkele van de oudgediende ervaringsdeskundigen uit de voorstelling langs, waar zij onder meer moesten kiezen tussen ‘jonge of oude’ (jenever dus in dit geval). Ik herinner me hun keuze niet, maar het was een symbolische vraag, en het antwoord erop smaakte zo te zien en te horen veel beter dan het bruiswater uit de jaren zeventig (dixit Warre Borgmans) waarop de voorstelling voortkabbelde. Pas ernà kwam er echt uit wat erin zat: een kammerspiel met bloemetjesmotief, zatte nonkels, discussie heen en weer, een oprecht warme avond. Vandaag wil ik in deSingel witloof in de oven, met apfelstrudel als dessert.



Dinsdag 26 april 2008, Fantasietje
Het was gisteren de vierde dag van Het Theaterfestival, en ik zit al aan mijn derde sollicitatie in die periode. Er volgen er nog twee. Elders ter redactie broeit dezelfde ziekte; iemand gaat bijvoorbeeld voor het VTI in Deinze werken, en vijf anderen dingen naar een onderzoeksfunctie aan een hogeschool in Leuven met als onderwerp repetitieprocessen – maar dat is alles wat ik erover weet.
Een andere trend is dat de redactieleden hun badge niet meer uittrekken, zelfs niet om te gaan slapen of om te douchen. Niet dat we daar tijd voor hebben (u mag kiezen waarvoor), maar ik wil slechts zeggen: met de dagkrant staan wij op en gaan wij niet slapen. En dat loont.
Niet alleen het papieren product, maar ook de mens achter de krant wil wel eens gemonsterd worden als een uitstekend specimen, dat de weinige tijd dat zijn op barsten staande uurschema toelaat (drukdrukdruk!) vooral gebruikt met in de tuin zitten, een praatje slaan met Angelo (de dj, de radiomaker, en de mens) en met Angelo’s vrienden, die zich onledig en dus vol houdt met eten, Bollekes drinken, en dies meer, die zich interessant maakt met interviewtjes uittypen, editoriaaltjes schrijven en… solliciteren.
Dan wil het wel eens gebeuren dat het gemiddelde redactielid op, van, of naar de sollicitatie, zijn onmiddellijk herkenbaar lees- en vooral doelpubliek tegenkomt en net niet tegen het lijf loopt, want zo beleefd zijn we wel. Het gesprek zou dan zo kunnen gaan:
“He, ga jij naar Het Theaterfestival?” (bus 2 richting Hoboken, Centraal Station)
Ze had mijn badge gezien. Ik fier, maar ik gaf geen krimp om die knappe kip. Of het was toch krap, en nipt. Integendeel probeerde ik me een houding te geven. Niet gemakkelijk, als je net drie uur over een examen gebogen hebt gezeten, waarin menige verwijzing naar het huidige Theaterfestival-programma niet uit de lucht was. In plaats van daar echter over uit te weiden, zei ik gewoon:
“Ja”.
“Oh”
“We maken de krant”, zeg ik. “Met dingen die in een krant staan. Artikels. Interviews. Foto’s.” Ik twijfel of ik ‘editorialen’ zou zeggen, maar doe het niet.
Ze glimlacht, zegt niets, maar kijkt nog eens stiekem naar mijn badge.
“En jij? Waarvoor ga jij?”
“Het salon van de summerschool. Toneelschrijven. Of kunstkritiek. Of allebei. Hoe weet jij dat ik ga?”
“Ik herken je aan je botjes”, zeg ik, en ik kijk verlegen naar beneden. Mijn kaken worden Bollekes.
Daaruit vloeide nog een razend interessant gesprek voort, dat nog lang het tuintje van het festivalcentrum zou animeren, en waarvan de teneur succesvol het midden hield tussen sympathie, theater en regelrechte idolatrie – u mag kiezen van/voor wie.


Maandag 25 april 2008, Allemaal Jos
Als theater breken met eenheidsworst betekent, dan is het goed dat de Jossen hier te gast zijn. Ik zal hen dan ook consequent met deze roepnaam blijven aanspreken, en niet met het fonetisch bedoelde Tejaterbende, en nog minder met het schooltonelerige Oeps! Dat klinkt als een Britney Spears-hit uit haar brave periode, en hoewel het festivalcentrum op dit moment (zondagavond 22u36) een beetje als T/W Classic aandoet, leidt ons dat toch wat te ver. We drinken verder van ons lauw geworden bier en denken aan de zonnige namiddag ter Singel van zo-even tevoren, toen we de Jossen tegenkwamen, ja, ook die uit West-Vlaanderen. Een teken aan de begraffitide wand. We gniffelen.
De Jossen komen uit Olen, dus zijn ze olijk. Allemaal kleine Keizer Karels, die hun pullen bier net niet uit kuipen met twee oren drinken. En omdat het in Antwerpen, naast natuurlijk Het Theaterfestival, tegelijkertijd – oh drama! – ook Bollekesfeest is, laat men zich dat geen twee keer ontzeggen.
18u35. Olleke bolleke schol. Het avondeten verteert beter in goed gezelschap en in de kleur eekhoornrood met schuim. Iemand laat een fluim, wrijft die uit over zijn computerscherm. Niemand heeft het gezien, iedereen zit in ‘Romeinse tragedies’, en daarbij, het was toch maar een journalist.
19u20. Doe ze nog eens vol. Iemand maakt aanstalten om naar zijn sleutels te tasten, trekt een grimas, gaat dan weer zitten. Speelt met zijn handen rond de beker, die een leugen herbergt, want bollekes passen niet in een kostbare vierkante beker, zij barsten uit hun voegen, dat weet iedereen in Antwerpen. Alles wordt klein op die manier, maar ook dichtbij, zelfs de grote jongens die twee tafels verder zitten.
19u47. De Jossen groeperen zich, gaan rond de tafel dansen. Er volgt een onverstaanbare maar luide kreet. Opnieuw gaan ze zitten. Niemand is slecht gezind. Vanavond speelt men niet, tenzij men een vliegtuig chartert (er staat zeker een helikopter op het dak van deSingel, wil ik nog opwerpen, maar ik wil hen niet zien vertrekken).
20u21. Het vat is af, wat zoveel betekent als de Romeinse tragedies aan het eind van hun Latijn. De Jossen houden een protestactie en gijzelen de festivalleiding. Tot de grap eraf is, en zij ermee dreigen de toeristische infogids van de Stad Antwerpen, bijgesloten bij elk contract hier, ook daadwerkelijk te gaan gebruiken en andere oorden op te zoeken. Sidi Larbi heeft naar het schijnt gezegd dat de kathedraal erg mooi is, en wie weet schenkt men daar in echte bollekesglazen? Uiteindelijk stemmen ze in met een compromis: méér bollekes als compensatie, dit alléén omdat ze sympathieker willen zijn dan de Freds op donderdag en vrijdag.
20u57. De Jossen beginnen iedereen in de foyer consequent Jos te noemen, na een harde klap op de schouder en een gulle traktatie.
Wie gisteren de voorstelling van de Jossen gezien heeft, is belazerd, of belazert ons.
Het einde van de stimulerende avond heeft nog een verrassing in petto. De door de rest van deSingel vergeten journalisten botsen tegen alle deuren, geen weg voert hen terug naar de zo gegeerde bar. Alles blijkt toe. De Jossen hebben de tent gesloten.


Zondag 24 april 2008, Oorlog en eten
Het festivalcentrum ligt te slapen en de redactie houdt zijn verkwikkend middagdutje na de eerste echte deadline en de broodjes ham en kaas en boterhamworst met sla en yoghurt. De koffie hielp niet. Tot er luid gebulderd wordt: voor het eerst is er duidelijkheid over waar we ons nu exact bevinden in het gebouw (deSingel, moet u weten, houdt ongeveer het midden tussen een luchthaven en het hoofdkwartier van de NASA, en van de witte gangen word je blind als waren het lawines in de Ardennen).
    Zo klonk ook ongeveer het geluid dat ons overviel: als een lawine. Enkelen van ons veerden recht, keken verwilderd om zich heen, waren uit hun respectievelijke dromen losgerukt en zochten soelaas maar vooral dekking. Renden de gang in. Niets te zien.
    Wat was er gebeurd? Waar is commissaris Witse wanneer je hem nodig heeft? Vast aan het biljarten (zie verder in dit nummer bij ‘Theatertater’). Hoe dan ook: dit kon geen toeval meer zijn, zeker niet na een vrouwelijke gil die tot ver op de landingsbanen na-echoode. We werden bedreigd, zoveel was duidelijk. Misschien was er een brandalarm, of was ‘Jurassic Park’ echt geworden (in theater kan alles).
    Wat we te zien kregen, benaderde onze ergste vrees. Ivo Van Hove regisseerde ‘Romeinse tragedies’. Het huis zat vol met keizerlijk krapuul zoals Julius Caesar en Augustus (een vrouw dan nog), om van het overspelige zwijn Marcus Antonius nog maar te zwijgen. Er werden oorlogen gevoerd en heelder kolonnes afgeslacht door overijverige, geile kolonisten, en het wilde maar niet stoppen. Dan zeggen ze dat de Grieken de marathon hebben uitgevonden.
    Hiertegen was geen geweld opgewassen, en zich verschansen onder onze laptops betekende slechts uitstel van executie. We besloten de koppen bij elkaar te steken, en een uitgekiende strategie te voeren. De voorraadkamer bevond zich vlak naast ons kamp. Het was slechts zaak daar beslag op te leggen, in een onbewaakt moment bijvoorbeeld, en de luidruchtige ruzies zouden het vuur wel staken, op den duur. De ciabatta’s met beenham en olijventapenade zouden ons, wij die altijd honger hebben, goed smaken, en zo geschiedde, volledig in de mens sana et corpore sano van Coriolanus zelve. De Romeinen en het plebs, watjes eigenlijk, moesten na zes uur uitgehongerd het toneel verlaten en zich overgeven. We beslisten de strijd met een flits: voorpaginanieuws.


Zaterdag 23 april 2008, Droomgebod ter redactie
Met nog minder dan een halfuur te gaan moet er een editoriaal verschijnen, voor de dagkrant van vandaag. De deadline voor journalisten is al twee uur verstreken, en ik zit op de oranje banken van het festivalcentrum een tekst te knutselen. Ik ga met tijd om als een Hollander. Ik vind mezelf een slecht mimetisch voorbeeld.
Ik ben er me echter van bewust, en denk de hele tijd aan het eindresultaat, de som van alle delen die in groep voorbereid worden, in noeste arbeid en bevlogen momenten. Er is immers geen hiërarchie. Dat eindresultaat moet er staan, de krant moet in jullie handen belanden, liefst met wat sier. En vervolgens mogen jullie kritisch zijn, over de voorstelling, maar ook over ons, over hoe wij die voorstelling percipiëren. Kritiek op de kritiek, en morgen maal drie misschien.
Het is ook zo lastig. Iedereen beweegt hier, drinkt koffie (voor het avondeten), daarna Westmalles. Het ritme van de eerste dag zit nog in de vingers, iedereen heeft een muisarm, een klikpink, een knippen-en-plakkensyndroom. En opnieuw een droge mond. De hersenen vormen een bron van spiritueel Alpenwater, wij zijn de leidingen en het is onze taak jullie te bevoorraden. Ik weet niet of Sidi Larbi Cherkaoui hiermee akkoord gaat, maar het is organisch verwoord, en daar kan hij alleen maar akkoord mee gaan.
De receptie is grotendeels aan me voorbijgegaan, wat meer dan spijtig is. Wanneer de voorstellingen volstromen is dat pas een begin; daarna moet hetzelfde gebeuren met de krant. Vandaar dat we de beau monde (heel erg beau waren jullie gisteren allemaal) laten voor wat ze zijn, heel veel en mét heel veel namelijk, en alweer tegen tien uur dienen aan te schurken.
Maar ik klaag niet. Dit is een spel, onze vingers dansen, we zijn én journalist én twentysomething én kritisch én leeghoofdig én nuchter én dronken. Iedereen beweegt en zorgt voor wind, terwijl het regent en in de Monty zelfs sneeuwt. En dat alles naarmate de klok tikt.
deSingel ligt bijzonder slecht gelegen. Ik droom van een theater waarvoor extra bussen worden ingezet.


Vrijdag 22 april 2008, State of the Union

Vandaag gaat het Theaterfestival van start, uit zijn startblokken zoals dat heet, om vervolgens negen dagen deSingel te beheersen en de stad op andere plaatsen te bezetten. Zoals dat gaat met festivals, durven zij wel eens meerdere dagen te duren, en voor we door het bos de spreekwoordelijke bomen niet meer kunnen zien, zullen wij er voor u enkele kappen om u met deze krant door het parcours te loodsen.

Het Theaterfestival heeft voor u de hefboomophefmakendste voorstellingen geselecteerd, en UrbanMag* de scherpste pennen om daarover te berichten. Wij zijn in alle staten: u zult de komende negen dagen in onze acht bladzijden tellende dagkrant de meest uiteenlopende broodnodige informatie kunnen terugvinden. Wij zullen recensies schrijven, zodat u naast de informatieve ook de meer beschouwende kant van de zaak onder ogen zult krijgen dan wel komen. Wij offreren u vaste rubrieken zoals “Theatertater” en “Sfeerbeheer”, om u te verluchten. Negen dagen van theaterzalen en performanceruimtes kruipen in de keel en op de luchtwegen (een plicht waaraan theater volgens onze kenners altijd zou moeten voldoen), vandaar dat ook de bezoekers en andere personen in de wandelgangen (drummen is het hier) hun zegje mogen doen, of onze gepeperde vragen op het bord krijgen. Eigenlijk zijn wij, als we niet ingaan op de catering, zélf een beetje een restaurant.

Wat er het min of meer op het menu staat, leest u in beknopte vorm gedrukt op beknotte bomen, hierboven en later, maar voor ik verder aan het dichten sla, weet goed dat ik dat voortaan zal overlaten aan Wim Van Gansbeke, de betreurde theatercriticus van wie de binnenkort gepubliceerde verzen ons blad negen dagen lang exclusief zullen strelen. Hiernaast vindt u alvast het sonnet met daarin de regel die ook de titel van de bundel heeft opgeleverd: ‘God is een constructiefout’. De ‘Tien geboden’, welk deel dan ook, zijn er haast niks tegen.

Het Theaterfestival 08, en dus ook dit nummer, wordt voor geopend verklaard door Sidi Larbi Cherkaoui. Voor wie niet weet wie dat is: tant pis, of toch niet, want verderop vindt u alle informatie die u nodig en niet nodig heeft. Laat dat meteen mijn, en bij uitbreiding misschien onze, State of the Union zijn: u heeft onze magnifieke krant niet nodig, maar u vaart er wel bij.

Herken ons aan onze badge en klamp ons aan. Wij zijn heel beïnvloedbaar. Tot later,...



Reageer
Voornaam
Naam
Email
Reactie